Het is niet genoeg, slecht te zijn, om fortuin te maken. De herberg wilde niet vooruit.
Met de zeven-en-vijftig francs van de vreemde vrouw had Thénardier een protest voorkomen en zijn schuldbekentenis kunnen voldoen. De volgende maand was er weder geldgebrek; de vrouw ging naar Parijs en beleende er in den lommerd de kleederen van Cosette voor zestig francs. Toen ook dat geld verteerd was, gewenden Thénardier en zijn vrouw er zich aan, in het meisje slechts een kind te zien, dat zij uit medelijden bij zich hielden en behandelden haar daarnaar. Nu de kleine geen kleertjes meer had, lieten ze haar de versleten rokjes en hemden der jonge Thénardier’s dragen, dat wil zeggen: lompen. Men voedde haar overigens met allerlei klieken, een weinig beter dan den hond en slechter dan de kat; Cosette at met deze dieren onder de tafel van een houten bord, evenals zij hadden.
Haar moeder, die zich, zooals men later zal zien, te M. sur M. had gevestigd, schreef, of liever liet maandelijks schrijven, om iets nopens haar kind te vernemen. De Thénardier’s antwoordden onveranderlijk: Cosette is volmaakt wel.
Toen de eerste zes maanden verstreken waren, zond de moeder zeven francs voor de zevende maand, en ging daarmede zeer stipt iedere maand voort. Het jaar was nog niet geëindigd, toen Thénardier zeide: – ’t Is een aardig voordeel, dat zij ons aanbrengt; wat kan ons zeven francs helpen! – en hij schreef, dat hij er twaalf moest hebben. De moeder, welke hij in den waan hield dat haar kind gelukkig was en „goed aankwam,” onderwierp zich en zond de twaalf francs.
Sommige karakters kunnen niet aan de eene zijde beminnen, zonder aan de andere te haten. Moeder Thénardier beminde hartstochtelijk haar eigen beide kinderen, en daarom haatte zij het vreemde meisje. ’t Is een treurig denkbeeld, dat ook de liefde eener moeder een slechte zijde kan hebben. Hoe weinig plaats Cosette in het huis ook innam, toch kwam het haar voor, dat ze ten koste harer kinderen verkregen was, en dat de kleine de lucht verminderde, welke haar meisjes inademden. Deze vrouw had, gelijk vele vrouwen harer soort, een zekere hoeveelheid liefkoozingen en een zekere hoeveelheid slagen en scheldwoorden, waarvan zij zich dagelijks moest ontlasten. Zoo zij Cosette niet had gehad, is het zeker, dat haar dochters, hoe zeer zij die ook beminde, het een met het ander zouden ontvangen hebben. Nu kregen haar dochters alleen de liefkoozingen. Cosette kon zich niet verroeren, of een hagelbui van onverdiende hevige bestraffingen viel op haar hoofd neder. Het zachte, zwakke wezen, dat noch van God, noch van de wereld iets begreep, werd gestadig gestraft, beknord, gestooten, geslagen, terwijl zij nevens zich twee kleine schepseltjes als zij zag, die in een straal van ’t morgenrood leefden.
Dewijl vrouw Thénardier ondeugend voor Cosette was, waren Eponine en Azelma het ook. Kinderen van dien leeftijd zijn slechts afdrukken der moeder. Het formaat is alleen kleiner; dat is het onderscheid.
Een jaar verstreek; ook een tweede.
Men zeide in het dorp:
„De Thénardier’s zijn toch brave menschen. Schoon ze niet rijk zijn, brengen zij toch een arm kind op, dat men bij hen heeft achtergelaten.” Men meende, dat Cosette door haar moeder vergeten werd. Inmiddels eischte Thénardier, die op eene of andere bedekte wijze vernomen had, dat het kind waarschijnlijk een onwettig kind was en de moeder het niet kon wettigen, vijftien francs ’s maands, zeggende, dat het „ding” grooter werd en hoe langer hoe meer „at” en dreigende het terug te zenden. „Zij moet mij niet wat wijs willen maken!” riep hij, „of ik gooi haar haar popje als een bom in haar geheime zaakjes. Ik moet meer hebben.” De moeder betaalde de vijftien francs.
Van jaar tot jaar werd het meisje grooter, maar ook haar ellende.
Zoolang Cosette klein was, moest zij alles van de twee andere kinderen dulden: zoodra zij zich een weinig begon te ontwikkelen, dat wil zeggen, vóór zij nog vijf jaar oud was, werd zij de dienstmaagd van het huis.
Vijf jaar, zal men zeggen, dit is onwaarschijnlijk. Helaas, ’t is toch waar. Het maatschappelijk lijden begint op elken leeftijd. Hebben wij niet onlangs het proces van een zekeren Dumollard gehad, die van weeskind moordenaar werd, en reeds op vijfjarigen leeftijd, zooals de gerechtsstukken bewijzen, alleen op zich zelven stond, en „voor zijn onderhoud werkte, en stal.”
Men liet Cosette boodschappen doen, de kamers schoon maken, de plaats, de straat schrobben, de borden wasschen en zelfs zware vrachten dragen.
De Thénardier’s meenden te eerder tot deze handelwijze gerechtigd te zijn, wijl de moeder, die steeds te M. sur M. was, ongeregelder begon te betalen. Zij was reeds eenige maanden ten achter.
Zoo deze moeder na verloop van drie jaren te Montfermeil ware teruggekeerd, zou zij haar kind niet herkend hebben. Cosette, bij haar komst in dat huis zoo lief en frisch, was nu mager en bleek. Zij had iets onbeschrijfelijk schuws in haar gedrag. Gluipster, noemden haar de Thénardier’s.
De onrechtvaardige behandeling welke zij onderging had haar bits, en het lijden leelijk gemaakt. Zij had niets overgehouden dan haar schoone oogen, die treurigheid inboezemden; want daar zij groot waren, scheen men er zooveel te meer treurigheid in te zien.
’t Was hartverscheurend, wanneer men des winters het arme meisje, dat nog geen zes jaar oud was, bibberend in haar gescheurde katoenen lompen, vóór het licht was, met een grooten bezem in de kleine roode handjes en met tranen in de groote oogen, de straat zag vegen.
Men noemde haar in het plaatsje den leeuwerik. Het volk, dat van beeldspraak houdt, gaf dien naam aan dit kleine schepseltje, dat schuw, angstig en trillende als een vogel, elken ochtend het eerst in het huis en het dorp wakker, en steeds vóór den dageraad op de straat of op het veld was.
Maar de arme leeuwerik zong nooit.
















