Woensdag, 22/04/2026 - 17:42

Te Parijs heerschen in de lente meestal gure, scherpe noordenwinden, die wel niemand doen bevriezen, maar toch vinnig koud zijn; deze noordenwinden, die de schoonste dagen onaangenaam maken, doen volkomen dezelfde uitwerking als de koude tochtwind, die door de reten van een venster of van een slecht gesloten deur een warme kamer binnendringt. Het schijnt, alsof de sombere winterdeur op een reet is gebleven en de wind er door komt. In de lente van 1832, op het tijdstip toen de eerste groote epidemie dezer eeuw in Europa uitbrak, waren deze noordenwinden guurder en scherper dan ooit. Een nog koudere deur dan die van den winter scheen open te zijn. ’t Was die van het graf. Men voelde in die noordenwinden den adem der cholera.

Uit het weerkundig gezichtspunt gezien, hadden deze winden het eigenaardige, dat zij van een zeer sterke electrische spanning vergezeld waren. In dien tijd waren stormen met donder en bliksem veelvuldig.

Op zekeren avond, dat het op deze wijze scherp koud was, zoo zelfs dat het scheen of Januari was wedergekeerd, en dat de menschen hun overkleeren weer droegen, stond de kleine Gavroche, steeds vroolijk onder zijn lompen, bibberend, als in verrukking, voor den winkel van een kapper en barbier in den omtrek van l’Orme-Saint-Gervais. Hij was versierd met een wollen sjaal, die hij op de eene of andere wijs gekregen en als een cachenez omgeslagen had. De kleine Gavroche scheen met diepe bewondering een dame van was te begluren, die in een zeer laag uitgesneden kleed en met oranje bloemen gekapt, achter het glasvenster draaide en tusschen twee lampen den voorbijgangers haar glimlach toewierp, maar werkelijk beloerde hij den winkel om te zien, of hij niet van de toonbank een stuk zeep kon kapen, ’t welk hij vervolgens voor een sou aan een barbier in de voorstad zou verkoopen. Het gebeurde hem dikwijls, dat hij op deze wijze aan een ontbijt kwam. Hij noemde dit werk, voor hetwelk hij een bijzonder talent had „de barbiers scheren.”

Terwijl hij de dame bewonderde en het stuk zeep begluurde, bromde hij binnensmonds: „Dinsdag – ’t is immers geen Dinsdag. – Is het Dinsdag?.. ’t Is misschien Dinsdag. – Ja, ’t is Dinsdag.”

Men is nooit te weten gekomen, waarop deze alleenspraak zinspeelde.

Zoo deze woorden soms den laatsten keer aanduidden, dat hij gegeten had, dan was dit drie dagen geleden, want het was nu Vrijdag.

De barbier schoor iemand in zijn door een kachel verwarmden winkel, en sloeg nu en dan een zijdelingschen blik op dien vijand, op dien bibberenden, onbeschaamden straatjongen, die beide handen in zijn zakken had, maar zeker iets anders in het oog.

Terwijl nu Gavroche de wassen dame, de uitstalling en de Windsor-zeep begluurde, draaiden twee knaapjes van ongelijke grootte, tamelijk goed gekleed en veel kleiner dan hij, het eene schijnbaar zeven, het andere vijf jaar oud, bedeesd de deurkruk om en traden den winkel binnen om iets te vragen, misschien een aalmoes, en wel op zulk een jammerenden toon dat het eer een smeeking dan een verzoek geleek. Zij spraken beiden tegelijk, en hun woorden waren onverstaanbaar, wijl het gesnik van den jongsten knaap zijn stem smoorde en de koude de tanden van den oudsten deed klapperen. De barbier wendde zich om met verstoord gezicht, en, zonder zijn scheermes neder te leggen, schoof hij den oudsten met de linkerhand en den jongsten met de knie weder op de straat en sloot zijn deur, zeggende:

„Zij brengen voor niemendal de koude in huis!”

De knaapjes gingen schreiend verder. Intusschen was een bui opgekomen; ’t begon te regenen.

De kleine Gavroche liep hen na en vroeg hen:

„Wat deert u, dreumesen?”

„Wij weten niet, waar wij slapen zullen,” antwoordde de oudste.[138]

„Is ’t niets anders?” zei Gavroche. „Dat is zoo erg niet. Moet gij daarom schreien? Ge zijt immers geen kanarievogeltjes?”

Toen hernam hij, een gewichtige houding aannemende, doch op een toon van teeder gezag en vriendelijke bescherming:

„Komt mede, kleinen!”

„Ja, mijnheer,” antwoordde de oudste.

Beide knaapjes volgden hem nu zoo eerbiedig, alsof zij een aartsbisschop volgden. Zij weenden niet meer.

Gavroche voerde hen door de straat St. Antoine naar den kant der Bastille.

Onder ’t gaan sloeg Gavroche een vergramden blik op den barbierswinkel terug, en mompelde:

„Hij heeft geen gevoel, die schelvisch. ’t Is een Engelschman.”

Een meisje, dat hen met hun drieën achter elkaar zag gaan, Gavroche aan ’t hoofd, begon luid te lachen. Dat gelach gaf weinig eerbied voor de groep te kennen; en Gavroche zeide tot haar:

„Dag, mamsel Omnibus.”

Een oogenblik later kwam de barbier hem weder in de gedachte, en hij voegde er bij:

„Ik vergiste mij in het beest; ’t is geen schelvisch, maar een slang. Kapper, ik zal u een ratel aan uw staart laten maken.”

De kapper had hem baldadig gemaakt. Over een goot springende, riep hij tot een gebaarde portierster, die waardig was geweest Faust op den Bloksberg te ontmoeten, en een bezem in de hand had:

„Zoo madam, gaat gij op uw paard uit?”

Daarop bespatte hij met slijk de glimmende laarzen van een voorbijganger.

„Kwâjongen!” riep de voorbijganger toornig.

Gavroche stak zijn neus uit de sjaal en zeide:

„Waarover klaagt mijnheer?”

„Over u,” was het antwoord.

„Het bureau is gesloten,” zei Gavroche. „Ik ontvang geen klachten meer.”

