Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu besloot zij Theodule in Marius’ plaats te stellen.
’t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte had een jeugdig gezicht in huis te hebben – het ochtendrood doet de bouwvallen soms genoegelijk aan – ’t was noodig, een anderen Marius te vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen ’t als een drukfout beschouwen en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.
Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat neemt men een lansier.
Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen van een blad, de Quotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den vleiendsten toon – want het gold haar gunsteling – zeide:
„Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen.”
„Welke Theodule?”
„Uw achterneef.”
„Zoo,” zei de grootvader.
Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las – natuurlijk koningsgezind – kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de orde van den dag waren: dat de studenten in de medicijnen en de rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten bijeenkomen om te delibereeren. Het gold een kwestie van den dag: de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen den minister van oorlog en de „burgerwacht,” ter zake van de op de binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten de studenten „raadplegen.” Er was niet veel meer noodig om den heer Gillenormand op te winden.
Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan „delibereeren.”
Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd luitenant Theodule, in burgerkleeding, ’t geen zeer slim overlegd was, door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd als volgt: „De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden.”
Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: „Theodule, uw neef.”
En zacht tot den luitenant:
„Geef hem maar altijd gelijk.”
Toen verwijderde zij zich.
De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde eenigszins verlegen: „Goeden morgen, oom,” en groette werktuiglijk half als militair, half als burger.
„Ha, zijt gij ’t, goed; ga zitten,” sprak grootvader. En tegelijk vergat hij den officier weder geheel en al.
Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in zijn oude vingers.
„Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het Pantheon! knapen, die nauwelijks de min ontloopen zijn! Zoo men hun in den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? ’t Is duidelijk, dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: „Waar zal ik heen gaan, verrader?” En Fouché antwoordde: „Waarheen ge wilt, dwaas!” Dat zijn nu republikeinen!”
„’t Is waar,” zei Theodule.
De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en ging voort:
„Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, hoort ge. ’t Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van de guitar, onder het balkon van 93! ’t Is om te spuwen, zoo dom zijn die jongelieden! Zij zijn ’t allen: geen uitgezonderd. Men behoeft de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar ’t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en loopt van zijn oude lui weg. ’t Is republikeinsch, romantisch. Wat is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, die zelfs niet in goed Fransch zijn geschreven! En dan zet men nog kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in dezen tijd!”
„Ge hebt gelijk, oom,” zei Theodule.
De heer Gillenormand hernam:
„Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van dezen tijd, ’t zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al ’t mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; op mijn woord van eer, ’t is alsof zij, als ’t op liefde aankomt, bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje wil politieke meeningen hebben! ’t moest streng verboden worden, politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr, gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in ’t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde delibereeren, men zou ’t niet eens bij de Ogibberra’s en de Cadodachen zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op ’t hoofd hebben als de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! ’t Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert maar, guiten! ’t Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen van ’t Odéon zullen gaan lezen. ’t Kost hun alles maar een stuiver, maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; alle, zelfs de Drapeau blanc! Martainville was in den grond ook maar een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot wanhoop te hebben gebracht!”
„Dat is duidelijk,” zei Theodule.
En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, voegde de lansier er op hoogen toon bij:
„Er moest geen ander blad dan de Moniteur, en geen ander boek dan de militaire almanak zijn.”
De heer Gillenormand voer voort:
„Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekend dan met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!”
„Parbleu!” riep de luitenant, „dat is meesterlijk en waar!”
De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:
„Gij zijt een ezel!”
















