Maandag, 20/04/2026 - 09:04

De nacht was nu gedaald, maar niets kwam. Men hoorde slechts verwarde geluiden, en nu en dan eenig geweergeknetter, dat echter niet aanhield en op verren afstand was.

Dit lang toeven was een bewijs dat het gouvernement den tijd gebruikte om zijn krachten te verzamelen. Deze vijftig mannen wachtten er zestig-duizend af.

Enjolras was door dat ongeduld bevangen, ’t welk sterke zielen aangrijpt voor den aanvang van gewichtige gebeurtenissen. Hij begaf zich tot Gavroche, die bezig was in het benedenvertrek patronen te maken, bij het flauwe licht van twee kaarsen, die hij voorzichtigheidshalve op de toonbank had gezet, dewijl het buskruit op de tafels lag. De twee kaarsen wierpen niet den minsten schijn naar buiten. Bovendien hadden de opstandelingen gezorgd geen licht op de bovenverdiepingen te ontsteken.

Gavroche had op dit oogenblik zijn gedachten op iets anders dan wel op zijn patronen gevestigd.

De man van de straat des Billettes was binnengekomen en had zich aan het minst verlichte tafeltje geplaatst. Er was hem een munitie-geweer van groot model uitgereikt, dat hij tusschen de knieën hield. Gavroche, die tot hiertoe aan honderd „aangename” dingen had gedacht, had den man niet eens gadegeslagen.

Toen hij binnenkwam, volgde Gavroche hem werktuiglijk met de oogen en bewonderde zijn geweer; toen hij was gaan zitten, sprong de straatjongen eensklaps overeind. Zij, die tot dat oogenblik den man hadden bespied, zouden ontdekt hebben, dat hij met bijzondere opmerkzaamheid alles in de barricade en in den troep muitelingen had opgenomen; sedert hij echter ’t vertrek was binnengetreden, had hij zich aan een soort van stille overpeinzing overgegeven en scheen niets te zien van ’t geen gebeurde. De straatjongen naderde dien mijmerenden persoon en draaide op de teenen om hem heen, evenals men om iemand gaat, dien men vreest te wekken. Tegelijkertijd vertoonden zich op zijn kinderlijk gelaat, dat zoo onbeschaamd en zoo ernstig tevens, zoo lichtzinnig en zoo diep, zoo vroolijk en zoo treurig was, achtereenvolgens al de trekken, die uitdrukken: „Haha! – niet mogelijk! – ik ben blind! – ik droom! – zou hij het zijn? – neen, hij is ’t niet! – maar toch! – maar neen!” enz. enz. Gavroche wipte op zijn teenen, balde zijn handen in zijn zakken, bewoog den hals als een vogel, en stak de onderlip vooruit. Hij was verbaasd, onzeker, twijfelend, overtuigd, begoocheld. Hij had het voorkomen van den chef der gesnedenen op de slavenmarkt, die onder een tal logge vrouwen een Venus ontdekt, of van een kunstkenner, die onder een hoop kladwerk een Raphaël vindt. Alles was in hem werkzaam, het instinct, dat opspoort, en het verstand, dat verbindt. Het was duidelijk, dat Gavroche iets op zijn hart had.

’t Was te midden dezer bezigheid, dat Enjolras hem naderde.

„Gij zijt klein,” zei Enjolras. „Men zal u niet zien. Ga uit de barricade, sluip langs de huizen: neem de straten een weinig op en kom mij zeggen wat er geschiedt.”

Gavroche hief zich op de teenen.

„Ha! de kleinen zijn dan toch tot iets goed! ’t Is zeer gelukkig. Ik ga! Vertrouw intusschen de kleinen en wantrouw de grooten….”

Hij richtte het hoofd op en voegde er op gesmoorden toon bij, terwijl hij op den man der Billettes-straat wees:

„Ziet ge dien groote?”

„Nu?”

„’t Is een stille verklikker.”

„Zijt ge er zeker van?”

„Nog geen veertien dagen geleden, trok hij mij bij het oor van de kornis der Koningsbrug, waar ik een luchtje schepte.”