Ondertusschen ging hij verder de straat op, en zag, onder een koetspoort, als bevrozen, een dertien- of veertienjarige bedelares, wier rokje zoo kort was, dat men haar knieën zag. Het meisje werd er te groot voor. De groei speelt dergelijke streken. Het onderrokje wordt kort, terwijl de naaktheid onzedelijk wordt.

„Arm meisje,” zei Gavroche; „’t heeft niet eens een broek. Hier, neem dit.”[139]

En den warmen wollen doek losmakende, dien hij om den hals had, wierp hij dien op de magere blauwe schouders der bedelares, zoodat de cache-nez weder een sjaal werd.

Het meisje zag hem met verbazing aan en ontving zwijgend de sjaal. Tot een zekeren graad van ellende gekomen, klaagt de arme in zijn vertwijfeling niet meer over zijn nood, en dankt niet meer voor het goede.

Hierna liet Gavroche, kouder dan Sint-Marten, die ten minste de helft van zijn mantel behield, een brrr! hooren.

Na dit brrr! nam de regen toe en viel in stroomen neer. Zoo straft een slechte hemel de goede daden.

„Nu,” riep Gavroche; „wat moet dit beteekenen? Het regent weder. Goede God, als het zoo voortgaat, zeg ik mijn abonnement op.”

En hij ging verder.

„Om ’t even,” hernam hij, een blik op de bedelares slaande, die zich in de sjaal wikkelde; „zij heeft nu een goede pels.”

En naar de wolken ziende, riep hij:

„Gesnapt!”

De twee kinderen volgden hem op de hielen.

Toen zij voorbij een dier getraliede vensters gingen, die een bakkerswinkel aanduiden, want men legt het brood evenals het goud achter ijzeren traliën, keerde Gavroche zich om en vroeg:

„Wel, kabouters, hebt ge gegeten?”

„Mijnheer,” antwoordde de oudste, „wij hebben niet gegeten sinds van morgen.”

„Gij hebt dus geen vader of moeder?” hernam Gavroche met majesteit.

„Verschooning, mijnheer, wij hebben een papa en mama, maar weten niet, waar zij zijn…”

„Dit is vaak beter dan ’t wel te weten,” zei Gavroche, die een denker was.

„Wij zijn nu reeds twee uur op straat,” hernam de oudste, „wij hebben aan alle hoeken gezocht, maar niets kunnen vinden.”

„Ja, ja,” zei Gavroche; „de honden verslinden alles.”

Na eenig zwijgen hernam hij:

„Ha, gij hebt uw ouders verloren; gij weet niet waar zij zijn; dat mag niet, jongens. ’t Is dom, bejaarde lieden verloren te laten gaan. Maar men moet zich overal weten uit te redden.”

Hij vroeg hun overigens niets. ’t Was voor hem iets zeer eenvoudigs, geen onderkomen te hebben!

De oudste der twee knapen, die schier de onbezorgdheid der kindsheid had teruggekregen, riep:

„’t Is toch raar. Mama had ons beloofd, op Palmzondag gewijde palm met ons te gaan halen.”[140]

„Gekheid!” antwoordde Gavroche.

„Mama,” hernam de oudste, „is een dame, die met Mamselle Miss woont.”

„Falderala,” hernam Gavroche.

Intusschen was hij blijven staan en tastte en zocht sinds eenige oogenblikken in alle zakken en gaten, die zijn plunje kon hebben.

Eindelijk richtte hij het hoofd weder op, met een gebaar, dat slechts tevredenheid wilde toonen, maar werkelijk triumfeerend was.

„Weest gerust, mijn jongens. Ik heb hier iets, waarvoor wij alle drie ons avondeten kunnen krijgen.”

En uit een zijner zakken haalde hij een sou.

Zonder aan de twee kleinen den tijd te gunnen zich te verbazen, duwde hij ze voor zich uit in den bakkerswinkel, en den sou op de toonbank leggende, riep hij:

„Hola, voor vijf centimes brood.”

De bakker nam een brood en een mes.

„In drie stukken, baas,” hernam Gavroche, en voegde er deftig bij: „wij zijn met ons drieën.”

Toen hij nu zag, dat de bakker, na de drie klanten aanschouwd te hebben, een zwart brood nam, stak hij zijn vinger diep in den neus en snoof zoo sterk, alsof hij het snuifje van Frederik den Groote op zijn duim had gehad, en snauwde den bakker met verontwaardiging toe:

„Wat moet dat beduiden?”

De bakker antwoordde:

„Wel ’t is brood, zeer goed brood van de tweede kwaliteit.”

„Ge wilt zeggen zwart brood,” hernam Gavroche met rustige, koele verachting. Wit brood, baas! Ik trakteer!”

De bakker glimlachte onwillekeurig, terwijl hij het wit brood sneed, en zag hen met een medelijdenden blik aan, die Gavroche beleedigde.

„Nu, bakker,” zeide hij, „waarom kijkt ge ons zoo aan?”

Op elkander gezet zouden zij nauwelijks een el groot zijn geweest.

Toen het brood gesneden was, nam de bakker den sou en Gavroche zeide tot de twee kinderen:

„Pruimt nu.”

De knaapjes zagen hem verlegen aan.

Gavroche glimlachte, „’t Is waar,” zeide hij, „zij zijn nog te klein om het te begrijpen.”

En hij hernam: „Eet.”

En hij reikte beiden een stuk brood.

Meenende, dat de oudste eenige bijzondere aanmoediging [141]behoefde om zonder verlegenheid zijn honger te bevredigen, gaf hij hem het grootste stuk, zeggende: „Ziedaar, stop dit in de maag.”

Van de twee overige stukken hield hij het kleinste voor zich.

De arme kinderen hadden honger, Gavroche niet minder. Terwijl zij smakelijk in het brood beten, bleven zij in den winkel van den bakker, die, nu hij betaald was, hen weg wenschte.

„Laat ons op de straat terugkeeren,” zei Gavroche.

Zij gingen voort in de richting der Bastille.

Telkens wanneer zij voorbij helder verlichte winkels kwamen, stond de kleinste stil om op een tinnen horloge, dat aan een touwtje om zijn hals hing, te zien hoe laat het was.

„Hij is nog heel kinderachtig,” dacht Gavroche.

En in gedachte mompelde hij:

„Om ’t even; zoo ik kleinen had, zou ik ze beter bewaren.”

Toen zij hun brood bijna op hadden, kwamen zij aan den hoek der zoo treurige straat des Ballets, aan welker einde men de lage sombere poort der gevangenis la Force ziet.

„He! zijt gij ’t, Gavroche?” zei iemand.

„Hé, zijt gij ’t, Montparnasse?” hernam Gavroche.

’t Was iemand, die den straatjongen naderde, en die iemand was geen ander dan Montparnasse, die hoewel vermomd, en met een blauwen bril op, toch door Gavroche herkend werd.

„Verduiveld!” riep Gavroche, „ge ziet er met uw bruine plunje en uw blauwen bril uit als een dokter. Ge zijt knap, oude jongen.”

„Stil,” zei Montparnasse, „niet zoo luid!”

En haastig trok hij Gavroche uit het licht der winkels.

De twee knaapjes volgden werktuiglijk, elkander bij de hand houdende.

Toen zij onder den donkeren boog eener koetspoort, uit het gezicht en den regen stonden, vroeg Montparnasse:

„Weet ge waar ik heen ga?”

„Naar de abdij van Monte à Regret1, zei Gavroche.

„Spotvogel!” hernam Montparnasse. „Ik ga Babet opzoeken.”

„Zoo!” zei Gavroche, „heet zij Babet!”

Montparnasse hernam zacht:

„’t Is geen zij, maar een hij.”

„Ha, Babet!”

„Ja, Babet.”

„Ik meende, dat hij gestrikt was.”[142]

„Hij heeft den strik losgemaakt,” antwoordde Montparnasse.

En haastig verhaalde hij den straatjongen, dat Babet, dien zelfden dag naar de conciergerie overgebracht zijnde, op den weg naar den rechter van instructie ontvlucht was, door links in plaats van rechts te gaan.

Gavroche bewonderde deze behendigheid.

Montparnasse voegde er eenige bijzonderheden aangaande de vlucht van Babet bij, en zeide:

„O, dat is nog niet alles.”

Gavroche had, onder het luisteren, den wandelstok gevat, dien Montparnasse in de hand hield; werktuiglijk had hij aan het boveneinde getrokken, en een dolkkling was te voorschijn gekomen.

„Ha!” zeide hij haastig, den dolk weder inschuivende, „ge hebt uw gendarm, als een burger verkleed, medegebracht.”

Montparnasse knipoogde.

„Drommels!” hernam Gavroche, „ge wilt dus met de politie vechten?”

„Men kan niet weten,” antwoordde Montparnasse op onverschilligen toon. „’t Is altijd goed, een speld bij zich te hebben.”

Gavroche vroeg nu dringender:

„Wat wilt ge dan toch van nacht uitvoeren?”

Montparnasse hernam op ernstigen toon en met nadruk:

„Zaken.”

Maar plotseling aan het gesprek een andere wending gevende zeide hij:

„Apropos.”

„Wat?”

„Iets dat mij dezer dagen gebeurd is. Verbeeld u; ik ontmoette een burgerman, die mij een preek en een beurs present deed. Ik stak de beurs in mijn zak; een oogenblik later tast ik in mijn zak; er was niets meer in.”

„Dan de preek,” zei Gavroche.

„Maar waar gaat gij nu toch heen?” vroeg Montparnasse.

Gavroche wees hem op de beide knaapjes, die hij in zijn hoede had genomen, en zeide:

„Ik ga deze kinderen te bed brengen.”

„Waar te bed?”

„Bij mij.”

„Waar is ’t – bij u?”

„Bij mij.”

„Ge hebt dus een woning?”

„Ja, ik woon.”

„En waar woont ge?”

„In den Olifant,” zei Gavroche.[143]

Montparnasse, die uit zijn aard niet licht verwonderd was, riep echter onwillekeurig:

„In den Olifant!”

„Ja, ja, in den Olifant!” hernam Gavroche. „Wat zou dat?”

Deze diepzinnige opmerking van den straatjongen bracht Montparnasse weder tot bedaardheid en overleg. Hij scheen nopens Gavroches woning een betere meening op te vatten.

„Inderdaad,” zeide hij, „de Olifant. Is ’t er goed?”

„Zeer goed,” hernam Gavroche. „Op mijn woord, ’t is er prettig. Men heeft er ten minste geen tochtwinden, zooals onder de bruggen.”

„Hoe komt ge er?”

„Ik kruip er in.”

„Is er dan een gat in?” vroeg Montparnasse.

„Zekerlijk, maar ge moogt er niets van zeggen. ’t Is tusschen de voorpooten. De politie-verklikkers hebben ’t nog niet gezien.”

„En ge klautert omhoog? Ha, nu begrijp ik.”

„In een oogwenk is ’t gedaan; en niemand is er meer.”

Na een pauze, voegde Gavroche er bij:

„Voor deze kleinen moet ik een ladder hebben.”

Montparnasse lachte, en vroeg:

„Hoe drommel, komt ge aan die kleinen?”

Gavroche antwoordde eenvoudig:

„’t Zijn snaken, welke een kapper mij present heeft gedaan.”

Ondertusschen was Montparnasse ernstig geworden.

„Ge hebt mij dus gemakkelijk herkend?” mompelde hij.

Hij nam uit zijn zak twee kleine voorwerpen, die niets anders dan twee met katoen omwonden penneschachten waren, van welke hij er een in ieder neusgat stak. Dit gaf hem een geheel anderen neus.

„Dat verandert u,” zei Gavroche, „nu zijt ge veel minder leelijk; zoo moest ge altijd zijn.”

Montparnasse was een mooie, knappe jongen, maar Gavroche was een spotvogel.

„Zonder gekscheren,” vroeg Montparnasse, „hoe vindt ge mij?”

Ook zijn stem was veranderd. In een oogenblik was Montparnasse onkenbaar geworden.

„O! nu kunt ge voor Polichinel spelen!” riep Gavroche.

De beide knaapjes, die tot hiertoe niet geluisterd hadden, wijl zij zelf bezig waren hun vingers in den neus te steken, traden op ’t hooren van dien naam dichter bij, en zagen Montparnasse met blijdschap en verwondering aan.

Ongelukkig was Montparnasse ongerust.

Hij legde de hand op Gavroches schouder en zeide, op ieder woord drukkende:[144]

„Luister, jongen, naar ’t geen ik u zeg: zoo ik op de plaats was met mijn dog, mijn dolk en mijn mes, en men gaf mij drie sousstukken, zou ik niet weigeren er mede te werken, maar ’t is heden geen vastenavond.”

Deze zonderlinge woorden brachten een zonderlinge uitwerking op den straatjongen teweeg. Hij keerde zich haastig om, sloeg met groote opmerkzaamheid zijn blik om zich en zag op korten afstand een stadssergeant, met den rug naar hen gekeerd. Gavroche liet een kreet ontsnappen, dien hij echter dadelijk onderdrukte, en Montparnasse de hand schuddende, zeide hij:

„Nu, ik ga met mijn kleinen naar den Olifant. Zoo ge mij des nachts noodig mocht hebben, kunt ge mij er vinden. Ik logeer op de eerste verdieping. Er is geen portier. Vraag maar naar mijnheer Gavroche.”

„Goed,” zei Montparnasse.

Zij scheidden, Montparnasse ging naar den kant van la Grève, Gavroche naar dien der Bastille.

De vijfjarige kleine, door zijn broertje voortgesleept, dat door Gavroche werd getrokken, keerde herhaaldelijk het hoofd om, ten einde Polichinel na te zien.

De zonderlinge woorden, welke Montparnasse bij ’t gezicht van den stadssergeant tot Gavroche gezegd had, gaven in de dieventaal te kennen: Pas op, wij kunnen niet vrij spreken.

Vóór twintig jaar zag men nog in den zuidoostelijken hoek van het Bastilleplein, nabij de vroegere gracht der staatsgevangenis, een wonderlijk monument, ’t welk bijna reeds uit het geheugen der Parijzenaars is gewischt, en echter verdiende er eenig spoor achter te laten, want het was eene gedachte van „het lid van het Instituut, opperbevelhebber van het Egyptische leger.”

Wij noemen het „monument”, hoewel het slechts een ruw ontwerp was. Maar deze wonderbare schets, dit grootsche lijk van een gedachte van Napoleon, ’t welk twee of drie windvlagen achtereen opgenomen en telkens verder van ons geworpen hadden, was historisch geworden en had iets bepaalds aangenomen, ’t geen met zijn voorkomen van voorloopigheid in tegenstelling was. ’t Was namelijk een veertig voet hooge olifant, van hout en steen opgericht, op zijn rug een toren dragende, die veel had van een huis, dat vroeger groen geschilderd, doch nu door de lucht, den regen en den tijd zwart geworden was. In dien eenzamen open hoek van het plein, vormden het breede hoofd van den kolos, zijn groote rug, zijn snuit, zijn slagtanden, zijn toren, zijn vier kolomachtige pooten des nachts een wonderbaar [145]en vreeselijk beeld tegen den gesternden hemel. Men wist niet, wat het beteekende. ’t Was een soort van zinnebeeld der volkskracht. ’t Was iets sombers, raadselachtigs en grootsch. Iets als een machtige zichtbare schim, naast het onzichtbare spookbeeld der Bastille.

Weinig vreemdelingen bezochten dit monument; geen voorbijganger sloeg er een blik op. De olifant viel in puin; ieder seizoen nam kalk van zijn zijden mede, ’t geen leelijke wonden vormde. De stedelijke raad had hem sedert 1814 vergeten. Hij stond daar in zijn hoek, treurig, ziek, wankelend, omgeven door een verweerde afpaling, die telkens door dronken koetsiers beschadigd werd; zijn buik was door bersten gescheurd; een balk kwam uit zijn staart, hoog gras schoot tusschen zijn pooten op; en daar de vlakte rondom hem sinds dertig jaren hooger was geworden door die langzame en gestadige werking welke ongevoelig den grond der groote steden doet rijzen, stond hij in een kuil en scheen de aarde onder hem te zinken. Hij was vuil, veracht, afzichtelijk en trotsch, leelijk voor het oog van den burger, treurig voor het oog van den denker. Hij had iets van vuilnis, ’t welk men wil wegruimen; iets van een majesteit, welke men gaat onthoofden.

Maar des nachts, zooals wij gezegd hebben, veranderde het gezicht. De nacht is de geschiktste tijd om schaduwen te zien. Terstond bij de avondschemering onderging de oude olifant een gedaanteverandering. In de grootsche stilte der duisternis nam hij een rustige en vreeselijke gestalte aan. Tot het verledene behoorende, behoorde hij tot den nacht, en deze duisternis paste bij zijn grootheid. Dit ruwe, plompe, zware, statige, schier wanstaltige, maar gewis ernstige en majestueuze, monument is verdwenen, om in vrede de soort van reusachtige kachel met haar pijp te laten heerschen, die de sombere vesting met negen torens heeft vervangen, schier evenals de burgerstand de leenheerlijkheid vervangt. ’t Is zeer natuurlijk, dat een kachel het zinnebeeld van een tijdvak zij, welks macht een ketel bevat. Dit tijdvak zal voorbijgaan, het gaat reeds voorbij; men begint te begrijpen, dat, zoo in een ketel kracht kan zijn, slechts in een brein macht kan wezen; met andere woorden, wat de wereld drijft en voorttrekt zijn geen locomotieven, ’t zijn ideeën. Men spanne de locomotieven voor de denkbeelden, ’t zij zoo; maar men houde het paard niet voor den ruiter.

Hoe het zij en om tot het plein der Bastille weder te keeren, de bouwmeester van den olifant had van kalk iets groots gemaakt; de bouwmeester van de kachelpijp is er in geslaagd, van brons iets kleins te maken.[146]

Deze kachelpijp, welke men een fraaien naam gegeven en die men de Juli-kolom heeft genoemd, dit mislukte monument van een mislukte revolutie, was in 1832 nog in een groot houten hemd gehuld, en door een planken schutting omgeven, die den olifant volkomen afsloot.

’t Was naar dien hoek van het plein, die nauwelijks door ’t licht van een verwijderde lantaarn beschenen werd, dat de straatjongen de twee „kleinen” voerde.

Men veroorlove ons hier op te merken, dat wij zuivere waarheid verhalen, en dat twintig jaren geleden, voor de correctioneele rechtbank een knaap terechtstond, beschuldigd van vagebondage en het inbreken in een openbaar monument, die slapende in den olifant der Bastille was gevonden.

Toen Gavroche nu den kolos was genaderd, begreep hij den indruk, dien het oneindig groote op het oneindig kleine kon maken, en zeide:

„Jongens, weest niet bang!”

Toen sloop hij door een holligheid in de schutting van den olifant en hielp de kinderen er door. De beide kinderen volgden, een weinig angstig, doch zwijgend, Gavroche en vertrouwden zich aan deze kleine voorzienigheid in lompen, die hun brood gegeven en een slaapplaats beloofd had. Tegen de schutting lag een ladder, welke des daags door de werklieden van de naaste werkplaats gebruikt werd. Gavroche lichtte ze, met buitengewone krachtsinspanning op en zette ze tegen een der voorpooten van den olifant. Bij de plek, waartegen het boveneinde der ladder rustte, zag men in den buik van den kolos een donkere opening.

Gavroche wees de ladder en de opening aan zijne kleine gasten, en zeide:

„Klimt nu op en gaat binnen.”

De beide knaapjes zagen elkander ontsteld aan.

„Zijt ge bang, jongens?” riep Gavroche.

En hij voegde er bij: „Ziet naar mij.”

Hij omklemde den ruwen poot van den olifant en in een oogenblik had hij, zonder zich van de ladder te bedienen, de berst bereikt. Hij ging er in, als een adder, die door een scheur kruipt: een oogenblik daarna zagen de beide kinderen onduidelijk zijn bleek gezicht als een vale gestalte voor de donkere opening verschijnen.

„Nu,” riep hij, „klimt op, jongens! ge zult zien hoe goed het hier is! – Klim op,” zeide hij tot den oudste; „ik zal u de hand geven.”

De knaapjes stieten elkander met den elleboog aan; de groote straatjongen boezemde hun vrees, doch tevens gerustheid [147]in, daarbij regende het hard. De oudste waagde het. De jongste, die zijn broertje naar boven zag klimmen, terwijl hij alleen tusschen de pooten van het groote beest bleef staan, had wel willen schreien, maar durfde niet.

Waggelend beklom de oudste de sporten van de ladder. Gavroche moedigde hem aan, evenals een schermmeester zijn leerlingen of een muilezeldrijver zijn dieren zou aansporen.

„Wees niet bang.”

„Goed zoo!”

„Ga voort.”

„Zet dáár den voet.”

„Hier met de hand.”

„Moedig.”

En toen hij in zijn bereik was, greep hij hem schielijk en krachtig bij den arm en trok hem op, zeggende: „Ingeslokt!”

De knaap was door de scheur.

„Wacht mij nu,” hernam Gavroche; „ga intusschen zitten.”

En uit de scheur verdwijnende, zooals hij er was binnengekomen, liet hij zich met de vlugheid van een slingeraap langs den poot van den olifant neer, kwam met de voeten op het gras terecht, vatte den kleine van vijf jaar om het lijf, zette hem op ’t midden der ladder, klom achter hem naar boven en riep den oudste toe:

„Ik zal hem duwen, trek gij hem.”

In een oogenblik was de kleine opgenomen, omhoog geduwd, getrokken, geheschen en door de opening gestoken, zonder den tijd te hebben gehad, er over na te denken. Gavroche, die na hem binnenkwam, schopte met zijn hiel de ladder om, die op het gras viel, klapte in de handen en riep:

„Wij zijn er, leve generaal Lafayette!”

Na deze uitbarsting zeide hij:

„Kinderen, nu zijt ge in mijn woning.”

Gavroche was werkelijk als te huis.

O onverwachte nuttigheid van het nuttelooze! liefdadigheid der groote dingen! goedheid der reuzen! Dit onverwachte monument, dat een denkbeeld des keizers had bevat, was nu het nachtverblijf van een straatjongen geworden. De kolos had den knaap ingenomen en geherbergd. De burgers, die in hun Zondagsgewaad voorbij den olifant der Bastille gingen, zeiden vaak, hem verachtelijk met hun groote oogen metende: „Waartoe dient dit?” – Het diende om een klein wezen zonder vader en moeder, zonder voedsel, zonder kleederen, zonder woning tegen de koude, de vorst, den hagel, den regen te beschermen, hem er voor te bewaren van in dit slijk te moeten slapen, dat koorts geeft, of in de sneeuw te [148]slapen, dat den dood geeft. Het diende om den onschuldige op te nemen, dien de maatschappij verstiet. Het diende om de misdaad van den staat te verminderen. ’t Was een geopend hol voor hem, wien alle deuren gesloten waren. Het scheen, alsof het oude, wankele gevaarte, door ongedierte overweldigd, in vergetelheid geraakt, met schimmel en vuil bedekt, als een reusachtige bedelaar vruchteloos om een welwillenden blik te midden van het plein bedelende, medelijden had gehad met dien anderen bedelaar, dien armen dwerg, die barrevoets ging, geen dak boven zijn hoofd had, van koude in zijn handen blies, gekleed was in lompen en zich voedde met hetgeen werd weggeworpen. Daartoe diende de olifant der Bastille. Deze gedachte van Napoleon door de menschen verworpen, was door God weder opgenomen. Wat slechts beroemd zou zijn geweest, was verheven geworden. Om zijn gedachte te verwezenlijken had de keizer porphyr, metaal, ijzer, goud, marmer noodig gehad; voor God was het oude gevaarte van planken, balken en kalk voldoende. De keizer had een genialen droom gehad; hij had in dien reusachtigen, gewapenden wonderbaren olifant, die zijn snuit ophief, zijn toren droeg en naar alle kanten frisch water klaterend deed opspringen, het volk willen voorstellen; God had er iets grootschers van gemaakt; hij huisvestte er een kind in.

De opening waardoor Gavroche binnenging, was van buiten nauwelijks zichtbaar, wijl zij zich, zooals gezegd is, onder den buik van den olifant bevond, en zoo eng was, dat slechts katten en kinderen er door konden kruipen.

„Laten wij nu in de eerste plaats aan den portier zeggen, dat wij niet te huis zijn,” sprak Gavroche.

En in de duisternis rondtastende, als iemand die zijn woning volkomen kent, nam hij een plank en sloot er de opening mede.

Toen tastte hij weder in de duisternis rond, en de kinderen hoorden het gesis van den zwavelstok die in het phosphorusfleschje was gestoken. Destijds bestonden de zoogenaamde lucifers nog niet; het vuurtuig Fumade was toen het hoogste in dit vak.

Een plotseling licht deed hen de oogen dichtknijpen; Gavroche had een dier eindjes bindtouw, in teer gedoopt, ontstoken, welke men „kelderrotten” noemt. De kelderrot, die meer rookte dan verlichtte, maakte het inwendige van den olifant slechts onduidelijk zichtbaar.

De twee logeergasten van Gavroche zagen om zich, en gevoelden iets, dat iemand zou gevoelen, die in het groote Heidelbergsche vat was opgesloten, of liever, wat Jonas moet gevoeld [149]hebben in den buik van den walvisch. Een reusachtig geraamte omgaf hen. Boven vormde een lange bruine balk, waaruit op zekere afstanden zware, gebogen gebinten kwamen, de ruggegraat met de ribben; gips-stalactieten hingen er in als ingewanden, en van de eene naar de andere zijde vormden groote spinnewebben de met stof vermengde middelriffen. Hier en daar zag men in de hoeken groote, zwarte vlekken, die schenen te leven en zich verschrikt en met snelle beweging verplaatsten.

De brokken, die van den rug des olifants in den buik waren gevallen hadden de holte ervan eenigszins met puin gevuld; zoodat men er als op een vloer in gaan kon.

De kleinste knaap stiet zijn broertje aan en zeide fluisterend:

„’t Is hier donker.”

Dit woord ontlokte Gavroche een uitroep. De angstige houding der twee kinderen maakte een opwekking noodzakelijk.

„Wat zegt ge?” riep hij. „Zijt ge nog niet tevreden? Zoudt ge liever in de Tuilerieën willen wezen? Zoudt ge domooren zijn? Spreekt! Ik verwittig u, dat ik niet al te lankmoedig ben.”

Een weinig ruwheid is goed voor de angstigen. Het stelt hen gerust. De beide kinderen drongen zich weder dichter bij Gavroche.

Gavroche, vaderlijk bewogen door dit vertrouwen, ging nu van het ernstige tot het teedere over en wendde zich tot den kleinste:

„Domoor,” zeide hij, aan deze uitdrukking een vriendelijken toon gevende, „buiten is het donker. Buiten regent het, hier regent het niet; buiten is ’t koud, hier is geen zier wind; buiten is het druk van menschen, hier is niemand; buiten is zelfs geen maan, en ik heb hier mijn kaars; wat zegt ge?”

De beide kinderen begonnen het verblijf met minder angst te beschouwen; maar Gavroche liet hun niet lang den tijd tot overweging.

„Haast u,” zeide hij.

En hij stiet hen naar hetgeen wij het achterste der kamer kunnen noemen.

Dààr was zijn bed.

Gavroches bed was geheel in orde; het bestond namelijk uit een matras, een deken en een bedstede met gordijnen.

De matras was een stroomat, de deken een vrij groote, grove, grijze, zeer warme en schier nieuwe wollen lap. De alkove bestond uit het volgende:

Drie genoegzaam lange stokken in het puin van den bodem, dat wil zeggen, van den buik des olifants, gestoken; twee voor, één achter, en aan de punten met een touw aaneen gehecht, [150]vormden een soort van piramide. Deze piramide was met vlechtwerk van koperdraad omgeven, zijnde stukken van vogelkooien uit menagerieën. Een rij groote steenen rondom dit toestel bevestigde het stijf in den bodem, zoodat er van onder niets door kon. Gavroches bed bevond zich onder dat traliewerk als in een kooi. Het geheel geleek de tent van den eskimo.

Dit traliewerk verving de gordijnen.

Gavroche schoof de steenen, die de stokken aan de voorzijde vasthielden, een weinig ter zijde, en de beide einden van het toestel verwijderden zich.

„Nu op handen en voeten, kleinen!” zei Gavroche.

Behoedzaam liet hij zijn logeergasten in de kooi gaan, toen kroop hij er na hen in, bracht de steenen weder op hun plaats en sloot de opening.

Alle drie lagen op de mat.

Geen hunner zou, hoe klein hij ook was, in deze alkove kunnen staan. Gavroche had zijn kelderrot altijd in de hand.

„Gaat nu recht liggen,” sprak hij. „Ik zal het licht uitdoen.”

„Mijnheer,” vroeg de oudste der twee broertjes aan Gavroche, op het traliewerk wijzende, „wat is dat toch?”

„Dit,” zei Gavroche ernstig, „is voor de ratten. Ga nu recht liggen!”

Hij meende evenwel ter onderrichting der jonge wezens er nog eenige woorden te moeten bijvoegen en hernam:

„’t Zijn dingen uit den plantentuin. ’t Dient daar voor de wilde dieren. Er is een pakhuis vol van. Men behoeft slechts over een muur te klimmen, door een venster te klauteren en onder een deur heen te kruipen. Dan heeft men zooveel men wil.”

Dus sprekende wikkelde hij den kleinste in een slip van de deken.

„O dat is goed, dat is warm!” mompelde het kind.

Gavroche sloeg een tevreden blik op de deken.

„Die is ook uit den plantentuin,” zeide hij. „Ik heb ze den apen afgenomen.”

En den oudste de mat wijzende, waarop hij lag, en die zeer dik en fraai bewerkt was, voegde hij er bij:

„Dit behoorde aan de giraffe.”

Na een pauze hernam hij:

„De dieren hadden dit alles. Ik heb ’t hun ontnomen. Zij namen het mij niet kwalijk. Ik zeide hun, dat ’t voor den olifant was.”

Wederom zweeg hij een oogenblik en hernam toen:

„Men klimt over den muur en lacht om de regeering.”

De beide kinderen aanschouwden met een schuwen en verbaasden [151]eerbied dat onversaagd en vernuftig wezen, dat een zwerver, een verlatene, een zwakke was, evenals zij, maar dat iets bewonderenswaardigs en almachtigs had, ’t geen hun bovennatuurlijk scheen, en welks gezicht de trekken van een ouden paljas met den hartelijksten, bekoorlijksten glimlach in zich vereenigde.

„Mijnheer, gij zijt dus niet bang voor de stadssergeanten?” vroeg de oudste bedeesd.

Gavroche antwoordde slechts:

„Knaap, men zegt niet stadssergeanten, men zegt de politie.”

De kleinste zette wijde oogen op, maar zeide niets. Wijl hij op den kant der mat lag en de oudste in het midden, stak Gavroche den rand van de deken onder hem, zooals een moeder zou hebben gedaan, en legde vodden onder het hoofdeinde der mat om den kleine tot oorkussen te dienen. Toen wendde hij zich tot den oudste:

„Nu, is ’t hier niet goed?”

„O ja,” antwoordde de oudste, Gavroche met het gezicht van een geredden engel aanziende.

De beide arme kinderen, die doornat waren, begonnen weder warm te worden.

„Maar,” hernam Gavroche, „waarom weendet gij dan?”

En op den kleinste wijzende, voegde hij er bij:

„Een dreumes als hij, daar spreek ik niet van, maar dat een groote jongen als gij schreit, is dom; ’t is als een kalf.”

„Ja, maar wij hadden in ’t geheel geen woning meer, en wisten niet waarheen te gaan; en daarbij vreesden wij des nachts zoo geheel alleen te zijn.”

„Luister,” hernam Gavroche, „ge moet nooit over iets schreien. Ik zal voor u zorgen. Ge zult zien hoe wij ons zullen vermaken. Des zomers gaan wij met Navet, een mijner kameraads, naar la Glacière, daar baden wij ons en loopen geheel naakt langs de Austerlitzbrug; dat maakt de waschvrouwen woedend; zij razen en tieren; ’t is grappig om te zien. Dan gaan wij het levend geraamte zien. Hij leeft. In de Champs Elysées. Hij is mager als een hout, die snaak. Dan zal ik u ook naar den schouwburg brengen, en u Frederik Lemaitre laten zien. Ik heb kaartjes, ik ken de acteurs, ik heb zelf eens in een stuk meêgespeeld. Wij waren klein als gij en liepen onder een laken, dat moest de zee verbeelden. Ik zal u in mijn schouwburg doen aannemen. Wij zullen de wilden gaan zien. ’t Zijn geen wezenlijke wilden. Men kan de plooien van hun bruin tricot zien, dat aan de ellebogen met wit garen gestopt is. Daarna gaan wij naar de opera en treden er met de claqueurs binnen. De claqueurs in de opera zijn zeer goed ingericht. Met de claqueurs van de [152]kleine schouwburgen zou ik niet willen gaan. Verbeeld u, dat men in de opera voor het klappen twintig sous betaalt; maar dat is dom. Vervolgens gaan wij naar het guillotineeren kijken. Ik zal u den beul wijzen. Hij woont in de straat des Marais. Mijnheer Samson. Er is een brievenbus in de deur. O, men vermaakt zich zoo heerlijk!”

Op dit oogenblik viel een droppel teer op den vinger van Gavroche en herinnerde hem aan de werkelijkheid des levens.

„Drommels!” zeide hij; „de kaars brandt op. Wacht eens, meer dan een sou in de maand kan ik niet voor mijn verlichting uitgeven. Wanneer men te bed gaat, moet men slapen. Wij hebben geen tijd om romans van mijnheer Paul de Kock te lezen. Daarbij kan het licht door de reten onzer koetspoort dringen en zouden de dienders het kunnen zien.”

„En,” merkte de oudste der kleinen bedeesd op, die alleen tot Gavroche durfde spreken en hem antwoorden, „een vonk zou in het stroo kunnen vallen; wij moeten zorgen, dat we het huis niet in brand steken.”

Het onweder werd heviger. Men hoorde, tusschen het rollen des donders, den plasregen tegen den rug van den kolos kletteren.

„Heerlijk!” zei Gravroche, „zoo hoor ik gaarne het water langs het huis loopen. De winter is dom, hij verliest zijn waar, hij doet vergeefsche moeite, hij kan ons niet nat maken, en dat maakt hem, dien ouden waterman, boos.”

Deze toespeling op den donder, van welken Gavroche als philosoof der negentiende eeuw al de gevolgen op zich nam, werd door een geweldigen bliksemstraal gevolgd, die zoo schitterend was, dat ze den buik van den olifant verlichtte. Bijna tegelijkertijd ratelde de donder en wel op vreeselijke wijze. De twee kleinen slaakten een gil, en richtten zich zoo schielijk op, dat het traliewerk bijna verschoven werd; maar Gavroche zag hen onverschrokken aan, en maakte van den donderslag gebruik om in een schaterend gelach uit te barsten.

„Weest rustig, kinderen! Schudt het huis niet. ’t Was een heerlijke donderslag, zoo is ’t goed. Die bliksem was geen voetzoeker. Bravo, goede God! ’t was bijna even mooi als op het tooneel.”

Daarop bracht hij het traliewerk weder in orde, legde de kinderen zacht op de mat, drukte op hun knieën, om hen rechtuit te doen liggen, en riep:

„Nu de goede God zijn kaars ontsteekt, kan ik de mijne uitblazen. Nu moet ge slapen, kindertjes. ’t Is ongezond niet te slapen. Wikkelt u goed in de deken. Nu blaas ik ’t licht uit. Zijt ge klaar?”[153]

„Ja,” fluisterde de oudste, „ik lig goed. ’t Is mij of ik veêren onder mijn hoofd heb.”

De beide kinderen drukten zich tegen elkander. Gavroche legde hen verder op de mat terecht, trok de deken op tot hun ooren, en herhaalde:

„Nu slapen!”

Toen blies hij het eindje brandend touw uit.

Nauwelijks was het licht uit, toen een zonderlinge beving het traliewerk schudde, waaronder de drie knapen lagen. ’t Was een wrijving, welke een metaalklank veroorzaakte, alsof nagels en tanden tegen het koperdraad krasten. Dit ging gepaard met een scherp gepiep.

Het vijfjarig knaapje hoorde dat geraas boven zijn hoofd, en, van angst verstijfd, stiet hij zijn oudste broertje met den elleboog, maar deze sliep reeds, zooals Gavroche hem bevolen had. Toen waagde het de kleine, die het van angst niet langer kon uitstaan, Gavroche te roepen, maar zacht en met ingehouden adem:

„Mijnheer?”

„Nu?” vroeg Gavroche, die even de oogen gesloten had.

„Wat is dat toch?”

„’t Zijn ratten,” antwoordde Gavroche.

En hij legde zijn hoofd weder op de mat.

De ratten, die bij duizenden in den romp van den olifant krioelden en de levende zwarte vlekken waren, waarvan wij gesproken hebben, waren, zoolang het licht brandde, op een eerbiedigen afstand gebleven, maar zoodra het hol, ’t welk als ’t ware haar stad was, weder in duisternis was gehuld, roken zij, ’t geen in de sprookjes van Moeder de Gans „versch vleesch” wordt genoemd, kwamen in drommen tegen Gavroches tent stormen en knabbelden op het traliewerk, als wilden zij dit nieuwe soort van muskietennest doorboren.

De kleine kon ondertusschen niet slapen, en herhaalde:

„Mijnheer!”

„Nu?” zei Gavroche.

„Wat zijn toch ratten?”

„’t Zijn muizen.”

Deze verklaring stelde het kind een weinig gerust. Hij had wel eens witte muizen gezien en was er niet bang voor geweest. Evenwel verhief hij de stem weder en zeide:

„Mijnheer!”

„Nu?” hernam Gavroche.

„Waarom hebt ge geen kat?’’

„Ik heb er een gehad,” antwoordde Gavroche, „ik heb er een meêgebracht, maar zij hebben ze opgegeten.”[154]

Deze tweede verklaring vernietigde de geruststelling der eerste, en opnieuw begon de kleine te beven. De samenspraak tusschen hem en Gavroche werd ten vierden male hervat:

„Mijnheer!”

„Nu?”

„Wie is opgegeten?”

„De kat.”

„Wie heeft de kat opgegeten?”

„De ratten.”

„De muizen?”

„Ja, de ratten.”

De kleine, ontzet voor muizen die katten opeten, hernam: „Mijnheer, zouden deze muizen ons ook opeten?”

„Zeker!” riep Gavroche.

Nu was de angst van den kleine grenzenloos. Maar Gavroche voegde er bij:

„Wees niet bang! Zij kunnen niet bij ons komen. En daarbij ben ik er immers. Ziedaar, neem mijn hand. Zwijg en slaap.”

Gavroche nam tegelijkertijd de hand van den kleine over diens broertje heen. Het knaapje drukte die hand tegen zich en voelde zich gerust. Moed en kracht bezitten een geheimzinnig mededeelingsvermogen. Het was rondom hen weder stil geworden, het gerucht der stemmen had de ratten verschrikt en verwijderd; zij mochten na eenige minuten wederkomen en zich roeren, de drie knapen, die gerust sliepen, hoorden niets meer.

De uren van den nacht verstreken. Duisternis overdekte het groote Bastilleplein; een koude wind, die zich aan den regen paarde, woei met heftige vlagen; de patrouilles doorsnuffelden de deuren, de gangen, de schuttingen, de donkere hoeken, om nachtelijke zwervers te zoeken, maar gingen stil voorbij den olifant. Het monster stond bewegingloos, met open oogen in de duisternis, en scheen tevreden over zijn goede daad, die de drie arme slapende kinderen tegen het weer en de menschen beschermde.

Om te begrijpen wat volgt, herinnere men zich, dat in dien tijd het wachthuis der Bastille aan het andere einde van het plein gelegen was, en dat, hetgeen bij den olifant gebeurde, door de schildwacht noch gehoord noch gezien kon worden.

Een uur voor het aanbreken van den dag kwam een man uit de straat St. Antoine loopen: ging over het plein langs de schutting der Juli-kolom en kroop door het staketsel tot onder den buik van den olifant. Zoo eenig licht dien man beschenen had, zou men gezien hebben, dat hij den nacht in den regen had doorgebracht, dewijl hij door en door nat was.[155]

Onder den olifant gekomen liet hij een zonderlingen kreet hooren, die tot geen menschelijke taal behoort en die alleen een papegaai zou kunnen voortbrengen. Hij herhaalde tweemalen dezen kreet, waarvan de volgende spelling een flauw denkbeeld kan geven:

„Kirikikioe!”

Bij den tweeden kreet antwoordde, uit den buik van den olifant, een heldere, vroolijke en jeugdige stem:

„Ja!”

Schier onmiddellijk verschoof de plank, welke de opening sloot en liet een knaap door, die zich langs den poot van den olifant naar beneden liet glijden en behendig naast den man terecht kwam. ’t Was Gavroche. De man was Montparnasse.

De kreet Kirikikioe was zekerlijk, wat de knaap had bedoeld, toen hij zei: „Vraag naar mijnheer Gavroche.”

Op ’t hooren van dien kreet, was hij plotseling ontwaakt, uit zijn „bedstede” gekropen, door het traliewerk een weinig weg te schuiven, dat hij daarna weder zorgvuldig gesloten had; vervolgens had hij het luik geopend en was naar beneden gegleden.

De man en de knaap herkenden elkander zwijgend in den nacht; Montparnasse zeide niets anders dan:

„Wij hebben u noodig. Kom ons een handje helpen.”

De straatjongen vroeg geen nadere verklaring en zeide:

„Hier ben ik!”

Beiden begaven zich toen naar de straat St. Antoine, waaruit Montparnasse was gekomen, zich haastig door de lange rij groentewagens slingerende, die op dat uur naar de markt reden.

De warmoeziers, die uithoofde van den plasregen tusschen salade en groenten gehurkt, en half slapend tot aan de oogen in hun voermansmantels gewikkeld waren, sloegen zelfs geen oog op deze zonderlinge voorbijgangers.


1Monte à Regret (met tegenzin beklommen) het schavot.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *