Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de weinigen die op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In deze lijkkoets was een doodkist met een wit lijkkleed overdekt, waarop een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard.
Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer, een beitel en een nijptang steken.
Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten, zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart, de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op, ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.
Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde herberg bij het kerkhof Vaugirard erfde, welke een hoekhuis was en ’t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer was geschilderd met het onderschrift: „In de goede kweepeer.”
Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne begraven worden, wijl ’t als van den arme geleek, maar liever op Père Lachaise. Hier te worden begraven is ’t zelfde als mahoniehouten meubelen te hebben, ’t is elegant.
Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormalige Fransche tuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen, steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des avonds was ’t er treurig en doodsch.
De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.
De bijzetting van moeder Crucifixion in ’t gewelf onder het altaar, het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige hindernis afgeloopen.
In ’t voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is, een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening van het geweten. Wat men in het klooster „gouvernement” noemt, is slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel.
Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór- het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest worden, was ]van geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim, en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de grove handen en zeide halfluid:
„’t Is waarachtig grappig.”
Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, ’t welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende, achter de lijkkoets naast Fauchelevent. ’t Was een arbeider, die een buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.
Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:
„Wie zijt ge?”
De man antwoordde:
„De doodgraver.”
Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op dit oogenblik.
„De doodgraver?”
„Ja.”
„Gij!”
„Ik.”
„De oude Mestienne is doodgraver.”
„Hij was ’t.”
„Hoe! was?”
„Hij is dood.”
Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven kon. ’t Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.
Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:
„’t Is niet mogelijk!”
„’t Is zóó.”
„Maar de oude Mestienne is doodgraver,” herhaalde hij flauw.
„Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier, vriend.”
Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.
Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.
Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was geworden.
Fauchelevent begon luide te lachen.
„Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? ’t Spijt mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch gaan drinken.”
De man antwoordde: „Ik heb gestudeerd; ik drink niet.”
De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de breede laan van het kerkhof.
Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van kreupelheid.
De doodgraver ging voor hem.
Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw.
’t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager, zeer sterk zijn.
„Kameraad!” riep Fauchelevent.
De man keerde het hoofd om.
„Ik ben de doodgraver van het klooster.”
„Mijn collega alzoo,” zei de man.
Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij mompelde:
„Welzoo! is de oude Mestienne dood?”
De man antwoordde:
„Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. ’t Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden.”
Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:
„De goede God…”
„De goede God,” hernam de man hoogdravend: „Voor de filosofen de eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen.”
„Willen wij geen kennis maken?” stamelde Fauchelevent.
„Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar.”
„Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die zijn glas ledigt stort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert men niet.”
„Eerst het werk.”
Fauchelevent dacht: „ik ben verloren.”
Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen voerde.
De doodgraver hernam:
„Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten, mag ik niet drinken.”
En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij er bij:
„Hun honger is de vijand van mijn dorst.”
De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer, maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en ’t ging met moeite verder.
Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.
„Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;” fluisterde hij.
„Man,” antwoordde de andere, „ik moest eigenlijk geen doodgraver zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs, en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog openbaar schrijver.”
„Ge zijt dus geen doodgraver?” hernam Fauchelevent, zich als een drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.
„Het een belet het andere niet. Ik cumuleer.”
Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: „Laat ons gaan drinken.”
Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt niet aan om het te betalen.
De doodgraver hernam glimlachend:
„Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik, vriend.”
De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd.
„Men kan echter geen twee heeren dienen,” vervolgde de doodgraver. „Ik moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand.”
De lijkkoets hield stil.
De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de priester.
Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde, waarachter men een open kuil zag.
„Wel! dat is een grap!” herhaalde Fauchelevent ontsteld.
1Au bon coing, (kweepeer) dat als coin (hoek) wordt uitgesproken beteekent hier „in den goeden hoek.”
















