Het onderzoek had plaats. ’t Was een ontzettende veldtocht; een nachtelijke veldslag tegen pest en verstikking. ’t Was tevens een ontdekkingsreis. Een der overlevenden van dezen ontdekkingstocht, een zeer schrander, toen nog jong werkman, verhaalde eenige jaren geleden de merkwaardige bijzonderheden, welke Bruneseau meende in zijn rapport aan den prefect van Politie te moeten verzwijgen, als niet gepast voor den administratiestijl. Men was destijds nog niet ver in de zuiveringsmethode. Nauwelijks was Bruneseau voorbij de eerste vertakkingen van het onderaardsche netwerk, toen acht van de twintig arbeiders weigerden verder te gaan. ’t Was een zeer moeielijke bewerking; het onderzoek eischte schoonmaking; en met de schoonmaking moest men tevens meten, de watermondingen opteekenen, de roosters en openingen tellen, de vertakkingen aangeven, benevens de strooming, ter plaatse waar zij zich verdeelden; van ieder der bekkens den omvang onderzoeken, de kleine riolen, die op het groote riool uitliepen, peilen, de hoogte van ieder gewelf in de breedte, zoowel aan het begin der gewelven als van den bodem meten, en zijn helling bepalen in verhouding met de oppervlakte van de straat. Met moeite vorderde men. Niet zelden stonden de ladders, waarmede men afdaalde, drie voeten in de modder. Het licht der lantaarn brandde nauwelijks in deze pestdampen. Nu en dan droeg men een bezwijmden baggerman weg. Op sommige plaatsen waren kolken. De bodem was gezakt, het plaveisel was ingestort en het riool was in een diepen grondeloozen put veranderd; eensklaps verzonk er een man in, die met veel moeite weder werd opgehaald. Op raad van Fourcroy ontstak men op zekere afstanden, op plaatsen die genoegzaam schoon gemaakt waren, groote kooien met werk, dat in teer gedoopt was. Op sommige plekken was de muur bedekt met afschuwelijke zwammen, die zweren en puisten geleken; zelfs de steen scheen in dezen verpesten dampkring ziek.
Bruneseau ging in zijn onderzoek met den stroom voort. Aan het scheidingspunt der twee waterleidingen van den Grand-Hurleur, vond hij op een vooruitstekenden steen het jaartal 1550; deze steen wees de grens aan, tot welken Philibert Delorme was gekomen, die van Hendrik II den last had ontvangen om den onderaardschen weg van Parijs te onderzoeken. Deze steen was voor het riool het merk der zestiende eeuw. Bruneseau vond het merk der zeventiende eeuw in het riool van Ponceau en in dat der straat Vieille-du-Temple, welke tusschen 1600 en 1650 verwelfd waren; en dat van de achttiende eeuw in het westelijk gedeelte van het hoofdkanaal, dat in 1740 gemetseld werd. Deze twee gewelven, vooral het jongste, dat van 1740, waren meer gescheurd en vervallen dan het metselwerk van het ringriool, dat van 1412 dagteekent, het tijdstip toen de versch-waterleiding van Menilmontant verheven werd tot de waardigheid van groot riool van Parijs, een bevordering gelijk staande met die van een boer tot eersten kamerdienaar des konings.
Men meende hier en daar, voornamelijk onder het Paleis van Justitie, de holen van oude cachotten te herkennen, welke in het riool zelf gemetseld waren. Afschuwelijke in pace. In een dezer cellen hing een ijzeren halsband. Zij werden alle dicht gemetseld. Men vond zonderlinge voorwerpen; onder andere het geraamte van een ourang-outang, die in 1800 uit den Plantentuin verdwenen was, welke verdwijning waarschijnlijk in verband stond met de beruchte en zekere verschijning des duivels in het laatste jaar der achttiende eeuw, in de Bernardijnsstraat. De arme duivel was eindelijk in het riool verdronken.
In het gewelf dat bij den boog Marion uitloopt, trok de volkomen goed bewaard gebleven draagkorf van een voddenraper de bewondering der deskundigen. Overal was in de modder, welke de baggerlieden eindelijk onvervaard behandelden, een overvloed van kostbare voorwerpen, gouden en zilveren kleinooden, edelsteenen, muntstukken. Een reus, die dit riool gezift had, zou in zijn zeef den rijkdom der eeuwen hebben gehad. Op het scheidingspunt der twee vertakkingen van de straat du Temple en die van St. Avoye, vond men een zonderlinge koperen medaille der Hugenoten, op welke aan de eene zijde een varken met een kardinaalshoed, en aan de andere zijde een wolf met de driekroon op den kop stond.
De verwonderlijkste ontmoeting was aan den ingang van het groote riool. Deze ingang was eertijds door een rasterwerk gesloten geweest, waarvan de hengsels nog aanwezig waren. Aan een dier hengsels hing een smerig vod, dat zeker, in ’t voorbijdrijven daar tegengehouden, in de duisternis fladderde en verder scheurde. Bruneseau onderzocht met zijn lantaarn het vod opmerkzaam. ’t Was zeer fijn batist en in een punt, die minder vergaan was dan het overige, onderscheidde men een geborduurde kroon, boven deze zeven letters LAVBESP. ’t Was een markiezenkroon en de zeven letters beteekenden: Laubespine. Men herkende in ’t geen men onder de oogen had een stuk van Marats lijkwade. Marat was in zijn jeugd verliefd geweest, toen hij in hoedanigheid van paardenarts tot het huis van den graaf van Artois behoorde. Van zijn, door de geschiedenis bevestigden, liefdehandel met een aanzienlijke dame was hem dit beddelaken gebleven. Een toegeëigend goed of gedachtenis. Wijl dit lijnwaad na zijn dood het eenige eenigszins fijne was, ’t welk hij bezat, had men hem er in gehuld. Oude vrouwen hadden hem voor het graf in dat doek gewikkeld, waarop de tragische vriend des volks den wellust had gesmaakt. Bruneseau ging verder; men liet het vod waar het was; men vernietigde het niet. Was het uit verachting of eerbied? Marat verdiende beide.
Het geheele onderzoek van den onderaardschen weg der vuilnis van Parijs duurde zeven jaren, van 1805 tot 1812.
Aldus maakte, bij den aanvang dezer eeuw, de oude maatschappij haar bodem schoon en ruimde haar riool op.
















