De ongelukkigste van beiden was Jean Valjean. De jeugd heeft zelfs in haar verdriet altijd nog een helderheid.
In zekere oogenblikken leed Jean Valjean zóóveel, dat hij kinderachtig werd. ’t Is het eigenaardige der smart, dat zij de kinderlijke zijde van den mensch weder te voorschijn roept. Hij gevoelde ontwijfelbaar, dat Cosette hem ontging. Hij had willen strijden, haar tegenhouden, haar door iets uiterlijks en schitterends willen begoochelen. Deze gedachten, kinderachtig, zooals wij gezegd hebben, doch tevens berekenend, gaven hem en wel door haar kinderachtigheid, een tamelijk juist begrip omtrent den invloed van uiterlijke versieringen op de verbeelding van jonge meisjes. Eens zag hij op de straat een generaal in volle uniform te paard voorbij rijden, den graaf Coutard, kommandant van Parijs. Hij benijdde dien vergulden man, en dacht: welk een geluk zou ’t zijn dien rok te dragen; Cosette zou verrukt zijn, als zij hem zag; wanneer hij met Cosette aan den arm het hek der Tuilerieën voorbijging, zou men het geweer voor hem presenteeren, en dit zou voor Cosette voldoende zijn, en haar de gedachte van jongelieden afleiden.
Een onverwachte schok paarde zich aan deze treurige gedachten.
In hun afgezonderd leven, en sedert zij in de straat Plumet woonden, hadden zij de gewoonte aangenomen, soms het genot te smaken van de zon te zien opgaan, een zoete vreugd, die zoowel past voor hen die het leven ingaan, als voor hen die het uittreden.
Een wandeling in den vroegen morgen heeft voor dengeen, die de eenzaamheid bemint, hetzelfde genot als eene avondwandeling, en de vroolijkheid der natuur bovendien. De straten zijn eenzaam, maar de vogels zingen. Cosette, zelve een vogel, stond gaarne ’s morgens vroeg op. Deze morgenwandelingen werden den vorigen avond besproken. Hij stelde ze voor, zij nam ze aan. Ze werden als een complot beraamd; men ging uit vóór ’t nog geheel licht was, en dit was een van Cosettes kleine genoegens. Deze onschuldige overdrijvingen behagen de jeugd.
Jean Valjean ging bij voorkeur, zooals men weet, naar weinig bezochte plaatsen, naar eenzame oorden, naar vergeten plekken. Destijds waren in den omtrek van Parijs armoedige velden, die schier met de stad verbonden waren, waar des zomers schraal koren groeide, en die in den herfst na den oogst het aanzien hadden, niet van gemaaid, maar van geplukt te zijn. Hierheen wendde zich Jean Valjean het liefst. Cosette verveelde er zich niet. ’t Was voor hem de eenzaamheid, voor haar de vrijheid. Daar was zij weder een klein meisje; zij kon er loopen, schier spelen; zij zette haar hoed af, beschouwde de vlinders op de bloemen, maar ving ze niet; zachtmoedigheid en verteedering ontstaan met de liefde, en de jongedochter, die een bevend en teeder ideaal in zich draagt, heeft medelijden met den vleugel van een vlinder. Zij vlocht een krans van klaprozen, welke zij op het hoofd zette, en deze door de zon beschenen bloemen gaven aan haar frisch blozend gelaat een kroon van gloeiende kolen.
Zelfs toen hun leven treurig was geworden, behielden zij de gewoonte dezer morgenwandelingen.
Op een October-morgen, door den ongemeen fraaien herfst van 1831 verlokt, waren zij uitgegaan en bevonden zich, toen ’t licht werd, bij de barrière du Maine. ’t Was niet het morgenrood, ’t was de dageraad; een bekoorlijk, onbeschrijfelijk oogenblik: hier en daar nog eenige sterren aan den bleeken hemel; de aarde geheel zwart; de hemel geheel wit; een huivering door de grasscheuten; alom de geheimzinnige indruk der schemering. Een leeuwerik, die zich tusschen de sterren scheen te bevinden, zong uit de verbazende hoogte, en ’t was alsof deze hymne van het kleine tot het oneindige de onmetelijkheid bevredigde. In het oosten kwam het Val-de-Grace, met zijn donkere massa, scherp uit den helderen horizont te voorschijn; tintelend steeg Venus op achter dien dom, en geleek een ziel die uit een donker gebouw ontvlucht.
Alles was rustig en stil; niemand was op den weg; slechts op de zijpaden onderscheidde men enkele werklieden, die naar hun arbeid gingen.
Jean Valjean had zich neergezet op eenig houtwerk, dat voor het hek van een werf lag. Zijn blik was naar den weg gekeerd, en zijn rug naar het licht; hij vergat de zon, die aan ’t opgaan was; hij was in een dier diepe mijmeringen verzonken, die den geheelen geest innemen, en zelfs den blik boeien. Er zijn overdenkingen, welke den mensch als tusschen vier muren sluiten. Wanneer men er zich in bevindt, wordt er tijd vereischt om tot de aarde terug te keeren. Jean Valjean was in een dier mijmeringen verzonken. Hij dacht aan Cosette, aan een mogelijk geluk, zoo niets tusschen haar en hem kwam; aan dat licht, waarmede zij zijn leven vervulde, een licht dat de adem zijner ziel was. Hij was schier gelukkig in deze mijmering. Cosette stond naast hem, en zag de wolken zich rozig kleuren.
Eensklaps riep Cosette: „Vader, ginds schijnt iemand te naderen.”
Jean Valjean sloeg de oogen op. Cosette had gelijk.
De weg die naar de oude barrière du Maine voert, is zooals men weet, een verlenging der straat van Sèvres, en wordt rechthoekig door den binnen-boulevard doorsneden. Op den hoek van den weg en den boulevard, ter plaatse waar zij elkander kruisen, hoorde men een gerucht, dat in dit uur moeielijk te verklaren was. Een verwarde, vormlooze massa verscheen van den boulevard op den straatweg.
Het werd grooter, ’t scheen zich ordelijk te bewegen, doch hortend en waggelend. ’t Scheen een voertuig te zijn, doch men kon niet onderscheiden, wat er op geladen was. Er waren paarden, wielen, kreten, klappende zweepen. Allengs werden de omtrekken duidelijker, hoewel nog in schemering gehuld. ’t Was inderdaad een voertuig, dat van den boulevard op den weg was gekomen en de barrière naderde, waar Jean Valjean zat; een tweede, van ’t zelfde voorkomen, volgde, toen een derde, toen een vierde, zeven voertuigen kwamen achtereenvolgens om den hoek te voorschijn; de koppen der paarden raakten het achterdeel der vooruitrijdende wagens. Gestalten bewogen zich op de karren, men zag in de schemering iets flikkeren als waren er bloote sabels, men hoorde een gerammel als van ketens; het naderde, de stemmen werden luider; ’t was iets ontzettends, alsof het uit de spelonk der droomen kwam.
Allengs werden de vormen duidelijker tusschen het geboomte, hoewel ze nog bleek als schimmen bleven; de langzaam rijzende morgen wierp een vaal schijnsel op dit tevens doodelijk en levend gekrioel, de hoofden der gestalten werden doodshoofden.
’t Waren zeven rijtuigen, die achter elkander over den weg reden. De zes eerste waren van een zonderlingen bouw. ’t Waren een soort van ladders op twee wielen, welke ladders vooraan de boomen vormden. Iedere wagen of liever ieder dezer ladders was met vier paarden achter elkander bespannen. Op deze ladders werden zonderlinge menschentrossen voortgesleept. In het halfduister zag men deze menschen niet, men vermoedde ze. Daar waren er vier-en-twintig op ieder voertuig, twaalf aan iedere zijde, met den rug tegen elkander, met het gezicht naar den voorbijganger, met afhangende beenen; aldus togen die menschen voort. Achter hun rug was iets dat klonk, een keten, en aan hun hals iets dat glinsterde, een halsboei. Ieder had een afzonderlijken halsboei, maar de keten was voor allen, zoodat deze vier-en-twintig menschen, wanneer zij van het voertuig kwamen en voortgingen, door een onverbiddelijke eenheid werden samengebonden, en over den grond, met de keten als ruggegraat, ongeveer als een duizendpoot moesten voortkruipen. Op ieder rijtuig stond vóór en ook achter een man, van welke beiden ieder een der einden van den keten onder zijn voeten had. De halsboeien waren vierkant. Het zevende voertuig was een groote vrachtwagen zonder huif, met vier wielen en zes paarden, waarop een hoop ijzeren ketels en pannen, fornuizen en ketens, waartusschen eenige geknevelde menschen lagen uitgestrekt, die ziek schenen. Deze geheel open wagen was voorzien van vervallen horden, die tot de voormalige strafpleging schenen gediend te hebben.
Deze voertuigen hielden het midden van den weg. Aan beide zijden gingen, in een dubbele rij, wachten met eerlooze gezichten, en met driekante hoeden op ’t hoofd als de soldaten van het Directoire; zij droegen gescheurde, smerige uniformrokken van invaliden en half grijze en blauwe havelooze pantalons, wijders roode epauletten, gele bandeliers, korte sabels, geweren en stokken; zij geleken trosboeven. Deze sbirren schenen uit het uitvaagsel der bedelaars te bestaan, met het gezag van den beul. Hij, die hun chef scheen, hield een postzweep in de hand.
Al deze, in de morgenschemering onduidelijke, bijzonderheden werden meer en meer zichtbaar, naarmate de dag helderder werd. Vóór en achter den wagentrein reden gendarmes te paard statig met de sabel in de hand.
Deze trein was zoo lang, dat toen het eerste voertuig reeds bij de barrière was, het laatste nauwelijks den boulevard verlaten had.
Een menigte menschen, met die onbegrijpelijke snelheid te zamen gekomen, als dit te Parijs immer geschiedt, verdrongen elkaar aan beide zijden van den weg, om te zien.
De mannen op de voertuigen lieten zich zwijgend hotsen. Zij waren blond van de morgenkoude. Allen droegen linnen broeken en klompen aan de bloote voeten. Het overige hunner kleeding was naar de luim der armoede. Hun plunje was van de afschuwelijkste tegenstrijdigheid; niets is treuriger dan een harlekijn in lompen. Gedeukte hoeden, geteerde petten, vuile wollen mutsen, en naast de boezeroen den zwarten rok met gaten in de ellebogen, verscheidenen droegen vrouwenhoeden; anderen een mand op het hoofd; men zag harige borsten, en door de scheuren der plunje onderscheidde men tatoueeringen; liefdetempels, vlammende harten, cupido’s. Ook kwaadzeer en boosaardige puisten. Twee of drie hunner lieten, als op een stijgbeugel, hun voeten rusten op een van stroo gedraaid touw, dat onder hen aan de dwarshouten van het voertuig was gehecht. Een hunner had iets in de hand en bracht het aan den mond, dat een zwarte steen geleek, waarop hij beet; ’t was brood, dat hij at. Aller oogen waren droog; dof of flikkerend van een heilloos licht. De geleiders vloekten, de geboeiden spraken geen woord; nu en dan hoorde men een stokslag op de ruggen of hoofden vallen; sommigen dier lieden geeuwden; de lompen, die zij droegen, waren afzichtelijk; de beenen hingen, de schouders schommelden, de hoofden stieten tegen elkander, de ijzers rammelden, de oogen vlamden wild; de vuisten balden zich of openden zich krachteloos als de handen van dooden; achter den trein schreeuwde en lachte een troep kinderen.
Deze rij voertuigen, wat ze ook ware, had een treurig aanzien. Morgen, binnen een uur, kon het stortregenen, en weder en weder stortregenen, zoodat de havelooze plunje doornat moest worden; en eenmaal nat zijnde, konden deze lieden zich niet drogen, en ijskoud zich niet verwarmen; hun door en door natte linnen broeken zouden aan hun huid kleven, het water hun klompen vullen, de zweepslagen zouden het klappertanden niet kunnen beletten, de keten zou steeds aan den hals geklemd zijn, hun voeten zouden steeds hangen. ’t Was onmogelijk, niet te sidderen bij den aanblik dezer aldus geboeide menschen, die bewegingloos aan de koude herfstvlagen, aan den regen, aan den noordenwind, aan al de stormen der lucht, even als boomen en steenen, waren blootgesteld.
De stokslagen spaarden zelfs de zieken niet, die met koorden gekneveld, bewegingloos op het zevende voertuig lagen, en welke men daar als met ellende gevulde zakken, scheen neergeworpen te hebben.
Eensklaps kwam de zon te voorschijn; de krachtige morgenstraal schoot uit en ’t was, alsof hij al deze woeste hoofden deed gloeien; er brak een brand van vreeselijk gelach, gevloek en gezang uit. Het breede horizontale licht doorsneed de rij in tweeën, verlichtte de hoofden en rompen, en liet de voeten en de wielen in de duisternis. De gedachten verschenen op de gezichten; ’t was een vreeselijk oogenblik: duivels werden zichtbaar, wier maskers afgevallen waren, woeste zielen geheel bloot. Hoewel verlicht was deze hoop duister. Sommigen, die op hun wijze vroolijk waren, hadden in den mond penneschachten, waaruit zij op de menigte, bij voorkeur op de vrouwen, ongedierte bliezen; het morgenrood deed deze erbarmelijke gestalten in de donkere schaduwen scherp uitkomen; geen dier wezens, dat niet door de ellende misvormd was; ’t was zoo afschuwelijk, dat het den glans der zon in bliksemvuur scheen te veranderen. De mannen op het voertuig, dat den trein opende, hadden een lied aangeheven en zongen met oorverdoovend geweld en woeste vroolijkheid een destijds beroemd liedje van Desaugiers la Vestale; de boomen trilden treurig; op de dwarswegen luisterden de burgers met dom vermaak naar deze zedenlooze woorden, die door spoken gezongen werden.
Allerlei ellende was in dezen trein als in een chaos gemengd; men zag er den gezichtshoek van alle dieren, grijsaards en jongelingen, kale hoofden, grijze baarden, de afschuwelijkste onbeschaamdheid, tartende onderwerping, wilde opwellingen, bespottelijke houdingen, hoofden als van meisjes met krullen langs de slapen, kinderlijke gezichten en daarom te afschuwelijker, [96]gezichten als doodshoofden waaraan niets dan de dood ontbrak. Op het eerste rijtuig zag men een neger, die misschien slaaf was geweest en de verschillende ketens vergelijken kon. De vreeselijke gelijkheid der schande was over deze hoofden gegaan; in die diepte van uiterste verlaging waren allen gezonken, en de onwetendheid in wezenloosheid veranderd, was de gelijke van de schranderheid, tot wanhoop gebracht. Er was geen keuze mogelijk tusschen deze lieden, die voor den blik verschenen als het uitgeworpene van het slijk. ’t Was blijkbaar, dat de bestuurder van dezen onreinen troep, ze niet in klassen verdeeld had. Zij waren geboeid en gekoppeld, waarschijnlijk naar alphabetische volgorde, en alzoo verward dooreen op deze voertuigen geladen. Maar alle groepen van afschuwelijkheden vormen een geheel; iedere optelling van ongelukkigen geeft een totaal; uit iedere keten kwam een gemeenschappelijke ziel te voorschijn en ieder voertuig had zijn bijzondere physionomie. Naast het voertuig dat zong, was er een dat brulde; een derde bedelde; men zag er een dat knarsetandde; een ander dreigde de voorbijgangers; een ander lasterde God; het laatste zweeg als het graf. Dante zou gemeend hebben, de zeven kringen der hel in beweging te zien. Het was de akelige tocht der veroordeelden naar de strafplaats, niet op den vreeselijken, vlammenden wagen der Apokalypsis, maar, vreeselijker, op de kar naar het galgenveld.
Een der wachters, die een haak aan zijn stok had, maakte nu en dan een beweging, alsof hij in dien menschelijken vuilnishoop roerde. Onder de toeschouwers was eene oude vrouw, die een vijfjarig knaapje met den vinger deze lieden aanwees en zeide: „Deugniet, neem daar een les aan.”
Toen het gezang en gevloek erger werden, klapte degene die de kapitein van het escorte scheen met zijn zweep, en bij dit sein viel een vreeselijke hagelbui van doffe, in den blinde toegebrachte stokslagen op de zeven voertuigen; velen brulden en schuimbekten, ’t geen ’t gejuich der toegesnelde straatjongens verdubbelde; een zwerm vliegen op deze wonden.
Het oog van Jean Valjean was schrikbarend geworden. Het was geen oog meer, het was die glazige diepte, welke bij sommige ongelukkigen den blik vervangt, die onbewust schijnt van de wezenlijkheid en waarin de weerkaatsing der ontzetting vlamt. Hij zag geen voorwerp, hij was onder den druk van een visioen. Hij wilde opstaan, vluchten, ontsnappen; maar hij kon geen voet verzetten. Soms wordt men aangegrepen en vastgehouden door de dingen welke men ziet. Hij was als vastgenageld, versteend, wezenloos, en vroeg zich in een verwarden, onuitsprekelijken angst af, wat deze spookachtige verschijning eteekende en waaruit deze hel kwam, die hem vervolgde. Eensklaps sloeg hij de hand aan zijn hoofd, de gewone beweging van hen in wie plotseling het geheugen wederkeert; hij herinnerde zich, dat deze weg de gewone weg was, langs welken de galeiboeven werden vervoerd, en men dezen omweg gewoonlijk maakte om de ontmoetingen met het hof te vermijden, die op den weg van Fontainebleau elk oogenblik mogelijk waren, en dat hij vijfendertig jaren geleden deze zelfde barrière was doorgegaan.
Cosette was, hoewel op andere wijze, niet minder ontsteld. Zij begreep niet, de adem ontbrak haar; wat zij zag scheen haar onmogelijk, eindelijk riep zij:
„Vader, wat is er toch op deze wagens?”
Jean Valjean antwoordde:
„Tuchtelingen.”
„Waar gaan zij heen?”
„Naar het bagno.”
Op dit oogenblik voegden zich juist bij de stokslagen, door honderden handen ijverig toegedeeld, slagen met het plat der sabels, ’t geen een woedende bui van sabel- en stokslagen veroorzaakte; de tuchtelingen bogen zich, een afschuwelijke gehoorzaamheid volgde op de straf en allen zwegen met blikken als van geketende wolven. Cosette beefde over al haar leden; zij hernam: „Vader, zijn deze wezens werkelijk nog menschen?”
„Somtijds,” zei de ongelukkige.
’t Was inderdaad de galeiboeven-keten, die vóór ’t aanbreken van den dag Bicêtre had verlaten en den weg van Mans insloeg, om Fontainebleau te vermijden, waar zich toen ’t hof bevond. Deze omweg verlengde de schrikkelijke reis met drie of vier dagen, maar om de koninklijke personen het gezicht van zulke folteringen te besparen, mocht men haar wel verlengen.
Jean Valjean kwam zeer neerslachtig te huis. Zulke ontmoetingen zijn schokken; en de herinnering, welke zij achterlaten, heeft gelijkenis met een aardbeving.
Toen Jean Valjean met Cosette naar de Babelstraat wederkeerde, merkte hij overigens niet op, dat zij hem meerdere vragen deed aangaande hetgeen zij gezien hadden; misschien was hij te diep in zijn verslagenheid verzonken om haar woorden te hooren en haar te antwoorden. Maar des avonds, toen Cosette hem verliet om naar bed te gaan, hoorde hij haar halfluid en als bij zich zelve zeggen: „Mijn Hemel! mij dunkt, dat, zoo ik een dier menschen ontmoette, ik zou sterven, enkel door hem van nabij te zien!”
Gelukkig waren er toevallig, den dag na dit treurig voorval, bij gelegenheid van ik weet niet welke officiëele plechtigheid, feesten te Parijs, een revue op het Marsveld, wedstrijd op de Seine, spelen in de Champs Elysées, vuurwerk aan den boog der Etoile, algemeene illuminatie. Jean Valjean deed zich geweld aan, en geleidde haar naar deze vermakelijkheden, om haar de herinnering aan den vorigen dag te doen vergeten, en onder het vroolijk gewoel van geheel Parijs het afschuwelijke uit te wisschen, dat haar was voorbijgegaan. De revue, welke het feest kruidde, deed natuurlijk al de uniformen voor den dag komen; Jean Valjean trok ook zijn uniform van nationale garde aan, schier met het heimelijk gevoel van iemand, die zich verbergt. Overigens scheen het doel dier wandeling bereikt: Cosette, die het zich ten wet stelde steeds den zin haars vaders te doen en voor wie overigens alle vertooningen nieuw waren, nam deze uitspanning aan, met de ongedwongen en luchthartige vriendelijkheid der jeugd, en betoonde zich in haar oordeel niet al te streng omtrent de vreugde van hetgeen men een openbaar feest noemt; zoodat Jean Valjean mocht gelooven, dat hij in zijn oogmerk geslaagd was en geen spoor meer van de afschuwelijke verschijning bij haar achterbleef.
Eenige dagen later, op een ochtend, dat de zon heerlijk scheen, en beiden op de stoep van den tuin stonden – wederom een inbreuk op de regels, welke Jean Valjean zich scheen opgelegd te hebben, en tegen de gewoonte van Cosette, die de droefgeestigheid haar had doen aannemen, die nl. van in haar kamer te blijven – Cosette, in ochtendgewaad, in dat negligé van het vroege morgenuur, ’t welk de jonge meisjes zoo liefelijk omhult en een wolkje om een ster schijnt, nog blozend van den gerusten slaap, vriendelijk aanschouwd door den verteederden grijsaard, ontbladerde een madeliefje. Cosette kende het lieve spreukje niet: „ik bemin u, een weinig, hartstochtelijk” enz.; wie zou ’t haar geleerd hebben? Zij speelde met het bloempje werktuiglijk, onschuldig, zonder te beseffen, dat zij door een madeliefje te ontbladeren een hart verscheurde. Zoo er een vierde gratie ware, de droefgeestigheid genoemd, en deze glimlachte, zou zij ’t beeld dezer gratie vertoond hebben. Jean Valjean was verrukt, toen hij haar kleine vingers met het bloempje zag spelen en vergat alles in den glans dien het meisje omgaf. Een roodborstje tjilpte in het naaste bosschage. Witte wolkjes dreven zoo vroolijk in de lucht, dat het scheen als waren zij zoo even in vrijheid gesteld. Cosette ontbladerde steeds ijverig haar bloempje; zij scheen aan iets te denken! ’t moest iets aangenaams zijn; eensklaps draaide zij langzaam het hoofd op de schouders om, met de sierlijke bedaardheid van de zwaan en zeide tot Jean Valjean: „Vader, wat is toch het bagno?”
