Enjolras verwijderde zich haastig van den straatjongen en fluisterde zeer zacht een dichtbij staanden werkman van de Wijnhaven eenige woorden toe. De werkman verliet het vertrek, en kwam zeer spoedig weder binnen, vergezeld van drie anderen. De vier mannen, sjouwers met breede schouders, plaatsten zich, zonder iets te doen dat de aandacht van den man der Billettes-straat kon trekken, achter de tafel waaraan hij zat. Zij waren blijkbaar gereed zich op hem te werpen.

Toen naderde Enjolras den man en vroeg hem:

„Wie zijt gij?”

Bij deze plotselinge vraag, richtte de man zich verschrikt op. Hij boorde zijn blik tot in het diepst van Enjolras’ eerlijk oog en scheen er zijn gedachte in uit te vorschen. Met een glimlach, die de verachtelijkste, krachtigste en stoutmoedigste uitdrukking der wereld had, antwoordde hij met trotschen ernst:

„Ik zie wat het is… Nu, ja!”

„Gij zijt een spion?”

„Ik ben agent van het gezag.”

„Hoe heet gij?”

„Javert.”

Enjolras gaf dezen vier mannen een teeken. In een oogwenk, vóór dat Javert den tijd had zich om te keeren, werd hij bij den kraag gevat, op den grond geworpen, gekneveld en onderzocht.

Men vond bij hem een klein rond kaartje, tusschen twee glazen gevat, waarop aan de eene zijde het wapen van Frankrijk met dit opschrift: „Toezicht en waakzaamheid” (surveillance et vigilance) en aan de andere zijde deze woorden: „Javert, inspecteur van politie, oud twee-en-vijftig jaar;” met de handteekening van den toenmaligen prefect van politie Gisquet.

Bovendien had hij zijn horloge en zijn beurs, welke eenige goudstukken bevatte. Men liet hem horloge en beurs. In het [291]horlogezakje voelde men en nam er een briefje in een omslag uit, dat Enjolras opende en waarop hij deze regels las, die eigenhandig door den prefect van politie geschreven waren:

„De inspecteur van politie Javert zal, zoodra hij zijn staatkundigen last vervuld heeft, zich door een bijzonder toezicht overtuigen of het waar is, dat kwaadwilligen op den rechteroever der Seine bij de Jenabrug iets uitvoeren.”

Na het onderzoek liet men Javert weder opstaan, bond hem met de armen op den rug in het midden van het benedenvertrek aan een kolom, die vroeger haar naam aan de herberg had gegeven.

Gavroche, die het gansche tooneel bijgewoond en met stillen hoofdknik alles goedgekeurd had, naderde Javert en zeide hem:

„Zoo heeft de muis de kat gegrepen.”

Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat het gedaan was eer men er buiten de herberg iets van gemerkt had. Javert had geen kreet gelaten. Toen men Javert aan de kolom zag gebonden, kwamen Courfeyrac, Bossuet, Joly, Combeferre en de mannen, die zich tusschen de barricaden bevonden, toeloopen.

Javert, die zoodanig met touwen aan den paal was gebonden, dat hij zich niet verroeren kon, richtte het hoofd op, met de deemoedige gerustheid van iemand, die nooit gelogen heeft.

„’t Is een spion,” zei Enjolras.

En zich tot Javert wendende:

„Gij zult doodgeschoten worden, twee minuten voor de barricade ingenomen wordt.”

Javert antwoordde op zijn meest barschen toon:

„Waarom niet dadelijk?”

„Wij moeten zuinig zijn met het kruit.”

„Maak er dan met een mes een einde aan.”

„Spion,” zei de schoone Enjolras, „wij zijn rechters en geen moordenaars.”

Toen riep hij Gavroche

„Gij, ga aan uw werk! Doe wat ik u gezegd heb.”

„Ik ga,” riep Gavroche.

En op het punt van heen te gaan, zeide hij:

„Apropos, geef mij zijn geweer! Ik laat u den muzikant, maar geef mij de klarinet.”

De straatjongen sloeg als militair aan en ijlde vroolijk door de snijding der groote barricade.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *