Maandag, 20/04/2026 - 01:06

Iedere toestand heeft een bijzonder instinct. De oude, eeuwige moeder natuur verwittigde Jean Valjean heimelijk van Marius’ tegenwoordigheid. Jean Valjean beefde in het diepst zijner gedachte. Jean Valjean zag, wist niets, en beschouwde evenwel met halsstarrige oplettendheid de duisternis waarin hij was, als gevoelde hij aan de eene zijde iets dat werd opgebouwd, aan de andere iets dat verging. Marius, insgelijks gewaarschuwd door diezelfde moeder natuur, de strenge wet van den goeden God, deed alles wat hij kon om zich aan den „vader” te onttrekken.

’t Gebeurde evenwel, dat Jean Valjean hem soms zag.

Marius’ bewegingen waren volstrekt niet natuurlijk meer. Zijn voorzichtigheid was loensch en zijn vermetelheid linksch. Hij naderde niet meer zoo dicht als vroeger; hij zette zich in de verte neer en bleef daar als in verrukking; hij had een boek en deed alsof hij las. Waarom veinsde hij? Vroeger kwam hij in zijn ouden rok, nu droeg hij dagelijks zijn nieuwen rok; ’t was niet zeker of hij zich niet liet friseeren; zijn oogen waren ook zoo wonderlijk; hij droeg handschoenen; kortom, Jean Valjean haatte dien jongeling van ganscher harte.

Cosette liet niets blijken. Zonder juist te weten, wat haar bewoog, had zij echter het duidelijk bewustzijn, dat het iets was, en zij het moest verbergen.

In den smaak voor kleeding, welke bij Cosette ontstaan was, en de gewoonte om nieuwe kleederen te dragen, die de onbekende had aangenomen, was een zekere overeenkomst, die Jean Valjean onaangenaam was. ’t Was toevallig misschien, ongetwijfeld, zeker; maar die toevalligheid kon gevaarlijk worden.

Nooit sprak hij Cosette over dien vreemde. Op zekeren dag kon hij zich echter niet bedwingen en met die onbestemde wanhoop, welke eensklaps de ramp peilt, zeide hij haar: „Dit jonge mensch ziet er zeer pedant uit!”

Een jaar vroeger, toen zij nog een klein onverschillig meisje was, zou zij geantwoord hebben: „Nu, ik vind hem heel lief.” Tien jaren later, met de liefde van Marius in het hart, zou zij geantwoord hebben: „Pedant en ondragelijk om te zien; ge hebt gelijk.”—Op het oogenblik des levens en des gevoels, waarin [87]zij thans was, antwoordde zij enkel met de grootste bedaardheid: „Dit jonge mensch!”

Alsof zij hem voor het eerst van haar leven zag.

„Hoe dom ben ik!” dacht Jean Valjean. „Zij had hem nog niet opgemerkt. Nu vestig ik er haar aandacht op.”

O eenvoud des ouderdoms! o sluwheid der jeugd!

Dit is wederom een wet dier jeugdige jaren van lijden en zorgen, van dien levendigen strijd der eerste liefde tegen de eerste hindernissen, dat het meisje zich in geen strik laat vangen, terwijl de jongeling in alle strikken valt. Jean Valjean had tegen Marius een geheimen oorlog begonnen, dien Marius in de verheven domheid van zijn hartstocht en zijn leeftijd niet begreep. Jean Valjean legde hem een menigte belemmeringen in den weg; hij veranderde het uur, verwisselde van bank, vergat zijn zakdoek, kwam alleen in het Luxembourg; Marius liep blindelings in al deze strikken; en op al de vraagteekens door Jean Valjean op zijn weg geplant, antwoordde hij onnoozel: ja. Intusschen bleef Cosette in haar schijnbare onverschilligheid en onverstoorbare kalmte verschanst, zoodat Jean Valjean tot dit besluit kwam: Deze knaap is dol verliefd op Cosette; maar Cosette weet nauwelijks, dat hij bestaat.

Desniettemin gevoelde hij in zijn hart een smartelijke ongerustheid. Ieder oogenblik kon het uur slaan, dat Cosette wederkeerig zou beminnen. Begint niet alles met onverschilligheid?

Eenmaal beging Cosette een misslag, die hem deed ontstellen. Hij stond op van de bank na drie uur gezeten te hebben, en toen zeide zij: „Nu al!”

Jean Valjean had zijn wandelingen naar het Luxembourg niet gestaakt, wijl hij niets bijzonders wilde doen en bovenal vreesde Cosette’s aandacht te wekken; maar terwijl Cosette, in deze voor beide verliefden zoo zoete uren, haar glimlach naar Marius wendde, die verrukt in deze beschouwing verzonken was en thans in de wereld niets anders zag dan een aangebeden schitterend gelaat, richtte Jean Valjean glinsterende en vreeselijke oogen op Marius. Hij, die eindelijk gemeend had niet meer in staat te zijn tot een kwaadwillig gevoel, geloofde, zoodra hij Marius zag, weder woest en wreed te worden, en hij voelde tegen dien jongeling die oude holen zijner ziel zich weder openen en woelen, die vroeger zooveel woede bevat hadden. Het scheen hem schier, alsof nieuwe, onbekende kraters in hem ontstonden.

Hoe! hij was dáár, dat wezen! wat kwam hij er doen? Hij slingerde rond, snuffelde, spiedde, maakte plannen! hij dacht: wel, waarom niet? hij sloop om zijn, Valjean’s, leven, om zijn geluk, ten einde het te grijpen en weg te voeren.[88]

Jean Valjean voegde er bij: Ja, dat is het! Wat zoekt hij? een avontuur? Wat wil hij? een minnarij? Een minnarij! en ik! Hoe! ik zal eerst de ellendigste der menschen zijn geweest en dan de rampzaligste, ik zal zestig jaren levens geknield hebben voortgesleept, alles geleden hebben wat te lijden is, oud geworden zijn zonder jong te zijn geweest, zonder familie, zonder verwanten, zonder vrouw, zonder kinderen geleefd hebben, iets van mijn bloed op alle steenen, op alle stammen, op alle palen, langs alle muren achtergelaten hebben; ik zal zachtmoedig zijn geweest, hoewel men hard tegen mij was, en goed, hoewel men slecht voor mij was; ik zal, in weerwil van alles, eindelijk weer een eerlijk man zijn geworden, berouw hebben gehad over het door mij bedreven kwaad, en het kwade hebben vergeven, dat men mij gedaan heeft, en op het oogenblik, dat ik beloond word, op het oogenblik, dat alles geëindigd is, en ik het doel bereik, op het oogenblik, dat ik heb wat ik wil, wat ik goed en deugdelijk betaald gewonnen heb, zal dat alles heengaan en verdwijnen; ik zal Cosette verliezen, mijn leven, mijn vreugd, mijn ziel; wijl het een jongen dwaas behaagde in het Luxembourg te wandelen!

Toen vulden zich zijn oogen met een buitengewoon somber vuur. ’t Was niet meer een mensch, die een ander mensch; niet een vijand, die een vijand aanschouwt; ’t was een bloedhond, die een dief ziet.

Men weet het overige. Marius bleef in zijn onzinnigheid. Zekeren dag volgde hij Cosette in de Westerstraat. Een anderen dag sprak hij met den portier. Zijnerzijds sprak de portier met Valjean, zeggende: „Mijnheer, wie is toch die zonderlinge jongeling, die naar u vraagt?” Den volgenden dag sloeg Jean Valjean op Marius dien blik, welken Marius eindelijk opmerkte. Acht dagen later was Jean Valjean verhuisd. Hij zwoer, dat hij geen voet meer in het Luxembourg, noch in de Westerstraat zou zetten. Hij keerde terug naar de straat Plumet.

Cosette klaagde niet, zeide niets, vroeg niet, zij trachtte de reden hiervan niet te vernemen; zij was reeds in het tijdperk, wanneer men vreest, doorvorscht te worden en zich te verraden. Jean Valjean had niet de minste ondervinding van deze rampen, de eenige die bekoorlijk zijn, en de eenige welke hij niet kende; dit maakte dat hij de ernstige beteekenis van Cosette’s stilzwijgendheid niet begreep. Alleen merkte hij op, dat zij treurig was geworden, en hij werd bedroefd. ’t Was wederzijdsche onervarenheid, die met elkander in strijd was.

Eenmaal deed hij een poging. Hij vroeg Cosette:

„Wilt ge naar het Luxembourg gaan?”

Een straal verhelderde Cosette’s bleek gezicht.[89]

„Ja,” antwoordde zij.

Zij gingen er heen. Er waren drie maanden verstreken. Marius kwam er niet meer. Marius was er niet.

Den volgenden dag vroeg Jean Valjean weder aan Cosette:

„Wilt gij naar het Luxembourg gaan?”

Zij antwoordde treurig en zacht:

„Neen.”

Deze treurigheid griefde Jean Valjean, en deze zachtheid vervulde hem met smart.

Wat ging er om in dit nog zoo jong en reeds zoo ondoordringbaar gemoed? Wat was bezig er zich in te vormen? Wat gebeurde in de ziel van Cosette? Soms bleef Jean Valjean, in plaats van te bed te gaan, er naast zitten, met het hoofd in de hand en bracht den ganschen nacht door met zich te vragen: waar denkt Cosette aan? en met aan de dingen te denken, waaraan zij kon denken.

O, welke smartelijke blikken wendde hij in die oogenblikken naar het klooster, dit kuische, heilige verblijf der engelen, dien ongenaakbaren ijsberg der deugd. Met welk een wanhopige verrukking aanschouwde hij dien kloostertuin, vol onbekende bloemen en opgesloten maagden, waar alle geuren en alle zielen regelrecht naar den hemel opstijgen. Hoe aanbad hij dat voor altoos gesloten paradijs, waaruit hij vrijwillig was heen gegaan, dat hij dwaselijk had verlaten. Hoe betreurde hij zijn zelfverloochening en zijn dwaasheid, Cosette in de wereld te hebben teruggebracht; arme held der opoffering, door zijn opoffering zelve aangetast en verslagen! Hoe dikwerf zuchtte hij: Wat heb ik gedaan?”

Van dit alles merkte Cosette evenwel niets. Hij toonde haar noch misnoegen noch norschheid; zijn gedrag was altijd even opgeruimd en goedhartig. Jean Valjean was jegens haar teederder en vaderlijker dan ooit. Zoo iets in hem minder vreugd had kunnen aanduiden, zou het zijn meerdere zachtmoedigheid zijn geweest.

Harerzijds kwijnde Cosette. Zij leed door de afwezigheid van Marius, evenzeer als zij over zijn tegenwoordigheid, zonderlingerwijze, en zonder er zich rekenschap van te kunnen geven, verheugd was geweest. Toen Jean Valjean haar niet meer op de gewone wandelingen geleidde, had het vrouwelijk instinct haar onduidelijk in het hart gefluisterd, dat zij niet moest laten blijken in het Luxembourg belang te stellen, en zoo zij er zich onverschillig voor betoonde, haar vader er haar weder heen zou voeren. Maar dagen, weken en maanden volgden elkander op. Jean Valjean had stilzwijgend Cosette’s stilzwijgende goedkeuring aangenomen. Zij betreurde het. Het was te laat. Den [90]dag, dat zij weder naar het Luxembourg ging, was Marius er niet meer. Marius was dus verdwenen. ’t Was uit. Wat te doen? Zou zij hem ooit weder vinden? Zij voelde een beklemming des harten, welke niets verruimde en die elken dag vermeerderde; zij wist niet meer of het zomer dan wel winter was, of het regende dan, of de zon scheen, of de vogels zongen of de dahlias of viooltjes bloeiden, of de tuin van het Luxembourg bekoorlijker dan die der Tuilerieën was, of het linnen, dat de waschvrouw te huis bracht, te veel of te weinig gestijfd was, of vrouw Toussaint haar marktgang goed of slecht gedaan had; en zij bleef neerslachtig, slechts aan één gedachte overgegeven, met strakken blik, als wanneer men des nachts op de donkere, diepe plaats staart, waar een verschijning is verdwenen.

Overigens liet zij evenmin aan Jean Valjean iets anders zien dan haar bleekheid. Zij toonde hem immer een vriendelijk gezicht.

Maar deze bleekheid was meer dan voldoende om Jean Valjean bekommering aan te jagen. Soms vroeg hij haar:

„Wat deert u?”

Zij antwoordde:

„Mij deert niets.”

En na een poos, alsof zij opmerkte dat hij insgelijks treurig was, hernam zij:

„Deert u iets, vader?”

„Mij? neen,” zeide hij.

Deze twee wezens, die elkander zoo uitsluitend, met zulk een innige liefde bemind, en zoo lang met en door elkander geleefd hadden, leden nu naast elkander, de een om den ander, zonder het elkander te zeggen, zonder het elkander te wijten, en glimlachend.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *