Het riool van Parijs was in de Middeleeuwen een legendenboek.
In de zestiende eeuw wilde Hendrik II een onderzoek beproeven, dat mislukte. Geen honderd jaren geleden, was het riool, Mercier getuigt het, aan zich zelf overgelaten en werd wat het kon.
Zóó was het oude Parijs aan twisten, weifelingen en blind onderzoek overgeleverd. ’t Was lang tamelijk dom. Later toonde 89 hoe de steden verstand krijgen. Maar in den goeden ouden tijd had de hoofdstad weinig verstand; zij kon noch zedelijk, noch stoffelijk haar zaken doen, en evenmin de vuilnis als de misbruiken wegvegen. Alles was een hinderpaal, alles was een vraagstuk. Het riool, bij voorbeeld, verzette zich tegen alle navorsching. Het gelukte den menschen evenmin hun weg daarin te vinden, als zich in de stad met elkander te verstaan; boven het onverstaanbare, beneden het onoplosbare; bij de spraakverwarring was de verwarring der onderaardsche gewelven; onder Babel de doolhof.
Soms gebeurde het, dat het riool van Parijs overliep, als ware deze miskende Nijl eensklaps door toorn bevangen. Er hadden afschuwelijke riooloverstroomingen plaats. Somwijlen was de spijsvertering van deze maag der beschaving slecht; het riool steeg op in de keel der stad en Parijs had den nasmaak van zijn slijk. Deze overeenkomst van het riool met de wroeging had iets goeds. ’t Waren waarschuwingen, die trouwens zeer kwalijk genomen werden; de stad was er over gebelgd, dat haar slijk zoo brutaal was, en wilde niet, dat de vuilnis terugkwam. Zij moest haar beter verjagen.
De overstrooming van 1802 is een der herinneringen van de tachtigjarige Parijzenaars. Het slijk verspreidde zich van alle kanten over het plein der Victoires, waar het beeld van Lodewijk XIV staat; het bedekte een gedeelte der straat van de Champs-Elysées tot een hoogte van vijf-en dertig duim. Het had zijn hoogste punt in de straat St. Pierre, waar het drie voet boven de straatsteenen stond, en zijn grootste uitgestrektheid in de straat St. Sabin, waar het zich tweehonderd acht-en-dertig el ver verspreidde.
In het begin dezer eeuw was het riool van Parijs nog een geheimzinnig oord. Het slijk kan nooit een goeden naam hebben; maar hier had zijn kwade naam iets schrikbarends. Parijs wist min of meer dat het een vreeselijken kelder onder zich had. Men sprak ervan, als van dien ontzaggelijken modderpoel te Thebe, waar duizendbeenen van vijftien voet lang wemelden, en die tot badplaats van Behemoth had kunnen dienen. De groote laarzen der baggerlieden waagden zich nooit verder dan tot zekere bekende punten. Men was nog niet ver van den tijd toen de vuilniskarren eenvoudig in het riool uitgestort werden. De ruiming ervan werd aan de plasregens overgelaten, die echter meer verstopten dan wegveegden. Rome liet zijn riool nog iets dichterlijks behouden en noemde het Gemonie; Parijs smaadde het zijne en noemde het ’t „stinkgat.” De wetenschap en het bijgeloof waren het eens ten aanzien van het afschuwelijke. Voor het stinkgat had de gezondheid niet minder afkeer dan de legende. Fagon had de vreeselijk kwaadaardige koorts van 1685 aan de groote monding van het riool in het Marais toegeschreven, die tot 1833 in de straat Saint Louis, bleef gapen. De mond van het riool in de straat de la Mortellerie was berucht wegens de pestziekten die er uit opstegen, als een drakenmuil die de hel op de menschen blies. De volksverbeelding verbond aan den donkeren zinkput van Parijs iets bovennatuurlijks, dat afgrijselijk was. Het riool was grondeloos. Het was het barathrum. De gedachte om deze melaatsche oorden te onderzoeken kwam zelfs niet bij de politie op. Wie had het gewaagd dit onbekende te betreden, die duisternis te peilen, ter onderzoeking in dien afgrond te dalen? ’t Was verschrikkelijk. Evenwel bood zich hiertoe iemand aan. Het riool had zijn Christoforus Columbus.
Op een dag in 1805, bij een dier zeldzame verschijningen van den keizer te Parijs, kwam de minister van Binnenlandsche Zaken op het petit lever van den meester. Men hoorde op het Carrouselplein de slepende sabels van al die ongemeene soldaten der groote republiek en van het groote keizerrijk; er was gedrang van helden voor de deur van Napoleon; mannen van den Rijn, van de Schelde, van de Etsch, en van den Nijl, krijgsmakkers van Joubert, Desaix, Marceaux, Hoche, Kléber; aerostaten van Fleurus, grenadiers van Metz, pontonniers van Genua, huzaren welke de piramiden gezien hadden, artilleristen welke de kanonskogel van Junot met aarde getroffen had; kurassiers die stormenderhand de in de Zuiderzee ter anker liggende vloot genomen hadden; de eenen waren Napoleon op de brug van Lodi gevolgd, de anderen hadden Murat in de loopgraaf van Mantua begeleid, weder anderen waren Lannes in den hollen weg van Montebello gevolgd. Het geheele leger van dien tijd was dáár, op ’t voorplein der Tuilerieën, vertegenwoordigd door een escouade of peloton, en Napoleon in zijn rust bewakende. ’t Was het schitterend tijdstip, toen het groote leger Marengo achter zich en Austerlitz voor zich had. – „Sire,” zei de minister van binnenlandsche zaken tot Napoleon, „ik heb gisteren den onversaagdsten man van uw rijk gezien.” – „Wie is die man?” vroeg de keizer, „en wat heeft hij gedaan?” – „Hij wil iets doen, sire.” – „Wat?” – „De riolen van Parijs onderzoeken.”
Deze man leefde en heette Bruneseau.
















