Terwijl sedert 1823, de kroeg te Montfermeil allengs verzonk, niet in den afgrond van een bankroet, maar in het moeras van kleine schulden, hadden de echtelieden Thénardier nog twee kinderen, beiden knaapjes, gekregen; zoodat zij nu twee dochters en drie jongens hadden. Dit was veel.
Vrouw Thénardier had zich van de twee laatsten, toen zij nog zeer jong en klein waren, op gelukkige wijze ontslagen.
Ontslagen is het eigenlijke woord. Deze vrouw had nog slechts een klein overblijfsel van natuur – een verschijnsel, waarvan trouwens meer voorbeelden zijn. Evenals de maarschalksvrouw de Lamothe-Houdancourt, was vrouw Thénardier slechts moeder voor haar dochters. Daar eindigde haar moederschap. Haar haat tegen het menschelijk geslacht begon bij haar zoons. Haar boosaardigheid tegen haar zoons had den hoogsten top bereikt en voor hen had haar hart een ongenaakbare steilte. Men heeft gezien, dat zij den oudsten haatte; zij verfoeide de beide anderen. Waarom? Daarom. Het vreeselijkste aller motieven, en het onwederlegbaarste aller antwoorden is: dáárom. – Ik heb geen troep kinderen noodig, zei de moeder.
Verklaren wij, hoe het den Thénardiers gelukt was, zich van hun twee laatste kinderen te ontlasten en er zelfs voordeel van te trekken.
De ongetrouwde Magnon, van wie reeds vroeger gesproken is, was dezelfde, die van den ouden heer Gillenormand een geldelijke toelage voor haar twee kinderen had weten te verkrijgen. Zij woonde op de kade des Célestins, op den hoek der oude straat du Petit-Musc (Kleine Muskusstraat), welke deed wat zij kon om aan haar slechten naam een goeden reuk te geven. Men herinnere zich de groote kroep-epidemie, welke vijf-en-dertig jaren geleden de wijken aan den oever der Seine te Parijs teisterde, en waarvan de wetenschap gebruik maakte om op groote schaal de inblazingen met aluin te beproeven, welke thans zoo doelmatig door uitwendige inwrijving van jodium vervangen worden. In deze epidemie verloor Magnon haar beide nog zeer jonge knaapjes, het eene des morgens, het andere des avonds. ’t Was een harde slag. Deze kinderen waren voor hun moeder kostbaar, zij vertegenwoordigden tachtig francs ’s maands. Deze tachtig francs werden prompt uitbetaald namens den heer Gillenormand, door zijn rentmeester, den heer Barge, oud-deurwaarder in de straat du Roi de Sicile.
Met de kinderen zou ook de rente begraven zijn. Maar Magnon zocht een redmiddel. In deze geheimzinnige vrijmetselarij van het kwaad, waartoe zij behoorde, weet men alles, bewaart men elkanders geheimen, en helpt elkander. Magnon had twee kinderen noodig, vrouw Thénardier had er twee, van hetzelfde geslacht, van denzelfden leeftijd. Voor de eene was ’t een goed redmiddel, voor de andere een goede plaatsing. De kleine Thénardiers werden kleine Magnons. Vrouw Magnon verhuisde van de kade des Celestins naar de straat Cloche Perce. Te Parijs wordt men, door de verhuizing van de eene straat naar de andere, een geheel ander mensch.
Aan den burgerlijken stand werd van niets bericht, hij vroeg dus niets en de vervanging der kinderen ging op de eenvoudigste wijze in haar werk.
Maar Thénardier eischte voor deze kinderleening tien francs ’s maands, welke Magnon beloofde en ook betaalde. Het spreekt vanzelf, dat de heer Gillenormand voortging met betalen. Iedere zes maanden ging hij de kinderen eens zien. Hij merkte de verwisseling niet op, en Magnon zeide: „Wat gelijken ze sprekend op u, mijnheer!”
Thénardier, voor wien veranderingen gemakkelijk waren, maakte van deze gelegenheid gebruik om Jondrette te worden. Zijn twee dochters en Gavroche hadden nauwelijks den tijd gehad op te merken, dat zij twee broertjes hadden. In een zekeren graad van armoede wordt men voor alles onverschillig en men ziet wezens voor larven aan. De naaste verwanten zijn als onduidelijke schaduwgestalten, die nauwelijks in de nevelen des levens te onderscheiden zijn en zich gereedelijk met het onzichtbare vermengen.
Den avond van den dag, toen zij aan Magnon de twee kinderen had afgeleverd, met den bepaalden wil er voor altijd van af te zien, had vrouw Thénardier gewetensbezwaar gevoeld, of geveinsd te gevoelen. Zij had tot haar man gezegd: „Maar ’t is zijn kinderen te verlaten!” Op een meesterachtigen en koelen toon brandde Thénardier dit bezwaar uit, door te zeggen:„Jean Jacques Rousseau heeft niet minder gedaan!” Van het gewetensbezwaar was de moeder nu tot ongerustheid overgegaan. „Maar zoo de politie ons kwam lastig vallen? Spreek, Thénardier, is ’t geen wij gedaan hebben geoorloofd?” – Thénardier antwoordde: „Alles is geoorloofd. Niemand zal er iets van vernemen. Bovendien heeft er niemand eenig belang bij, nauwkeurig toe te zien bij kinderen, die niets in de wereld bezitten.”
Magnon was eenigerwijs een elegante misdadigster. Zij kleedde zich naar de mode, en deelde haar woning, die met een kale bluf gemeubeld was, met een sluwe Engelsche dievegge, die française was geworden. Deze Engelsche genaturaliseerde Parijsche vrouw, aanbevelenswaard wegens zeer rijke betrekkingen, innig verbonden met de medailles der bibliotheek en de diamanten van Mlle Mars, werd later berucht in verscheidene processen. Men noemde haar mamselle Miss.
De twee aan Magnon toegevallen kinderen hadden zich niet te beklagen. Uit hoofde der tachtig francs werden zij ontzien, zooals alles waarvan men voordeel heeft, niet slecht gekleed, niet slecht gevoed, schier als jongeheeren, en beter door de valsche dan door de ware moeder behandeld. Magnon speelde de dame en sprak de dieventaal niet in hunne tegenwoordigheid.
Zoo verstreken eenige jaren. Thénardier verwachtte er alles goeds van. Op zekeren dag zeide hij tot Magnon, die hem de zesmaandelijksche tien francs ter hand stelde: „De „vader” zal hun toch een opvoeding moeten geven.”
Maar deze twee arme kinderen, tot hiertoe, zelfs door hun slecht lot, vrij goed beschermd, werden plotseling in het leven geworpen en gedwongen het te beginnen.
Eene inhechtenisneming op groote schaal van booswichten als die in Jondrettes verblijf, welke noodwendig navorschingen en verdere gevangennemingen ten gevolge moest hebben, is een wezenlijke ramp voor deze afschuwelijke geheime maatschappij die onder de openbare maatschappij woont; zulk een avontuur sleept allerlei instortingen in die donkere wereld mede. Het ongeluk van Thénardier veroorzaakte Magnons ongeluk.
Op zekeren dag, korten tijd nadat Magnon aan Eponine het briefje betreffende de straat Plumet had overhandigd, werd onverhoeds door de politie in de straat Cloche Perce huiszoeking gedaan; Magnon werd gevat, insgelijks mamselle Miss, en al de bewoners van het huis, die verdacht waren, vielen in het net. De twee knaapjes speelden ondertusschen op een achterplaats en zagen niets van de overrompeling. Toen zij weder naar binnen wilden gaan, vonden zij de deur gesloten en het huis ledig. De schoenlapper uit een pothuis aan de overzijde riep hen en gaf hun een papier dat „hun moeder” voor hen had achtergelaten. Op dat papier stond het adres: Mijnheer Barge, rentmeester in de straat du Roi de Sicile, No. 8. De schoenlapper zeide tot hen: „Ge woont hier niet meer. Gaat daarheen. ’t Is dichtbij. De eerste straat links. Vraag met dit papier naar den weg.”
De kinderen gingen, terwijl het oudste het jongste leidde, met het papier in de hand, dat hun gids moest zijn. ’t Was koud, en zijn verdoofde vingers konden het papier nauwelijks houden. Aan den hoek der steeg Cloche Perce, ontrukte een windvlaag het hem, en wijl ’t donker werd, kon het knaapje het papier niet wedervinden.
Op goed geluk af doolden zij nu door de straten.a
















