Zondag, 19/04/2026 - 16:03

Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van ’t overschot der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, de meesten in ’t gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. ’t Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te maken. Een kreet ging op:

„Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten wij hem hier dood.”

„Ja, schiet mij dood,” zei Enjolras.

Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander geslagen, bood hij zijn borst aan.

De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd, schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was hij, na de vreeselijke vier-en-twintig uren, die verstreken waren, blozend en frisch. ’t Was misschien van hem, dat later een getuige voor den krijgsraad zeide: „Er was een opstandeling, dien ik Apollo hoorde noemen.”

Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer latende zinken: „’t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten.”

Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en maakten zwijgend hun geweren gereed.

Toen riep een sergeant: „Legt aan!”

Een officier trad tusschenbeiden.

„Wacht!”

En zich tot Enjolras wendende:

„Wilt ge, dat men u blinddoeke?”

„Neen.”

„Is ’t waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?”

„Ja.”

Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.

Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel geleund.

Hij was in de volle beteekenis, wat men „smoordronken” noemt. Het afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels, noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen rondom hem; en op ’t eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet; de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het gewoel wiegde hem. – De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. ’t Was de uitwerking van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de armen uit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.

De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.

In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter ’t biljart, hadden de soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt, en de sergeant was gereed om zijn commando „legt aan” te herhalen, toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:

„Leve de republiek! Ik behoor er toe.”

Grantaire was opgestaan.

De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den herstelden dronkaard.

Hij herhaalde: „Leve de republiek!” ging met vasten tred door de zaal en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.

„Doodt er twee met één schot!” zeide hij.

Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:

„Veroorlooft gij ’t mij?”

Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.

De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.

Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij het hoofd zinken.

Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.

Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.

Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van het dak, en elkander niet willende loslaten, vielen zij te zamen in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten, geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.

De barricade was ingenomen.

De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de vluchtelingen te vervolgen.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *