Cosette was in haar duisternis, gelijk Marius in de zijne, volkomen gereed om in gloed te geraken. Het lot bracht langzaam, met zijn geheimzinnig, onfeilbaar geduld, deze twee wezens bijeen, beiden vervuld en kwijnend van de verwoestende electriciteit van den hartstocht, welke de liefde in zich droegen, zooals twee wolken den bliksem dragen, en die elkander treffen en samensmelten zouden door een blik, gelijk de wolken door een bliksemstraal.
Men heeft in de liefderomans zooveel misbruik van den blik gemaakt, dat hij eindelijk in minachting is gekomen. Nauwelijks durft men thans meer zeggen, dat twee wezens alleen door den blik verliefd op elkaar zijn geworden. ’t Is toch aldus, dat men verliefd wordt en niets anders. Het overige is slechts het overige, en komt later. Niets is wezenlijker dan deze geweldige schokken, welke twee zielen elkander bij de wisseling van dezen vonk geven.
In het oogenblik, dat Cosette, zonder het te weten, dien blik schoot, die Marius in verwarring bracht, vermoedde Marius niet, dat hij insgelijks een blik schoot, die Cosette in verwarring bracht. Hij veroorzaakte haar hetzelfde leed en hetzelfde goed.
Sinds lang zag zij hem en sloeg hem gade, zooals meisjes zien en gadeslaan, terwijl zij elders zien. Marius vond Cosette nog leelijk, toen Cosette Marius reeds schoon vond. Maar dewijl hij niet op haar lette, was de jongeling haar onverschillig.
Zij kon evenwel niet beletten, bij zich zelve te zeggen, dat hij fraai haar, fraaie oogen, fraaie tanden, een bekoorlijke stem had, wanneer zij hem met zijn makkers hoorde spreken, dat hij, zoo men aanmerkingen wilde maken, geen fraaie houding had, maar eene eigenaardige bevalligheid, dat hij in ’t geheel niet dom scheen, dat zijn geheel voorkomen iets edels, zachts, eenvoudigs en fiers toonde, en dat hij eindelijk wel arm maar goed scheen.
Den dag toen hun oogen elkander ontmoetten en plotseling die geheime en onuitsprekelijke dingen zeiden, welke de blik stamelt, begreep Cosette aanvankelijk niets. Zij kwam peinzend te huis in de Westerstraat, waar Jean Valjean, naar gewoonte, zijn zes weken had doorgebracht. Toen zij den volgenden morgen ontwaakte, dacht zij aan dien onbekenden jongeling, die zoo lang onverschillig en koel was geweest, en nu op haar scheen te letten, en niets duidde aan, dat deze opmerkzaamheid haar aangenaam was. Veeleer was zij eenigszins wrevelig op dien schoonen onverschillige. Een zweem van vijandelijk gevoel verhief zich in haar: ’t scheen haar, en zij gevoelde er een kinderlijke vreugde over, dat zij zich eindelijk zou kunnen wreken.
Daar zij wist dat ze schoon was, had zij er een onduidelijk gevoel van, dat zij een wapen had. De vrouwen spelen met haar schoonheid als kinderen met hun mes. Zij kwetsen er zich zelven mede.
Men herinnere zich Marius’ aarzeling, zijn ontroering, zijn angsten. Hij bleef op zijn bank en naderde niet. Dit was Cosette onaangenaam. Op zekeren dag zeide zij tot Jean Valjean: Vader, laat ons een weinig naar dien kant wandelen.—Ziende dat Marius niet tot haar kwam, ging zij tot hem. In dergelijke gevallen gelijkt iedere vrouw op Mahomed. Daarbij is, zonderlinger wijze, het eerste verschijnsel van ware liefde bij den jongeling, beschroomdheid; bij een meisje, stoutmoedigheid. Dit is verwonderlijk, en toch zeer eenvoudig. ’t Zijn twee seksen die elkander pogen te naderen, en die elkanders hoedanigheden aannemen.
Dien dag maakte het gezicht van Cosette Marius verbijsterd, het gezicht van Marius deed Cosette huiveren. Marius verwijderde zich vol vertrouwen, en Cosette onrustig. Van dien dag af beminden zij elkander.
Het eerste wat Cosette gevoelde, was een onbestemde, diepe droefgeestigheid. ’t Kwam haar voor, als ware haar ziel, van den eenen dag op den anderen, duisterder geworden. Zij herkende ze niet meer. De blankheid der ziel van jonge meisjes, welke uit koelheid en vroolijkheid bestaat, gelijkt de sneeuw. Zij smelt onder de liefde, die haar zon is.
Cosette wist niet wat liefde was. Nooit had zij dat woord in den aardschen zin hooren uitspreken. In de wereldsche muziekwerken, welke in het klooster kwamen, werd het woord amour (liefde) steeds door tambour of pandour vervangen. Dit vormde raadsels, welke de verbeelding der „grooten” in beweging bracht, als: „O, hoe liefelijk is de trommel!” of „Medelijden is geen pandoer!” Maar Cosette had te jong het klooster verlaten om zich veel met den „trommel” bemoeid te hebben. Zij wist dus geen naam te geven aan ’t geen zij thans gevoelde. Is men er te minder ziek om, dewijl men den naam zijner ziekte niet kent?
Zij beminde te vuriger, wijl zij onwetend beminde. Zij wist niet of het goed of slecht, nuttig of gevaarlijk, noodzakelijk of doodelijk, eeuwig of vluchtig, geoorloofd of verboden was; zij beminde. Zij zou zeer verwonderd zijn geweest, zoo men haar gezegd had: Slaapt gij niet? dat is verboden! Eet gij niet? dit is verkeerd! Voelt ge bedruktheid en hartkloppingen? dat mag niet wezen! Bloost en verbleekt ge, wanneer iemand in het zwart gekleed aan het einde van zekere groene laan verschijnt? dit is schandelijk! Zij zou dit niet begrepen, en geantwoord hebben: Hoe kan ik schuldig zijn in iets, waaraan ik niets doen kan en waarvan ik niets weet?
De liefde, welke zich aanbood, was juist die, welke het best overeenkwam met den toestand harer ziel. ’t Was een soort van vereering op een afstand, een stomme aanschouwing, de vergoding door een onbekende. ’t Was de verschijning der jeugd aan de jeugd, de droom der nachten, roman geworden en droom gebleven, de gewenschte verschijning eindelijk verwezenlijkt en vleesch geworden, doch nog zonder naam, zonder feil, zonder vlek, zonder eischen, zonder gebrek; met één woord, de verwijderde, ideaal gebleven minnaar, een hersenschim met een vorm. Een nadere, tastbaarder ontmoeting zou in dit eerste tijdperk Cosette hebben verschrikt, die nog ten halve in de ruwe nevels des kloosters gedompeld was. Zij bezat al de vrees der kinderen, met die der nonnen vermengd. De kloostergeest, die haar gedurende vijf jaren doordrongen had, wasemde nog langzaam van haar geheele persoonlijkheid uit en deed alles rondom haar beven. In dien toestand was ’t geen minnaar dien zij behoefde, niet eens een geliefde, ’t was een visioen. Zij begon Marius te vereeren als iets heerlijks, lichtends, onbereikbaars.
Wijl de uiterste onnoozelheid aan de uiterste coquetterie grenst, glimlachte zij hem openhartig toe.
Ongeduldig wachtte zij iederen dag het uur der wandeling, zij vond er Marius, gevoelde zich onuitsprekelijk gelukkig, en meende oprecht geheel haar gedachte uit te spreken, als zij tot Jean Valjean zeide: „welk een bekoorlijke tuin is het Luxembourg!”
Marius en Cosette stonden voor elkander in den nacht. Zij spraken, groetten, kenden elkander niet. Zij zagen elkander slechts, en even als de sterren aan den hemel, welke door millioenen mijlen gescheiden zijn, leefden zij in elkanders beschouwing.
Zoo werd Cosette allengskens een vrouw en ontwikkelde zich, schoon en beminnend, met de bewustheid harer schoonheid, en de onbekendheid harer liefde. Coquet was zij door haar onschuld.
















