De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen; zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende:
„Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man, die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar, zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge gehoorzamen en niet spreken!”
Cosette knikte ernstig met het hoofd.
Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem en vroeg:
„Welnu?”
„Alles en niets is in orde,” zei Fauchelevent. „Ik heb het verlof u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlaten moet ik er u uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk.”
„Ge draagt haar weg?”
„Zal zij stil zijn?”
„Daarvoor sta ik in.”
„Maar gij, vader Madeleine?”
Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:
„Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!”
Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: „Onmogelijk!”
Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende, mompelde:
„Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in ’t geheel niet naar een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers zullen ’t voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er achter komen.”
Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde.
Fauchelevent hernam:
„Voor den dui… vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin wacht u.”
Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die ’s morgens gestorven was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar dat men aan deze doode in ’t bijzonder niets kon weigeren. Dat de priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen, en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin, om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis, tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen, zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist.
Welke ledige doodkist?” vroeg Valjean.
„De doodkist, welke het bestuur zendt,” antwoordde Fauchelevent.
„Welke doodkist en welk bestuur?”
„Zoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat er niets in de doodkist is.”
„Leg er iets in.”
„Eene doode? ik heb geen doode.”
„Neen.”
„Wat dan?”
„Een levende.”
„Welken levende?”
„Mij,” zei Jean Valjean.
Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder zijn stoel gesprongen.
„Gij?”
„Waarom niet?”
Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.
„Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal ’t geschieden.”
„Och, ge schertst, ge spreekt niet in ernst.”
„In vollen ernst. Moet ik niet van hier?”
„Zekerlijk.”
„Ik heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel moest vinden.”
„Nu?”
„De draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn.”
„Een wit laken. De nonnen worden in ’t wit begraven.”
„Goed. Een wit laken.”
„Ge zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine.”
Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven, brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.
Jean Valjean hernam:
„’t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in zijn werk? Waar is de doodkist?”[256]
„De ledige?”
„Ja.”
„Beneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op twee schragen, en is door ’t lijkkleed bedekt.”
„Hoe lang is de doodkist?”
„Zes voet.”
„Hoedanig is de lijkkamer?”
„’t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert.”
„Welke kerk?”
„De kerk aan de straat; de kerk voor iedereen.”
„Hebt ge de sleutels van deze twee deuren?”
„Neen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert; de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk.”
„Wanneer opent de portier deze deur?”
„Alleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten.”
„Wie spijkert de kist dicht?”
„Ik.”
„Wie legt er het lijkkleed op?”
„Ik.”
„Zijt gij alleen?”
„Geen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. ’t Staat zelfs op den muur geschreven.”
„Zoudt ge mij van nacht, als alles in ’t klooster slaapt, niet in die kamer kunnen verbergen?”
„Neen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg en waarvan ik den sleutel heb.”
„Hoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?”
„Tegen drie uren ’s namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. ’t Is tamelijk ver van hier.”
„Ik zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger krijgen.”
„Ik zal u eten brengen.”
„Zoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren.”
Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken.
„Onmogelijk!”
„Hoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?”
Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het, zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean.
Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt, het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien, daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste te brengen en het haar te doen verlaten.
Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij:
„Maar hoe zult ge lucht krijgen?”
„Ik zal ademen.”
„In deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk.”
„Ge hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist.”
„Goed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?”
„Hij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent,” voegde Jean Valjean er bij, „er moet een besluit worden genomen: hier gevangen genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden.”
Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen, die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten zijn. Fauchelevent behoorde tot die weifelaars. De koelbloedigheid van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:
„’t Is waar, ik zie geen ander middel.”
Jean Valjean hernam:
„Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren.”
„Dat bekommert mij juist volstrekt niet,” riep Fauchelevent. „Zoo gij zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. ’t Is de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten van het hek van ’t kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer, een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; ’t is niet moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is ’t altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar, ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil.”
Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid drukte.
„’t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan.”
„Zoo er niets tusschenbeide komt,” dacht Fauchelevent. „Het zou anders vreeselijk kunnen worden.”
















