De plaats was inderdaad uitmuntend voor een barricade geschikt, aangezien de straat aan den ingang wijd, aan ’t einde nauw was, en als een blinde steeg op Corinthe toeliep. De straat Mondétour was rechts en links gemakkelijk te versperren, en geen aanval was mogelijk dan van de straat Saint-Denis; namelijk in het front en ongedekt.
De dronken Bossuet had waarlijk den veldheersblik van den nuchteren Hannibal gehad.
Toen de troep aanstormde, kwam de geheele straat in verschrikking. Geen voorbijganger, die zich niet uit de voeten had gemaakt. In een oogwenk waren links en rechts winkels, uitstallingen, deuren, vensters, zonneschermen, blinden en vensterluiken van allen aard, van beneden tot aan de daken gesloten. Een bevreesde oude vrouw had voor haar venster aan twee droogstokken een matras gebonden, om de geweerkogels af te weren. Alleen de herberg was open gebleven, en wel om de goede reden, dat de troep er was binnengedrongen.
„Ach, mijn God, mijn God!” zuchtte madame Hucheloup.
Bossuet was naar beneden Courfeyrac tegemoet gegaan.
Joly, die zich aan het venster had geplaatst, riep:
„Courfeyrac, gij hadt een parapluie moeten nemen. Ge zult verkouden worden.”
Middelerwijl waren in weinige minuten twintig ijzeren spijlen van de tralievensters der herberg gerukt, en tien ellen der straat opgebroken. Gavroche en Bahorel hadden in ’t voorbijgaan de kar van een kalkbrander, Anceau geheeten, omvergeworpen. Op deze kar lagen drie tonnen met kalk, welke zij onder hoopen straatkeien hadden begraven; Enjolras had het kelderluik opgelicht, en al de ledige fusten van madame Hucheloup waren naast de tonnen met kalk gelegd; Feuilly had met zijn vingers, gewoon de fijne waaiers te schilderen, de tonnen en de kar met zware brokken steen vastgezet, die eensklaps, men weet niet van waar, te voorschijn waren gekomen. Schoorbalken waren van den gevel van een naburig huis genomen en op de fusten gelegd. Toen Bossuet en Courfeyrac zich omkeerden, was de helft der straat reeds versperd, met een wal van meer dan manshoogte. Niets kan beter door de hand des volks gebouwd worden dan ’t geen door afbreken wordt vervaardigd.
Matelotte en Gibelotte hadden zich bij de werklieden gevoegd. Gibelotte ging beladen met puin en gruis heen en weer. In haar vermoeidheid hielp zij aan de barricade. Zij bediende de barricade van steen, zooals zij de drinkers van wijn zou hebben bediend, steeds met slaperig gezicht.
Een omnibus met twee witte paarden reed aan ’t einde der straat voorbij.
Bossuet sprong over de steenen, liep, hield den koetsier staande, deed de personen uit het rijtuig gaan, gaf de hand aan de „dames,” zond den koetsier weg, en keerde met het rijtuig terug, de paarden bij den toom leidende.
„Omnibussen mogen niet voorbij Corinthe,” zeide hij. „Non licet omnibus adire Corynthum.”
Een oogenblik later gingen de ontspannen paarden op het toeval af door de straat Mondétour, en de op zijde liggende omnibus voltooide de versperring der straat.
Madame Hucheloup was in de grootste ontsteltenis naar de eerste verdieping gevlucht.
Zij staarde met strakken blik rond, zonder te zien, en schreeuwde zacht. Haar verschrikte kreten durfden haar keel niet verlaten.
„’t Is het einde der wereld,” stamelde zij.
Joly drukte een kus op den dikken, rooden, gerimpelden hals van madame Hucheloup, en zeide tot Grantaire: „Mijn vriend, ik heb den hals eener vrouw altijd als iets bij uitnemendheid teers beschouwd.”
Intusschen had Grantaire een steeds hoogere gedachtenvlucht genomen. Matelotte was naar de eerste verdieping teruggekeerd, Grantaire hield haar middel omvat en lachte luidkeels aan het venster.
„Matelotte is leelijk!” riep hij, „Matelotte is het leelijkste wat men droomen kan. Matelotte is een fabelachtig gedrocht. Ik zal u het geheim harer geboorte zeggen: Een gothische Pygmalion, die figuren voor dakgoten van cathedralen maakte, werd op een ochtend op een der leelijkste ervan verliefd. Hij bad de liefde haar te bezielen, en zoo ontstond Matelotte. Kijkt, burgers, zij heeft bloedrood haar, als de minnares van Titiaan, en ze is een goede meid. Ik verzeker u, dat zij goed zal vechten. In ieder goed meisje zit een held. En moeder Hucheloup, o die is een oude dappere. Ziet, welk een baard zij heeft; zij heeft hem van haar man geërfd. Ja, zij is een huzaar en zal ook vechten. Twee zooals zij jagen de geheele voorstad op de vlucht. Kameraden, wij zullen het gouvernement omverwerpen, zoo waar als er vijftien middelzuren zijn tusschen het margarische en mierenzuur; overigens is het mij volkomen onverschillig. Mijne heeren, mijn vader heeft mij immer gehaat, wijl ik de wiskunde niet kon leeren. Ik begrijp niets dan de liefde en de vrijheid. Ik ben Grantaire, de goede jongen. Wijl ik nooit geld heb gehad, heb ik er mij niet aan gewoon gemaakt; zoodat het mij bijgevolg nooit ontbroken heeft. Zoo ik rijk ware geweest, zouden er geen armen meer zijn! Men zou ’t gezien hebben! O, zoo goede harten volle beurzen hadden, hoe goed zou alles gaan. Verbeeld u Jezus Christus zoo rijk als Rothschild! Hoeveel goed zou hij doen! Kus mij, Matelotte! Ge zijt liefderijk en bedeesd; ge hebt koontjes die den zusterkus wachten en lippen die den liefdekus willen.”
„Zwijg, vat!” riep Courfeyrac.
Grantaire antwoordde:
„Ik ben meester in de minnekunst.”
Enjolras, die op de barricade stond met het geweer in de hand, richtte zijn schoon, ernstig gezicht op. Enjolras had, zooals men weet, iets van den Spartaan en den Puritein. Hij zou met Leonidas in de Thermopylen gesneuveld zijn, en met Cromwell Drogheda verbrand hebben.
„Grantaire!” riep hij, „ga uw roes ergens elders uitslapen. ’t Is hier de plaats der geestvervoering, niet der dronkenschap. Onteer de barricade niet.”
Dit toornig woord maakte op Grantaire een zonderlingen indruk.
’t Was alsof hem een glas koud water in ’t gezicht was geworpen. Hij scheen plotseling nuchter te zijn geworden. Hij zette zich met de ellebogen op een tafeltje, bij het venster, aanschouwde Enjolras met onuitsprekelijke zachtheid en zeide:
„Laat mij hier slapen.”
„Slaap elders!” riep Enjolras.
Maar Grantaire steeds zijn doffe, teedere oogen op hem gericht houdende, antwoordde:
„Laat mij hier slapen – tot ik sterve.”
Enjolras beschouwde hem met verachtenden blik:
„Grantaire, ge zijt onbekwaam te gelooven, te denken, te willen, te leven en te sterven.”
Grantaire antwoordde met ernstige stem:
„Ge zult zien.”
Hij stamelde nog eenige onverstaanbare woorden, toen zonk zijn hoofd zwaar op de tafel, en, zooals gewoonlijk het gevolg is in het tweede tijdperk der dronkenschap, waarin Enjolras hem ruw en plotseling gestort had, sliep hij een oogenblik later in.
















