Maandag, 20/04/2026 - 09:06

De treurige schildering, welke wij ondernomen hebben, zou niet volledig zijn en den lezer niet in de juiste en ware omtrekken deze grootsche oogenblikken van maatschappelijk zieltogen en revolutionnaire worsteling vertoonen, waar stuiptrekking aan kracht is gepaard, zoo wij in deze schets een voorval oversloegen, vol epische afgrijselijkheid en woestheid, dat schier onmiddellijk na Gavroches vertrek plaats had.

Zooals men weet vormen de samenscholingen een soort van sneeuwbal, die in haar voortrollen hoopen onrustige mannen medesleept. Deze vragen elkander niet van waar zij komen. Onder de voorbijgangers, die zich gevoegd hadden bij den troep welken Enjolras, Combeferre en Courfeyrac aanvoerden, was iemand in ’t buis van een sjouwer, dat aan de ellebogen versleten was, die allerlei gebaren maakte, vloekte en het voorkomen van een woesten dronkaard had. Deze man, Le Cabuc genoemd, of bijgenaamd, overigens geheel onbekend aan hen die beweerden hem te kennen, zeer dronken of veinzende het te zijn, had zich met anderen aan een tafel geplaatst, welke zij buiten de herberg hadden gehaald. Terwijl deze Cabuc de bij hem zittenden tot drinken aanspoorde, scheen hij nauwkeurig het groote huis achter de barricade te beschouwen, welks vijf verdiepingen de geheele straat tegenover de straat Saint Denis bestreken. Eensklaps riep hij:

„Luistert, kameraads, uit dat huis moeten wij schieten! Zoo wij aan deze vensters zijn, zal geen duivel zich in de straat wagen!”

„Ja, maar het huis is gesloten,” zei een der drinkers.

„Laat ons aankloppen.”

„Men zal niet openen.”

„Breken wij de deur open.”

Le Cabuc liep naar de deur, die van een zwaren klopper was voorzien en klopte. De deur ging niet open. Hij klopt nogmaals. Niemand antwoordt. Een derde klop. Dezelfde stilte.

„Is hier iemand?” roept Le Cabuc.

Niets verroerde zich.

Toen greep hij een geweer en begon met den kolf tegen de deur te stooten. ’t Was een oude, lage, nauwe, sterke, eikenhouten gangdeur, die van binnen met ijzer was beslagen, een ware vestingpoort. De kolfslagen deden het huis dreunen, maar schokten de deur niet.

’t Scheen echter dat de bewoners ongerust werden, want eindelijk zag men een klein vierkant venster op de derde verdieping verlicht en opengaan, en aan dat venster een brandende kaars en het ontsteld gezicht van een man met grijs haar verschijnen, zijnde de portier.

De man, die tegen de deur klopte, hield op.

„Mijnheeren,” vroeg de portier, „wat begeert gij?”

„Open,” zei Le Cabuc.

„Dat kan niet, mijnheeren.”

„Open, open!”

„Onmogelijk, mijnheeren!”

Le Cabuc nam zijn geweer en legde op den portier aan, maar wijl hij beneden en ’t zeer donker was, zag de portier hem niet.

„Wilt ge openen, ja of neen?”

„Neen, mijnheeren!”

„Ge zegt neen?”

„Ik zeg neen, goede….”

De portier kon niets meer zeggen. Het geweer was afgeschoten; de kogel was onder de kin ingegaan en in den nek uitgekomen, na den halsader doorsneden te hebben. Zonder een kreet te slaken zonk de grijsaard ineen. De kaars viel en ging uit, en toen zag men niets meer dan een bewegingloos hoofd op den rand van het venster en een weinig lichten rook, die naar het dak opsteeg.

„Zoo!” zei Le Cabuc, den kolf van zijn geweer weder op de straatsteenen latende vallen.

Hij had dit nauwelijks gezegd, toen hij een hand voelde, die zwaar als de klauw eens arends op zijn schouder viel, en een stem hoorde, die zeide:

„Kniel.”

De moordenaar wendde zich om en zag het bleeke, koele gelaat van Enjolras. Deze hield een pistool in de hand.

Op het geweerschot was hij toegeschoten.

Hij had met de linkerhand den kraag, den kiel, het hemd en den draagband van Le Cabuc gegrepen.

„Kniel!” herhaalde hij.

En met een onweerstaanbare beweging boog de zwakke twintigjarige jongeling als een riet den forschen vierkanten werkman, en deed hem in het slijk knielen. Le Cabuc poogde zich te verzetten, maar ’t was, als ware hij door een bovenmenschelijke hand aangegrepen.

Bleek, met blooten hals, verward haar, had Enjolras op dit oogenblik, met zijn vrouwelijk gelaat, iets van de Themis der Ouden. Zijn opgezette neusvleugels, zijn nedergeslagen oogen gaven aan zijn streng grieksch gelaat die vertoornde en verheven uitdrukking, welke, volgens de zienswijze der oude wereld, aan de gerechtigheid betaamt.

De geheele barricade was toegesneld, en allen hadden zich op een afstand in een kring geschaard, beseffende dat ’t onmogelijk was, een woord te zeggen bij ’t geen zij zien zouden.

Le Cabuc, verwonnen en geen poging tot verzet meer beproevende, beefde over al zijn leden. Enjolras liet hem los en zag op zijn horloge.

„Keer in tot u zelven,” zeide hij. „Bid of denk. Gij hebt nog een minuut.”

„Genade!” stamelde de moordenaar, toen boog hij het hoofd en mompelde eenige onverstaanbare vloeken.

Enjolras wendde den blik niet van zijn horloge; hij liet de minuut voorbijgaan, en stak toen het horloge weder in zijn zak. Daarop nam hij Le Cabuc, die jammerend op de knieën gezonken was, bij de haren en drukte hem den loop van zijn pistool tegen het oor. Velen dezer onverschrokken mannen, die zoo gerust tot de vreeselijkste onderneming waren toegetreden, wendden het hoofd om.

Men hoorde het schot; de moordenaar viel met het hoofd voorover op de straat. Enjolras richtte het hoofd op, en van de gerechtigheid zijner daad overtuigd, sloeg hij een strengen blik om zich.

Toen stiet hij het lijk met den voet en zeide:

„Werpt dat buiten.”

Drie mannen hieven het lichaam van den ellendeling op, dat nog de laatste stuiptrekkingen van het scheidend leven vertoonde, en wierpen het over de kleine barricade in de straat Mondétour.

Enjolras stond in gedachten verdiept. Wie weet welk een grootsche duisternis zich langzaam over zijn vreeselijke rust spreidde. Eensklaps verhief hij de stem. Allen zwegen.

„Burgers,” zei Enjolras, „wat die man heeft gedaan, is vreeselijk; en wat ik heb gedaan, is afschuwelijk. Hij heeft gemoord, en daarom heb ik hem gedood. Ik moest het doen, want de opstand moet zijn krijgstucht hebben. Hier is moord een nog grooter misdaad dan elders; de revolutie richt haar blik op ons, wij zijn de priesters der republiek, wij zijn de offers van den plicht en onze strijd mag door geen misdaad bezoedeld worden. Ik heb dus dezen man gevonnist en ter dood veroordeeld. Wat mij aangaat, ik was genoodzaakt te doen wat ik gedaan heb, hoezeer ik het verafschuwde; ik heb mijzelven dus ook gericht en gij zult aanstonds zien waartoe ik mij heb veroordeeld.” Allen, die hem hoorden, beefden.

„Wij zullen uw lot deelen,” riep Combeferre.

„Goed,” hernam Enjolras. „Nog één woord. Door dezen man te dooden, gehoorzaamde ik aan de noodzakelijkheid; maar de noodzakelijkheid is een monster der oude wereld; de noodzakelijkheid heet Noodlot. De wet van den vooruitgang nu, is dat de monsters voor de Engelen verdwijnen, en het Noodlot voor de Broederschap wijke. ’t Is een slecht oogenblik om het woord liefde uit te spreken. Om ’t even, ik noem en verheerlijk het. Liefde, ge zijt de toekomst. Dood, ik bedien mij van u, maar haat u. Burgers, in de toekomst zullen noch donderslagen, noch wreede onwetendheid, noch bloedige wedervergelding zijn. Wanneer er geen Satan meer is, zal er geen Michaël meer zijn. In de toekomst zal niemand een ander meer dooden, de aarde zal gelukkig zijn, het menschelijk geslacht zal beminnen. De dag zal komen, burgers, dat alles eensgezindheid, harmonie, vreugd en leven zal zijn, hij zal komen, en om hem te doen komen, willen wij sterven.”

Enjolras zweeg, zijn teedere lippen sloten zich; eenigen tijd bleef hij bewegingloos als marmer op de plek staan, waar hij bloed had vergoten. Zijn strak oog maakte, dat men slechts fluisterend om hem sprak.

Zwijgend drukten Jean Prouvaire en Combeferre elkander de hand en dicht bij elkander in den hoek der barricade staande, aanschouwden zij met bewondering, waaraan zich medelijden paarde, den ernstigen jongeling, die beul en priester, en even als het kristal, licht maar tevens rots was.

Laat ons hier terstond zeggen, dat later, na het gevecht, toen de lijken naar de Morgue gebracht en onderzocht werden, bij Le Cabuc een kaart van politieagent werd gevonden. De schrijver van dit boek heeft in 1848 het bijzonder rapport te dezer zake aan den prefect van politie van 1832 in handen gehad.

Laat er ons bijvoegen, dat, zoo men de vreemde, maar waarschijnlijk gegronde geruchten gelooven mag, Le Cabuc Claquesous was. Zeker is het, dat na den dood van Le Cabuc nimmer meer van Claquesous gehoord werd. Claquesous heeft geen spoor van zijn verdwijning achtergelaten; het schijnt, dat hij tot het onzichtbare is teruggekeerd. Zijn leven was duisternis, zijn einde nacht.

Geheel de troep opstandelingen was nog onder den indruk van dit zoo spoedig gevoerd en zoo haastig geëindigd proces, toen Courfeyrac in de barricade den kleinen jongen wederzag, die hem dien morgen naar Marius had gevraagd.

Deze jongen, met dit stoutmoedig, onbezorgd voorkomen, had zich bij het vallen van den avond weder bij de opstandelingen gevoegd.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *