Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen, bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad, vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin, de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur, moeder Innocentia.
De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers liet glijden, hief de oogen op en zeide:
„Ha, zijt gij ’t, vader Fauvent?”
Men had zijn naam in ’t klooster zoo verkort.
Fauchelevent boog nogmaals.
„Ik heb u doen roepen, vader Fauvent.”
„Ik ben hier, eerwaardige moeder.”
„Ik heb u iets te zeggen.”
„Ook ik,” zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig deed beven, „heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen.”
De priorin staarde hem aan.
„Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?”
„Een verzoek.”
„Nu, spreek.”
De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig, zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven, de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel, tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk te vervangen geweest.
Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken, over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had—(de priorin maakte een beweging)—een bejaarde broeder,—(tweede beweging der priorin, maar weer gerustgesteld)—dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was, dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van hem, spreker, zelf;—dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen zijn ontslag te verzoeken;—dat zijn broeder een dochtertje had, ’t welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden.
Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide:
„Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?”
„Waartoe?”[Om tot hefboom te dienen.”
„Ja, eerwaardige moeder,” antwoordde Fauchelevent.
Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent bleef alleen.
















