Zondag, 19/04/2026 - 15:39

Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.

De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel, en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had, was die van Jean Valjean.

Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. ’t Was door hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een ongodsdienstige handeling ware.

Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.

De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag, terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.

Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergte in de straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën, voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. ’t Was in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.

Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond, leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.

De toestand was vreeselijk.

Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men zag boven haar top een rij bajonetten. ’t Waren de liniesoldaten, die, aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in ’t oog hielden. ’t Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam, tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.

Wat te doen?

Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.

En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo ’t slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.

Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.

Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten zoo onmeedoogend bewaakt werd, zag hij, onder een hoop straatsteenen half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet in ’t vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.

Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een soort van lange onderaardsche gang.

Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.

Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij nu wegvoerde, was niet meer Cosette, ’t was Marius.

Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *