Maandag, 20/04/2026 - 05:44

I.

Het was reeds de derde maand, dat de Lewins in Moskou woonden.

Het tijdstip, waarop volgens de nauwkeurigste berekeningen Kitty bevallen moest, was reeds lang voorbij, maar zij was nog altijd op de been en aan niets was te bemerken, dat zij veel nader bij dat tijdstip was dan voor twee maanden. De dokter, de vroedvrouw, Dolly en haar moeder, maar bovenal Lewin, die niet zonder ontzetting kon denken aan hetgeen komen zou, begonnen angstig ongeduldig te worden; slechts Kitty zelf gevoelde zich gelukkig en wel.

Allen, die zij liefhad, waren bij haar, verzorgden haar en waren zoo goed voor haar, dat zij zich geen beter leven had kunnen wenschen, wanneer zij zich niet van de spoedig naderende beslissing bewust was geweest. Het eenige, wat minder gunstig op haar gestel werkte, was, dat Lewins houding niet was, zooals zij wenschte en zooals zij het liefst hem zou gezien hebben.

Zijn kalme, vriendelijke, gastvrije toon op het land beviel haar. Hier in de stad scheen hij bestendig in onrust en als het ware op de loer, alsof hij vreesde, dat iemand hem of hoofdzakelijk haar kon beleedigen. Ginds op het land gevoelde hij zich op zijn plaats, overijlde zich nooit en was nooit ledig. Hier in de stad daarentegen overijlde hij zich altijd, wilde niets verzuimen en wist niet waarmee zich bezig te houden. En wat zou hij ook doen? Kaartspel was niets voor hem; naar de sociëteit ging hij niet; het verkeer met levenslustige lieden zooals Oblonsky? Zij wist nu, wat dat beteekende: dat beteekende wijn drinken en na het drinkgelag verder hier of daar heengaan; zonder ontzetting kon zij er niet aan denken, waarheen in zulke gevallen de mannen eigenlijk gingen; zij wist, dat in deze amusementen zekere jonge vrouwen een rol spoelden, en dat was haar volstrekt niet naar den zin. Dus bij haar thuis zitten en zich met haar, haar moeder en de zusters bezig houden? Maar hoe vroolijk en onderhoudend haar zelf ook altijd deze gesprekken schenen, hem verveelden ze. Wat bleef hem dus nog over? Zou hij aan zijn boek verder schrijven? Hij had dat reeds beproefd, maar hij had haar bekend, dat, hoe minder hij te doen had, hij des te minder tijd overhield.

Slechts één voordeel had het leven in de stad: zij kibbelden hier in ’t geheel niet meer.

Waren zij nu zelf in dit opzicht voorzichtiger of verstandiger geworden? Genoeg, zij hadden in Moskou in ’t geheel deze tooneelen vol ijverzucht niet, waarvoor zij bij hun verhuizen daarheen zoo zeer gevreesd hadden. En toch viel er in dit opzicht iets voor beiden hoogst gewichtigs voor, namelijk een ontmoeting van Kitty met Wronsky.

De oude vorstin Marie Borissowna, een peettante van Kitty, van wie zij veel hield, had den levendigen wensch geuit, Kitty, die wegens haar toestand slechts zelden uitreed, te zien, en zoo reed deze er met haar vader heen. Daar troffen zij ook Wronsky aan.

Bij deze ontmoeting kon Kitty zich slechts verwijten, dat haar in het eerste oogenblik, toen zij de haar zoo welbekende trekken voor de eerste maal in burgerkleeding wederzag, de adem stokte en het bloed haar naar het hart drong, zoodat zij voelde, dat een blos haar gelaat bedekte. Maar dat duurde slechts weinige seconden. Haar vader had zijn gesprek, dat hij met opzet terstond op luiden toon met Wronsky begonnen had, nog niet geëindigd, toen zij er ook reeds volkomen op voorbereid was met hem evenzoo te spreken als met vorstin Marie Borissowna en vooral zoo, dat haar echtgenoot, wiens onzichtbare tegenwoordigheid zij als het ware in deze oogenblikken gevoelde, iederen toon en ieder lachje zou gebillijkt hebben.

Zij wisselden eenige woorden met elkander, zij glimlachte zelfs om een scherts van hem, terwijl hij van de verkiezingen vertelde, en deze “ons parlement” noemde. Maar terstond wendde zij zich weer tot haar peettante en zag hem niet meer aan, totdat hij opstond en voor haar boog.

Toen zij Lewin vertelde, dat zij Wronsky ontmoet had, bloosde deze nog veel sterker dan zij. Het was haar reeds zeer zwaar gevallen het hem mede te deelen, maar nog zwaarder viel het haar hem alle bizonderheden der ontmoeting te berichten, omdat hij haar daar niet naar vroeg, maar haar slechts met gefronsd voorhoofd aanzag.

“Het spijt me erg, dat gij er niet bij zijt geweest,” zeide zij. “Maar het was toch goed, dat je niet in de kamer waart, anders was ik natuurlijk niet gebleven. Nu krijg ik veel, veel meer een kleur!” voegde zij er bij en bloosde inderdaad tot tranen toe. “Maar gij hadt door het sleutelgat mogen zien.”

Haar oprechte oogen zeiden hem, dat zij over zich zelf tevreden was, en niettegenstaande zij bloosde, stelde hij zich toch terstond gerust en begon haar haarfijn over alles uit te vragen, en dat was juist wat zij wenschte. Nadat hij alles nauwkeurig vernomen had, zeide hij, dat hij bij de eerste gelegenheid Wronsky vriendschappelijk naderen wilde, want het was zoo kwellend zich iemand bijna altijd als een vijand te moeten voorstellen.

“Ik verheug mij wezenlijk zeer!” zeide hij.

II.

“Doe mij dus het genoegen eens een bezoek bij de Bohls te brengen,” sprak Kitty tot haar man, toen hij tegen elf uur, voor hij uitging, bij haar binnentrad. “Ik weet reeds, dat gij vanmiddag in de sociëteit zult blijven, papa heeft voor u mede onderteekend. Maar wat wil je den geheelen middag aanvangen?”

“In de eerste plaats wil ik Katawassow bezoeken; hij heeft mij beloofd, mij met Matrosch, den beroemden geleerde, bekend te maken.”

“En daarna?”

“Dan zal ik wel wegens de aangelegenheid mijner zuster naar de rechtbank moeten.”

“Ga je ook naar het concert?” vroeg zij.

“Misschien, maar in allen geval kijk ik na het diner nog eens even bij je in,” antwoordde hij naar de klok ziende.

“Trek je zwarte rok aan, dan kun je terstond naar gravin Bohl rijden.”

“Is dat dan noodig?”

“Zeer zeker. Hij is ook bij ons geweest. Wat geef je daar nu om? Weet je, je gaat zitten, spreekt eenige minuten over het weer, staat dan weer op en rijdt weg.”

“Maar je kunt niet gelooven, hoe ik daar afgewend ben, zoodat ik mij bepaald geneer. Waartoe dient het ook. Daar komt een vreemd mensch, hij gaat zitten en zit daar, zonder dat hij iets bizonders te doen heeft, hij stoort een ander slechts, windt zich zelf op en gaat dan weer heen!”

Kitty lachte.

“Als ongetrouwd heer heb je toch wel visites gemaakt,” zeide zij.

“Ja, maar dan schaamde ik mij ook altijd en nu ben ik er geheel afgewend; waarachtig, ik zou mij liever laten slaan, als het maar niemand zag, dan zulke visites maken. Het komt mij altijd voor, alsof zij het mij kwalijk moeten nemen en mij vragen: Wat wil je hier bij ons, zonder dat je er iets te doen hebt?”

“Neen, zij zullen het je niet kwalijk nemen, daarvoor sta ik je in,” antwoordde Kitty lachend. “Maar, Kostja, weet je, ik heb nog slechts vijftig roebel.”

“Dan moet ik nog iets van de bank halen. Hoeveel?” vroeg hij met een gebaar van ontevredenheid, dat zij kende.

“Neen, wacht eens. Wij zullen daarover spreken. Dat verontrust mij. Ik bedoel, ik geef niets onnoodigs uit, maar het geld glijdt iemand zoo door de vingers. In het een of ander leggen wij het verkeerd aan.”

Hij was inderdaad ontevreden, maar minder omdat er te veel geld gebruikt was, dan wel omdat hij aan datgene herinnerd werd, wat hij bijna had vergeten.

“Ik heb Solokom gelast de tarwe te verkoopen en de pacht voor den molen vooruit te innen. Aan geld zal ’t ons in allen geval niet ontbreken.”

“Neen, waarlijk! Het spijt mij soms, dat ik naar mama geluisterd heb. Hoe goed zou het voor ons op het land geweest zijn! Hier kwel ik u allen slechts en het geld wordt verkwist….”

“Volstrekt niet, volstrekt niet! Zoo lang ik getrouwd ben, heb ik geen tijd gehad, waarvan ik kon zeggen, dat hij beter geweest is dan de tegenwoordige.”

“Waarlijk?” vroeg zij hem in de oogen ziende. Hij had dit maar zoo losweg gezegd om haar gerust te stellen. Maar toen hij nu deze oprechte, lieve oogen zag, die zoo vragend op hem gericht waren, herhaalde hij het uit het diepst van zijn ziel.

Slechts in den eersten tijd in Moskou hadden de voor een landman zoo onproductieve en toch onvermijdelijke uitgaven, waartoe hij zich van alle kanten genoodzaakt zag, een zekeren indruk op Lewin gemaakt. Maar nu had hij er zich reeds aan gewend. Het ging hem als de dronkaards, waarvan men zegt, dat het eerste glas hun toeschijnt als een paal, het tweede als een duif en het derde als een klein vogeltje. Toen Lewin de eerste banknoot van honderd roebel voor de nieuwe livreien van den bediende en den koetsier had moeten wisselen, berekende hij geheel onwillekeurig, dat het volkomen nuttelooze livreien waren, maar onvermijdelijk volgens de begrippen van Kitty en haar moeder, die zich in den hoogsten graad verwonderden over de opmerking, dat men er ook zonder livreien kon komen en dat deze ongeveer zooveel kostten als het loon van driehonderd dagen zwaren arbeid van den morgen tot den avond; deze eerste banknoot van honderd roebel slikte hij als een langen paal. Maar reeds de volgende, die hij voor een familiediner, dat achtentwintig roebel had gekost, had moeten laten wisselen, verdween toch reeds gemakkelijker dan een duif, hoewel hij daarbij de gedachten niet kon weren, dat achtentwintig roebel evenveel was als negen tschetwert haver, die onder zweet en zuchten gezaaid, gemaaid, gedorscht en opgeborgen werden. Maar de later gewisselde banknoten riepen volstrekt niet meer zulke gedachten bij hem te voorschijn, maar verdwenen als kleine vogeltjes. Of het voor dit geld gekochte genoegen een even groot gewin was, als de arbeid had kunnen schenken, die er verricht zou moeten worden om het te verdienen, was voor hem een reeds lang overwonnen bedenking geworden. Ook zijn landhuishoudkundig principe, zijn koren nooit onder den prijs te verkoopen, was reeds door hem vergeten. Slechts dit ééne noodige stond nog op den voorgrond, dat hij steeds genoeg geld in de bank had staan om er morgen vleesch voor te kunnen koopen; en dit geld raakte nu op, en hij wist niet recht, waar hij ander vandaan zou halen. Daarom was hij zoo wrevelig geworden, toen Kitty van geld was beginnen te spreken; maar nu had hij geen tijd om daarover na te denken.

III.

Lewin kwam op tijd in de club, waar ook de leden en gasten verschenen. Sedert hij de universiteit verlaten en gezelschappen bezocht had, was hij in geen club meer geweest. Hij herinnerde er zich nog de inrichting van, en toen hij de deur was binnengegaan en de breede, met tapijten belegde trap opklom, ontving hij denzelfden indruk als in vroeger jaren, den indruk van ontspanning, van een goed leven en van voornaamheid.

Hij ging naar de tafels, die bijna alle reeds bezet waren, en monsterde de gasten. Hij trof hier en daar oudere en jongere, hem bijna niet meer bekende lieden aan. Daar zaten Swijaschsky en Tscherbatzky, Newadewsky, de oude vorst, Wronsky en Sergej Iwanowitsch.

“Hierheen, Lewin!” riep de goedhartige stem van Turowzin, die bij een jong officier zat. Naast hen stonden nog twee onbezette stoelen. Lewin naderde hen verheugd.

“Daar zijn nog twee plaatsen voor u en Oblonsky. Hij zal ook wel spoedig komen.”

De officier met zeer rechte houding en steeds lachende oogen was een
Petersburger, Gagin genaamd. Turowzin stelde ze aan elkander voor.

“Ah, daar is Oblonsky ook reeds.”

“Ben je ook nu eerst gekomen?” vroeg deze Lewin naderend. “Goeden avond!”

Bij een vischsoep liet Gagin terstond champagne komen en des vier glazen werden gevuld. Lewin sloeg de hem aangeboden wijn niet af en bestelde de tweede flesch. Hij was hongerig, at en dronk met veel smaak en nam met nog grooter genoegen aan het vroolijke, ongezochte gesprek zijner kameraden deel. Gagin vertelde met gedempte stem een nieuwe Petersburger anecdote, die, hoewel dubbelzinnig, evenwel zoo koddig was, dat Lewin er zoo luid om lachte, dat degenen, die in de nabijheid zaten, zich naar hem omwendden. Toen gaf ook Stiwa een zeer vroolijke geschiedenis ten beste en ook Lewin vertelde er een, die recht beviel. Vervolgens kwam het gesprek op paarden en op een wedren, die dien dag had plaats gehad, en hoe dapper er Wronsky’s “Alladin” den eersten prijs had behaald.

“Ha, ben jij daar ook!” zei Stipan Arkadiewitsch na afloop van hun maaltijd, terwijl hij zich over de stoelleuning terugboog en Wronsky de hand reikte, die juist met een langen gardeofficier achter hen langs ging. Uit Wronsky’s gelaat straalde een bizonder opgewekte, aan het clubleven eigen bonhommie. Hij boog zich vertrouwelijk over Stiwa’s schouder, fluisterde hem iets in en reikte toen met denzelfden glimlach de hand aan Lewin.

“Ik verheug mij u te zien,” zeide hij.

“En ik feliciteer u,” antwoordde Lewin. “Het was een mooie wedren.”

“U houdt immers ook renpaarden?”

“Neen, maar mijn vader hield ze wel. Ik herinner mij dit nog en daarom ken ik er nog iets van.”

“Waar heb je gezeten?” vroeg Stipan Oblonsky.

“Achter de zuil, aan de tweede tafel.”

“Wij hebben hem geluk gewenscht,” zeide de garde-overste. “Reeds de tweede keizersprijs! Ik wou, dat ik evenveel geluk in het kaartspel had als hij met de paarden. Maar laat ons den gouden tijd niet verliezen. Ik ga naar het infernalium,” zeide de overste en verwijderde zich.

“Dat is Jawschin,” antwoordde Wronsky op een vraag van Turowzin, terwijl hij plaats nam op een nog vrijen stoel aan hun tafel. Hij nam het hem aangeboden glas aan en bestelde nog een flesch.

Onder den invloed van het clubleven en den reeds gedronken wijn knoopte Lewin met Wronsky een gesprek aan over de beste veerassen en verheugde zich zeer, bij hem geen vijandelijk gevoel te bespeuren. Hij zeide hem zelfs, hoe zijn vrouw hem verteld had, dat zij hem bij vorstin Marie Borissowna had aangetroffen.

“O, vorstin Marie Borissowna! Die is verrukkelijk!” zeide Stipan Arkadiewitsch en vertelde nu van haar een anecdote, waar allen om moesten lachen. Vooral Wronsky lachte zoo hartelijk, dat zich Lewin geheel met hem verzoend gevoelde.

“Ben jelui klaar?” zei Stipan opstaande. “Komt dan!”

IV.

Ook Lewin stond op en voelde bij het gaan, dat zich zijn armen bizonder licht en vast bewogen. Bij het doorloopen van de groote zaal ontmoette hij zijn schoonvader. Druk sprekende en de kennissen groetende, die zij ontmoetten, gingen zij alle kamers door: een groote, waar de speeltafeltjes gereed stonden en de gewone partners een niet hoog spel speelden; de sophakamer, waarin geschaakt werd en waar Sergej Iwanowitsch met een bekende in gesprek was; de billardkamer, waar een vroolijk gezelschap bij den champagne zat en waarbij ook de Petersburger Gagin ging zitten. Zij gingen ook behoedzaam het geluid hunner schreden dempende, door de leeskamer, waar een jonge man met een somber gelaat in de journalen bladerde en een kaalhoofdig generaal in de lectuur verdiept was. Zij kwamen ook in een vertrek, dat de oude vorst de “wijze” kamer noemde, en hier spraken drie heeren ijverig over de laatste politieke berichten.

Hier verliet de oude vorst Lewin en deze begaf zich op weg om Oblonsky en Turowzin op te zoeken, wier gezelschap hem het aangenaamst was.

Hij vond Turowzin in de billardkamer en Stipan Arkadiewitsch in de deur in gesprek met Wronsky.

“Niet, dat zij zich juist verveelt, maar dit onzekere en onbesliste in haar toestand….” hoorde Lewin Wronsky zeggen en wilde zich verwijderen. Maar Stipan Arkadiewitsch riep hem aan: “Lewin!”

Lewin bemerkte in Oblonsky’s oogen een vochtigen glans, dien zij altijd hadden, wanneer hij rijkelijk gedronken had of wanneer hij ontroerd was. Nu was het eene en het andere het geval.

“Ga niet weg, Lewin,” zeide hij en drukte zachtjes zijn arm. “Hij is mijn intiemste, zoo niet mijn beste vriend,” zeide hij tot Wronsky. “Ook gij zijt mij na en zijt mij dierbaar. En ik wensch, dit weet hij, dat ook gij met elkander bevriend zult worden en elkander nader leert kennen, want gij beiden zijt goede menschen.”

“Nu, dan blijft ons niets over dan elkander te omhelzen,” schertste
Wronsky op goedhartigen toon, terwijl hij Lewin de hand reikte.

Deze sloeg snel toe en drukte ze stevig.

“Kellner! Een flesch sect!” riep Stipan Arkadiewitsch.

“’t Doet me veel genoegen,” zeide Wronsky; maar ondanks hun wederzijdschen wensch en dien van Stiwa, hadden zij elkander niets te zeggen en beiden gevoelden dat.

“Gij weet, dat hij Anna nog niet kent,” zeide Oblonsky tot Wronsky. “Ik breng hem bepaald bij haar. Wij willen er met hem heenrijden.”

“Anders gaarne,” antwoordde Wronsky, maar ik ben ongerust over
Jawschin. Ik moet hier blijven, tot hij klaar is.”

“Speelt hij slecht?”

“Hij speelt zonder ophouden en ik ben de eenige, die hem dan terughouden kan.”

Stipan Arkadiewitsch nam Lewin onder den arm.

“Hoor eens, doe mij en Dolly en vele andere het genoegen en rijd terstond met mij naar mijn zuster Anna. Zij is te huis. Ik heb het haar reeds lang moeten beloven je eens mee te brengen. Waarheen wilde je van avond anders?”

“Naar niets bizonders. Ik heb Schwijaschsky slechts beloofd met hem naar de landbouwvereeniging te gaan. Wanneer je dus wilt, kunnen wij er heenrijden,” antwoordde Lewin.

“Mooi! Ga eens zien, of mijn rijtuig er is,” wendde zich Oblonsky tot een societeitsbediende.

V.

Oblonky’s wagen kwam voor en hij steeg er met Lewin in.

“Wat doet het mij genoegen, dat je haar nu leert kennen. Gij weet, dat Dolly het altijd gewenscht heeft, en hoewel zij mijn zuster is, mag ik toch wel beweren, dat zij een buitengewone vrouw is. Enfin, je zult haar zien. Haar positie is zeer moeielijk, vooral nu.”

“Waarom dan juist nu?”

“Wegens vroegere onderhandelingen met haar man betreffende de scheiding. Hij was volkomen bereid, maar nu rijzen er eenige bezwaren wegens den zoon, en deze aangelegenheid is nu al drie maanden op de lange baan gebleven. Als het tot de scheiding komt, trouwt zij dadelijk met Wronsky.”

“Wat zijn er dan nog voor bezwaren?” vroeg Lewin.

“Och, dat is een lange en vervelende geschiedenis! Bij ons is immers alles zoo onbestemd. Maar het is er nu zoo mee gelegen: in afwachting van de scheiding woont zij nu reeds drie maanden hier in Moskou, gaat nergens heen, ontvangt behalve Dolly geen dame, want je zult begrijpen, dat zij geen bezoeken uit genade wenscht; dan is ze nu ook gebrouilleerd met die dame vorstin Warwara. Een andere vrouw zou in haar positie niet weten wat aan te vangen. Maar zij – nu, je zult eens zien, hoe zij haar leven heeft weten in te richten; hoe kalm en waardig zij zich houdt. – Hier links in de zijstraat, tegenover de kerk!” riep hij uit het portier. “Poeh! hoe warm!” zuchtte hij en sloeg zijn reeds eerder opgeslagen pels ondanks de twaalf graden koude nog verder open.

“Zij heeft immers ook een dochtertje. Daarmede houdt zij zich zeker veel bezig?” vroeg Lewin.

“Het schijnt, dat ge u een vrouw slechts als een soort wijfje, une couveuse, voorstelt,” zeide Stiwa. “Als zij bezig is, dan moet dit altijd met kinderen zijn. Ik geloof, dat zij ze uitstekend opvoedt, maar men hoort daar nooit iets van. Haar bezigheid bestaat vooreerst in schrijven – neen, ik zie dat gij ironisch lacht – maar dat is onrecht – zij schrijft een kinderboek, maar spreekt er met niemand over; zij heeft het mij alleen eens voorgelezen en ik heb het manuscript aan Workuw gegeven … weet je, den uitgever. En ik geloof, dat hij ook zoo’n beetje schrijft. Maar je meent misschien, dat zij zoo’n soort blauwkous is? In het minst niet! Zij is in de eerste plaats een vrouw van gemoed, en je zult bij haar nog een kleine Engelsche en een geheele familie vinden, waarvoor zij zorgt.”

“Dus zoo’n beetje philantropie?”

“Je wilt in alles iets slechts zien. Geen philantropie, maar het komt uit het hart. Zie, als ik wel heb, had Wronsky een pikeur, een Engelschman, die een meester in zijn vak, maar helaas een dronkaard was. Hij was op het laatst zoo verdronken, dat hij delirium tremens kreeg en zijn familie in den steek liet. Zij zag die armen, hielp hen, interesseerde zich voor hen en heeft nu de geheele familie tot zich genomen; en zij behandelt ze niet uit de hoogte en helpt ze slechts met geld, neen, zij maakt de jongens zelf voor het gymnasium klaar en het kleine meisje heeft zij geheel tot zich genomen. Enfin, je zult het zelf zien.”

De wagen reed het plein op. Stipan Arkadiewitsch schelde luid aan de inrijpoort, waar reeds een slede stond. Zonder den portier te vragen, of Anna thuis was, trad hij, gevolgd door Lewin, die er hoe langer hoe meer aan begon te twijfelen, of hij wel goed handelde, de voorkamer der rijk gemeubileerde woning binnen.

Lewin beschouwde zich hier in den spiegel; hij vond, dat hij er wel rood uitzag, maar was overtuigd, dat hij volstrekt niet te veel gedronken had. Hij ging dus achter Oblonsky aan de met tapijten belegde trap op. Boven gekomen informeerde Oblonsky bij den bediende, welke bezoekers er bij Anna Arkadiewna waren, en kreeg tot antwoord: “De heer Workuw.”

“Waar zijn zij?”

“In het kabinet.”

Zij gingen door de kleine eetkamer met donkere houten wanden, toen naderden zij over mollige tapijten het halfdonkere kabinet, dat door een met een donker scherm bedekte lamp verlicht werd. Een tweede lamp, een refractor, brandde aan den wand en verlichtte het levensgroote portret eener dame, dat onwillekeurig Lewins aandacht tot zich trok. Het was het portret van Anna, dat in Italië vervaardigd was. Oblonsky was reeds achter het traliewerk der klimplanten getreden, terwijl Lewin geheel verdiept was in de aanschouwing van het beeld en daarbij geheel vergat, waar hij was, en ook niet wist, wat in zijn onmiddellijke nabijheid gesproken werd.

Dat was geen beeltenis, dat was een levende vrouw met zwart, krullend haar, naakte schouders en armen, met een peinzenden glimlach op de met een zacht dons bedekte lippen, die hem teeder en van haar zege bewust met de betooverende oogen aankeek. Slechts daarom kon zij niet levend zijn, omdat zij schooner was, dan een levend wezen zijn kon.

“Het doet mij veel genoegen,” zeide een tot hem gerichte damesstem, de stem derzelfde vrouw, wier beeltenis hij verrukt aanstaarde. Anna was van achter de schutting van klimplanten te voorschijn getreden, en in het halfdonker van het kabinet herkende Lewin dezelfde vrouw, maar in een donkerblauw kleed, in een andere houding en met veranderde gelaatsuitdrukking, maar toch met dezelfde schoonheid, waarmede de kunstenaar haar geschilderd had, minder schitterend, maar daarvoor werkelijk levend.

VI.

Zij trad hem te gemoet, zonder hem haar vreugde te verbergen, dat zij hem zag, en aan de kalmte, waarmede zij hem haar kleine, energieke hand toereikte, hem aan Workuw voorstelde en hem een klein, roodharig meisje presenteerde, dat in de nabijheid met een werkje bezig was en door haar als haar pleegdochter werd aangeduid, herkende hij de hem bekende en steeds aangename manieren eener dame uit de groote wereld, altijd bedaard en altijd natuurlijk.

“Het doet mij veel, veel genoegen,” herhaalde zij, maar deze eenvoudige, overal gebruikelijke woorden kregen in haar mond voor Lewin een bizondere beteekenis. “Door uw vriendschap met Stiwa en door uw vrouw ken ik u reeds lang; uw vrouw heb ik slechts korten tijd gekend, maar zij heeft bij mij den indruk van een bekoorlijke bloem, ja van een bloem achtergelaten. En zij zal nu spoedig moeder zijn?”

Zij sprak zonder zich te overhaasten, nu eens van Lewin naar haar broeder, dan weder naar den eersten ziende. Lewin gevoelde, dat de eerste indruk, dien hij op haar gemaakt had, goed was en het werd hem in haar tegenwoordigheid terstond licht en aangenaam om het hart, als had hij haar reeds van zijn kindsheid af gekend.

“Iwan Iwanowitsch en ik hebben ons hier in Alexei’s kabinet begeven,” antwoordde zij op Stiwa’s vraag, of men hier rooken mocht, “juist om te rooken.” En zij schoof Lewin een schildpadden cigarenkistje toe en nam er zelf een cigaar uit.

“Hoe gaat het met uw gezondheid?” vroeg haar broeder haar.

“Niet slechter. Zenuwen zooals altijd.”

“Niet waar? Een buitengewoon schoon beeld?” vroeg hij Lewin, die herhaaldelijk naar de schilderij zag.

“Ik heb nooit een schooner gezien.”

“En buitengewoon gelijkend,” zeide Workuw.

Lewin zag van het portret naar het origineel. Een eigenaardige glans vloog over Anna’s gelaat op het oogenblik, dat zij zijn blik op haar voelde rusten. Lewin kleurde en, om zijn verlegenheid te verbergen, wilde hij haar juist iets over Dolly vragen, toen zij hem reeds voorkwam.

“Wij spraken juist, voor gij binnenkwaamt, van de laatste portretten van Waschtschenkow…. Kent u ze?”

“Ja, ik heb ze gezien,” antwoordde Lewin; “maar zij zijn mij niet bevallen.”

Anna sprak niet alleen natuurlijk, maar ook geestig; toch uitte zij haar gedachten op zulk een losse wijze, alsof zij er volstrekt geen beteekenis aan hechtte, maar daarentegen aan de woorden van haar bezoeker veel gewicht toekende.

Het gesprek kwam spoedig op de nieuwe richting in de kunst, in ’t bizonder op de nieuwe illustrateurs van den bijbel en de nieuwere Fransche kunstenaars. Workuw beschuldigde hen van realisme, dat in ruwheid ontaard was. Lewin meende, dat de Franschen het conventioneele in de kunst, zooals niemand buiten hen, bereikt hadden en dat zij daarom door reactie in den terugkeer tot het realisme een bizondere verdienste zagen; zij vonden nu hierin hun ideaal, omdat er meer waarheid in was gelegen.

Nog nooit had Lewin bij een door hem geuite geestige opmerking zooveel genoegen gesmaakt, als bij deze. Want Anna’s gezicht was plotseling verhelderd en zij waardeerde deze gedachten ten volle. Zij lachte.

“Ik lach,” zeide zij, “als iemand, die plotseling een treffend gelijkend portret ziet. Wat u daar juist gezegd heeft karakteriseert volkomen de geheele tegenwoordige Fransche kunst, zoowel de schilderkunst als de litteratuur: Doré, Zola, Daudet! Maar dat is misschien altijd zoo, men bouwt zijn concepties uit conventioneel uitgedachte gestalten, men maakt alle mogelijke combinaties, totdat de uitgedachte figuren vervelend worden en men weder aanvangt in het ware en natuurlijke smaak te vinden.”

“Dat is volkomen waar,” bevestigde ook Workuw.”

“Gij zijt dus in de club geweest?” wendde zich Anna tot haar broeder.

“Dat is eerst een vrouw!” dacht Lewin geheel zich zelf vergetend en beschouwde onafgebroken haar schoon, levendig bewogen gelaat, dat plotseling geheel veranderd was. Hij hoorde niet, wat zij met haar broeder sprak, maar de verandering in haar trekken maakte op hem een diepen indruk. Het te voren in zijn rust zoo schoone gelaat vertoonde plotseling een eigenaardige vermenging van nieuwsgierigheid, toorn en trots. Maar dat duurde slechts een oogenblik; toen kneep zij de oogen toe, alsof zij zich iets zocht te herinneren.

“Nu ja. – Voor ’t overige is het immers ook voor niemand interessant,” zeide zij en wendde zich tot de Engelsche:

“Please, order the tea in the drawing-room.” Het jonge meisje stond op en verliet het vertrek.

“Hoe is het? Is zij door het examen gekomen?” vroeg Stipan
Arkadiewitsch.

“Nog wel met glans. Zij heeft veel aanleg en een vriendelijk karakter.”

“En het zal er misschien op uitloopen, dat je nog meer van haar zult houden dan van je eigen dochter.”

“Zoo spreken de mannen. In de liefde is er geen meer of minder. Mijn dochter bemin ik op deze en haar op een andere wijze.”

“Ik geloof, Anna Arkadiewna, dat, als gij slechts het honderdste deel uwer energie aan de algemeene zaak, aan de opvoeding der Russische jeugd gewijd had in plaats van aan deze Engelsche, gij een groot, nuttig werk volbracht zoudt hebben.”

“Ja, dat stem ik toe, maar ik kan dat niet. Graaf Alexei Kyrilowitsch….” (bij het noemen van dezen naam zag zij schuchter en vragend Lewin aan en hij antwoordde haar onwillekeurig met een eerbiedigen en bevestigenden blik): “Graaf Alexei Kyrilowitsch heeft er dikwijls bij mij op aangedrongen, mij op het land met de school bezig te houden; ik ben er ook eenige malen heengegaan; het is heel aardig, maar ik kon er mij toch niet aan wennen. Gij spreekt van energie. Maar energie is gegrond op liefde; en liefde laat zich niet dwingen en niet bevelen. Dit meisje heb ik nu eenmaal lief en ik weet zelf niet waarom.”

En weer zag zij Lewin aan. Haar glimlach en haar blik, alles zeide hem, dat zij eigenlijk slechts tot hem haar woorden gericht had, dat zij slechts aan zijn meening hechtte en van te voren wist, dat zij beiden elkander juist begrepen.

“Dat begrip ik zeer goed,” antwoordde Lewin, “voor de school en dergelijke inrichtingen kan men zijn hart niet africhten en juist daarom geloof ik, dat al deze philantropische ‘bemoeiingen’ altijd zoo weinig gevolg hebben.”

Zij zweeg. Toen lachte zij. “Ja, ja, zeer juist!” bevestigde zij. “Ten minste ik kon het niet. Je n’ai pas le coeur assez large om een geheele inrichting vol leelijke, kleine meisjes lief te krijgen. Er zijn zooveel vrouwen, die zich daardoor une position sociale verschaft hebben. En juist nu,” voegde zij met een vertrouwelijk, treurig gebaar, schijnbaar tot haar broeder, maar inderdaad tot Lewin gewend, er bij:

“En juist nu, nu ik zoo vurig naar bezigheid verlang, kan ik het niet.” Plotseling fronste zij haar voorhoofd en gaf een andere richting aan het gesprek. Lewin begreep, dat het voorhoofdfronzen haar zelf gold, daar zij van zich zelf gesproken had.

“Ook van u weet ik,” sprak zij tot Lewin gewend, “dat u een slecht staatsburger is, maar ik heb u steeds zooveel mogelijk verdedigd.”

“Hoe heeft u mij dan verdedigd?”

“Naar dat men u aanviel. Maar, willen de heeren geen thee?” Zij stond op en nam een in marokijn gebonden schrift in de hand.

“Geef het mij, Anna Arkadiewna,” zeide Workuw met een blik op het boek. “Het is de moeite wel waard.”

“O neen, de schaaf moet er nog over.”

“Ik heb hem daarvan verteld,” zeide Stipan Arkadiewitsch tot zijn zuster en wees daarbij op Lewin.

“Dat hadt ge liever niet moeten doen. Mijn geschrijf is van denzelfden aard als het korfje en het kleine houtsnijwerk, dat vroeger Lisa Markalewna eens in de gevangenis voor mij gekocht had. Velen dezer ongelukkigen verrichtten wonderwerken van geduld,” wendde zij zich tot Lewin.

En Lewin vond weer een nieuwen trek in deze vrouw, waarin hij zooveel behagen had; namelijk naast geest, aanvalligheid en schoonheid ook nog oprechtheid. Zij gaf zich geen moeite het moeielijke harer positie voor hem te verbergen. Toen zij gesproken had, zuchtte zij diep, haar gelaat nam plotseling een strenge uitdrukking aan, scheen als versteend, en met dezen trek scheen zij hem nog schooner dan te voren. Toen zij aan den arm van haar broeder een oogenblik in de groote deur stond, vergeleek hij haar nog eens met het portret en had voor haar zulk een hartelijk medegevoel, dat hij zich over zich zelf verwonderde.

Onder de thee duurde het aangename, aan inhoudrijke gesprek voort; niet alleen, dat men geen oogenblik naar een onderwerp behoefde te zoeken, maar men gevoelde, dat men niet eens tijd genoeg zou hebben om zijn gedachten naar wensch uit te spreken en dat men zich bereidwillig zelf van het spreken onthield om naar datgene te luisteren, wat de anderen zeiden.

Gedurende dit interessante gesprek bewonderde Lewin Anna, minder, zoo hij meende, om haar schoonheid, dan om haar geest, haar beschaving en haar natuurlijke hartelijkheid. En hij, die haar te voren zoo streng veroordeeld had, sprak haar nu, na een zonderlingen gedachtengang, niet slechts vrij, maar had ook medelijden met haar en vreesde, dat Wronsky haar misschien niet ten volle wist te waardeeren. Toen Stipan Arkadiewitsch om elf uur opstond om heen te gaan (Workuw was reeds vertrokken), was het Lewin alsof hij eerst pas gekomen was, en hij stond met weerzin op.

“Vaarwel,” zeide zij, zijn hand vasthoudend en hem met haar aantrekkelijkst lachje in de oogen ziende, “ik verheug mij zeer, que la glace est rompue.” Zij liet zijn hand los en kneep de oogen toe; “zeg uw vrouw, dat ik haar evenzeer liefheb als vroeger, en dat ik, als zij nu niet met verschooning aan mij denkt, dit niet euvel duid; want om mij te vergeven en te begrijpen zou men zelf moeten doorleven wat ik doorleefd heb, en daarvoor moge God haar behoeden.”

“Dat zal ik haar bepaald zeggen.” zei Lewin blozend.

VII.

“Nu? wat heb ik je gezegd?” vroeg Stipan Arkadiewitsch aan Lewin, toen zij in de koudo winterlucht naar buiten traden en hij zag, dat zijn vriend volkomen overwonnen was.

“Ja,” antwoordde Lewin nadenkend: “Een buitengewone vrouw; niet alleen verstandig, maar ook zoo oprecht. Maar haar positie moet toch moeielijk zijn. Ik heb innig medelijden met haar.”

“Wij hopen, dat nu spoedig alles beslist zal worden. Weet je, men mag niet alles vooraf beoordeelen,” zeide Stiwa het portier openend. “Adieu! onze wegen gaan hier uit elkander.”

Zonder op te houden aan Anna te denken, zich in haar toestand te verplaatsen en medelijden met haar te gevoelen, kwam Lewin te huis.

Hij vond zijn vrouw zeer mismoedig en door verveling gekweld. Nog des middags had zij in de beste luim met haar beide zusters gegeten, maar daarna hadden zij hem gewacht en zij wachtten tot het hen allen verveelde en de zusters reden weg en zij bleef alleen.

“Nu? Hoe heb je je tijd besteed?” vroeg zij, hem in de eerste plaats in de oogen ziende, die zoo verdacht schitterden. Om hem evenwel niet te beletten alles te biechten, verborg zij haar spanning en hoorde met een goedkeurend gelaat zijn mededeeling aan, hoe hij dien avond had doorgebracht.

“Nu, ik verheugde mij zeer over deze ontmoeting met Wronsky. Wij waren zeer eenvoudig en ongegeneerd met elkander. Weet je, nu die onaangename verhouding niet meer bestaat, zal ik een ontmoeting met hem niet meer zoeken….” Maar terwijl hij dit zeide, viel het hem in, dat, hoewel hij hem niet weder wenschte te ontmoeten, hij toch terstond naar Anna gegaan was, en hij bloosde: “Wij zeggen altijd, dat het volk drinkt; ik weet niet, wie meer drinkt, het volk of wij? Het volk bedrinkt zich ten minste slechts op feestdagen, maar wij …”

Maar voor Kitty was deze redeneering, hoe het volk drinkt, niet interessant. Zij had gezien, dat hij bloosde en zij wilde weten waarom.

“Waar ben je dan later geweest?”

“Stiwa haalde mij over met hem Anna Arkadiewna te bezoeken….” En terwijl hij dit zeide, bloosde hij nog meer, en zijn twijfel, of hij er goed aan gedaan had of niet, was nu opgelost. Hij wist nu, dat hij het niet had moeten doen.

Kitty’s oogen openden zich wijd en flikkerden bij Anna’s naam. Maar zij beheerschte zich, verborg haar opwinding en misleidde hem.

“Zoo!” zeide zij slechts.

“Ge zijt toch niet boos, dat ik er heengegaan ben? Stiwa wilde het zoo graag en Dolly ook …”

“O neen,” zeide zij, maar in haar oogen bespeurde hij een terughouding, die hem niets goeds voorspelde.

“Zij is een zeer nette en zeer betreurenswaardige, uitstekende vrouw.” zeide hij en begon van Anna, van haar bezigheden en van hetgeen zij Kitty liet zeggen te vertellen.

“Ja, wél is zij betreurenswaardig,” zeide Kitty, toen hij geëindigd had.

Hij vertrouwde op haar kalmen toon en ging naar zijn kabinet om zich te ontkleeden.

Toen hij terugkwam, zat Kitty nog op denzelfden stoel. Zij zat daar onbewegelijk en toen hij naar haar toe trad, barstte zij plotseling in snikken uit.

“Wat? Wat?” vroeg hij, maar wist reeds vooruit wat.

“Ge zijt op deze afschuwelijke vrouw verliefd geworden. Zij heeft je betooverd! Ik zie het aan je oogen. Ja, ja! en wat kan daarvan nog worden! In de club heb je gedronken, gespeeld en zijt toen heengereden … naar wie? Neen! Wij moeten van hier … Ik ga morgen op reis …”

Lang vermocht Lewin niet zijn vrouw te kalmeeren. Eindelijk gelukte het hem door te bekennen, dat het gevoel van medelijden en de gedronken wijn hem verward hadden en dat hij een slachtoffer geworden was van de sluwe berekening van Anna en dat hij haar voortaan wilde vermijden; maar het oprechtst gemeende in zijn bekentenis was, dat hij zich zoo geheel had laten meeslepen, omdat hij zoo lang in Moskou geleefd had zonder andere bezigheid dan praten, eten en drinken.

Zij spraken nog den halven nacht door. Eerst tegen drie uur hadden zij zich in zoover met elkander verzoend, dat zij konden inslapen.

VIII.

Toen Anna’s gasten haar verlaten hadden, was zij in haar kamer op en neer gegaan. Hoewel zij, onbewust, zooals in den laatsten tijd jegens alle jonge mannen, den geheelen avond al het mogelijke gedaan had om Lewin op haar verliefd te maken en hoewel ze wist, dat haar dit gelukt was, voor zoover dit bij een, rechtschapen, getrouwd man mogelijk was, en hoewel ook hij haar bevallen was ondanks zijn scherpe tegenstelling met Wronsky (maar zij zag in hen slechts, wat zij met elkander gemeen hadden, waarom ook Kitty beiden, zoowel Lewin als Wronsky, had kunnen liefhebben – ) toch hield zij, zoodra hij de kamer verlaten had, terstond op aan hem te denken. Slechts eene gedachte bleef haar bij, die haar onder de verschillende gestalten vervolgde:

“Indien ik zulk een indruk op andere mannen maak, op deze man, die uit liefde gehuwd is, – waarom is hij dan zoo koud tegen mij? of indien al niet koud – ik weet, dat hij mij liefheeft – maar een zeker iets scheidt ons. Waarom is hij den geheelen avond weer niet te huis? Hij liet mij door Stiwa zeggen, dat hij Jawschin niet verlaten mocht. – Nemen wij aan, dat dit de ware reden is – hij spreekt nooit onwaarheid – maar in deze waarheid ligt nog iets anders. Hij verheugt zich over de goede gelegenheid om mij te toonen, dat hij nog plichten heeft. Dat weet ik. Dat vind ik ook goed. Maar waarom moet hij mij dat bewijzen? Ik behoef geen bewijs, ik wil slechts liefde. Hij moest toch al het netelige van mijn leven hier in Moskou inzien! Leef ik dan? Ik ben steeds in gespannen verwachting, ik ben in afwachting van de beslissing, die altijd weer op nieuw wordt uitgesteld. Nog steeds is er geen antwoord, en Stiwa zegt, dat hij niet naar Alexei Alexandrowitsch kan gaan, en ik kan niet voor de tweede maal schrijven. Ik kan niets doen, niets beginnen, niets veranderen, ik moet mij goed houden, hopen en wachten en afleiding zoeken, maar dit alles: de opneming der Engelsche familie, het schrijven en lezen, alles, alles is slechts bedrog, en het een zoowel als het ander slechts morphium! En dat had hem toch leed moeten doen!” sprak zij en gevoelde, dat haar de tranen van medelijden met zich zelf in de oogen kwamen.

Zij hoorde het kortafgebroken schellen van Wronsky, en snel haar tranen drogend, ging zij voor de lamp zitten, opende een boek en deed haar best om kalm te schijnen. Zij wilde geen strijd, maar beschuldigde hem, dat hij dien wilde en nam dus onwillekeurig een strijdvaardige houding aan. Zij moest hem toch toonen, dat zij ontevreden over hem was, omdat hij niet op den beloofden tijd te huis was gekomen; zij wilde hem haar ontevredenheid, maar in geen geval haar droefheid toonen. Zij kon wel medelijden met zich zelf hebben, maar hij mocht dat niet.

“Nu? Heb je je niet verveeld?” vroeg hij vroolijk en opgewekt en wierp een pakket op de spiegeltafel! “Welk een vreeselijke harstocht is het spel toch!”

“Neen, ik heb mij niet verveeld. Ik heb het reeds lang verleerd mij te vervelen. Stiwa is hier geweest met Lewin.”

“Ja, zij wilden je bezoeken. Hoe is Lewin je bevallen?” zeide hij en ging naast haar zitten.

“Zeer goed. Zij zijn eerst zooeven weggereden. Hoe heeft Jawschin het toch gemaakt?”

“Hij had reeds zeventienduizend gewonnen; ik wilde hem meenemen en had hem reeds tot aan de deur; maar toen keerde hij nog eens terug en heeft nu weer alles en nog meer verloren.”

“Waarom ben je daar dan gebleven?” vroeg zij, plotseling naar hem opziende. Haar gezicht vertoonde een koude, vijandige uitdrukking. “Je hebt toch gezegd, dat je daar wildet blijven om Jawschin weg te brengen. En nu heb je hem er toch gelaten.”

Ook zijn gelaat nam dezelfde koude, strijdvaardige uitdrukking aan.

“Ten eerste heb ik Stiwa niet verzocht u een boodschap over te brengen en ten tweede spreek ik nooit onwaarheid. De hoofdzaak was, dat ik blijven wilde en ik ben gebleven,” antwoordde hij het voorhoofd fronsend. “Anna, waarom? waarom dat?” vroeg hij na een kort zwijgen. Hij boog zich naar haar toe en opende de hand in de hoop dat zij toeslaan zou.

Zij verheugde zich over deze tegemoetkoming; maar een eigenaardige, booze macht weerhield haar, haar eerste neiging te volgen, alsof te wetten van den strijd haar niet veroorloofden toe te geven.

“Waarlijk! je wildet blijven en zijt ook gebleven. Je doet alles, wat je wilt. Maar waarom moet je mij dat zeggen? Waartoe?” vroeg zij, meer en meer in vuur gerakend. “Wil dan iemand u dat recht betwisten? Maar je wilt gelijk hebben, dus ik geef je gelijk.”

Zijn hand sloot zich en zijn gelaat nam een uitdrukking van verbeten toorn aan.

“Bij u is het niets dan eigenzinnigheid,” zeide zij, plotseling voor deze haar steeds prikkelende gelaatsuitdrukking een naam vindende; “niets als eigenzinnigheid. Bij u komt het er slechts op aan overwinnaar te blijven, terwijl ik….” Weder had zij zooveel medelijden met zich zelf, dat zij bijna weende. “Als ge wist, wat het voor mij beteekent, wanneer ik zie, hoe gij u, zooals nu, vijandig van mij afkeert, als gij wist, wat dat voor mij beteekent! Hoe ik in zulk een oogenblik een ongeluk nabij ben, hoe ik bang ben voor mij zelf…” en zij wendde zich af om haar snikken te verbergen.

“Waarom dan dit alles?” vroeg hij, ontsteld over de uitdrukking harer vertwijfeling en boog zich weer tot haar neer; hij nam haar hand en kuste ze. “Waarom? Zoek ik misschien buitenshuis verstrooiing? Vermijd ik dan niet alle verkeer met dames?”

“Dat moest er ook nog bijkomen!” riep zij uit.

“Nu, zeg mij dan, wat ik doen moet om je tot rust te brengen? Ik ben tot alles bereid, als gij slechts gelukkig zijt,” zeide hij, geroerd door haar vertwijfeling. “Wat zou ik niet willen doen om u van een smart als de tegenwoordige te bevrijden, Anna!”

“Neen, neen!” antwoordde zij. “Ik zelf weet niet…. Is het het eenzame leven…. De zenuwen….? Maar spreken wij daar niet meer van. Hoe is het bij den wedren gegaan? Je hebt er mij nog niets van verteld,” zeide zij en deed haar best om de vreugde over de overwinning, die toch aan haar zijde was, te verbergen.

By het souper vertelde hij haar de bizonderheden van den wedren, maar aan zijn toon en zijn gelaat, die steeds ernstiger en kouder werden, bespeurde zij, dat hij haar haar overwinning niet vergeven had en dat het gevoel van eigenzinnigheid, waarmede zij hem had bestreden, zich ook bij hem weer begon te doen gelden. Hij werd nu des te koeler tegen haar, naarmate het hem berouwde zich aan haar te hebben onderworpen.

Maar zij, aan de woorden denkende, die haar de overwinning hadden doen behalen: “een vreeselijk ongeluk hangt mij boven het hoofd en ik ben bang voor mij zelf – ” begreep, dat dit een ook voor haar gevaarlijk wapen was, dat zij niet een tweeden keer zou durven gebruiken. En zij gevoelde, dat te gelijk met de liefde, die hen verbond, een booze geest van strijdlust zich tusschen hen gesteld had, die zij noch uit zijn en nog minder uit haar eigen hart vermocht te verdrijven.

IX.

En bestaan geen verhoudingen, waaraan de mensch zich niet kan gewennen, vooral wanneer hij ziet, dat allen in zijn omgeving er onder leven. Drie maanden vroeger zou Lewin niet geloofd hebben, dat hij rustig had kunnen inslapen in den toestand, waarin hij zich nu bevond; hij leidde een onzinnig, doelloos leven, buitendien boven zijn middelen, hij had zich aan den drank overgegeven, want anders kon hij datgene, wat gisteren in de club voorgevallen was, niet noemen; hij had zich in een eigenaardige, vriendschappelijke betrekking tot een man gesteld, op wien vroeger zijn vrouw verliefd was geweest, hij had een avontuurlijk bezoek bij een vrouw gebracht, die men toch niet anders als een verlorene kon noemen, en ondanks zijn dwepen met haar, ondanks de smart van zijn vrouw, ondanks al deze omstandigheden kon hij slapen, rustig slapen!

Tegen den morgen deden hem een zachte aanraking aan den schouder en een fluisterende stem ontwaken. Kitty wijfelde, omdat zij het jammer vond hem te wekken, en toch wilde zij gaarne met hem spreken.

“Kostja, schrik niet! Het is niets! Maar het schijnt…. Wij moeten naar Lisaweta Petrowna zenden….”

Er brandde een licht. Zij zat op het bed en hield een haakwerk in de hand, waarmede zij zich in den laatsten tijd had bezig gehouden.

“Ik bid u, schrik niet. Ik ben volstrekt niet bang!” zeide zij toen zij zijn verschrikt gelaat zag en zij drukte zijn hand aan haar borst en aan haar lippen.

Nauwelijks wetende, wat hij deed, sprong hij snel het bed uit en schoot zijn chambercloak aan zonder de oogen van haar af te wenden. Hij wilde gaan, maar kon zich niet van haar losrukken. Zij had er reeds dikwijls met hem over gesproken, maar zoo bezorgd had hij haar nog niet gezien. Hoe afschuwelijk, hoe laag scheen hij zich zelf toe, nu hij aan de smart dacht, die hij haar gisteren veroorzaakt had, en hoe nietig en onbeduidend scheen hem nu dat alles in vergelijking van haar, en den toestand, waarin zij zich nu bevond. Haar verhit gelaat, omgeven door lokken, die uit de muts te voorschijn kwamen, straalde van blijmoedige vastberadenheid. Hoe weinig onnatuurlijkheid ook steeds in Kitty’s karakter gelegen had, nu elke sluier wegviel, was hij er door getroffen, hoe klaar de kern van haar wezen uit haar oogen sprak.

Zij zag hem glimlachend aan, maar plotseling trok zij de wenkbrauwen omhoog, hief het hoofd op en hem snel naderend, greep zij zijn hand en drukte zich vast tegen hem aan, terwijl zij hem met gloeienden adem overstroomde. Zij leed en scheen hem haar lijden te klagen. En in het eerste oogenblik scheen het hem uit gewoonte toe, dat hij er schuld aan had. Maar haar oogen vol teederheid zeiden hem niet alleen, dat zij hem niet aanklaagde, maar ook, dat zij hem liefhad wegens dit lijden.

“Als ik geen schuld heb, wie dan?” dacht hij, onwillekeurig naar een schuldige zoekend om hem te bestraffen; maar er was geen schuldige. Zij leed, klaagde over deze smart, maar verhief zich er boven, verheugde zich er over en was er trotsch op. Hij zag, dat er in haar ziel iets verhevens omging, maar wat? Hij kon het niet begrepen, hij kon zich niet tot haar hoogte verheffen.

“Ik heb naar mama gezonden – en ga jij naar Lisaweta Petrowna…. Kostja!…. Het is niets! Het is al weer voorbij! Maar ga nu dan ook.”

En Lewin zag met verwondering, dat zij reeds weer haar haakwerk in de hand nam en er aan werkte.

Hij kleedde zich in zijn kamer aan, maar vóór de paarden waren aangespannen, liep hij nog eenmaal naar de slaapkamer.

“Ik rijd naar den dokter. Naar Lisaweta Petrowna is reeds gezonden. Is er anders nog iets noodig?”

Zij zag hem aan, maar verstond klaarblijkelijk niet, wat hij zeide.

“Ja, ja, ga nu, ga!” zeide zij met de hand wenkende.

Hij was reeds weder in het salon, toen hij plotseling een klagend zuchten uit de slaapkamer hoorde, dat echter terstond weder ophield. Hij bleef staan en wist niet, wat hij er van denken moest.

“Ja ja, zij was het!” zeide hij, greep naar z’n hoofd en liep naar beneden. “God erbarme zich onzer! Hij vergeve en helpe!” sprak hij. Onwillekeurig waren hem deze woorden over de lippen gekomen. In dit oogenblik werd hij zich er van bewust, dat noch zijn twijfel, noch de onmogelijkheid om met het verstand tot het geloof te geraken, hem in het minst konden beletten zich in het gebed tot God te wenden. Zijn hart schudde allen twijfel plotseling als asch van zich af. Tot wien anders zou hij zich dan nu wenden dan tot Hem, in wiens handen hij zich zelf, zijn hart en zijn liefde voelde rusten.

Hij trad naar buiten, nam plaats in de slede en reed naar den dokter.

X.

De dokter was nog niet opgestaan. Zijn bediende zeide, dat hij gisteren eerst laat naar bed was gegaan en bevolen had hem niet te wekken. De bediende maakte de lampen schoon en scheen daar zeer druk mede. Zijn op de peer van een lamp gerichte opmerkzaamheid en de volkomen onverschilligheid voor hetgeen in Lewin omging, verwekte bij dezen een gevoel van wrevel; maar daar hij spoedig daarop bedacht, dat niemand verplicht was zijn gevoelens te kennen of te raden, besloot hij zoo kalm en beredeneerd mogelijk te handelen en vastberaden door dezen muur van onverschilligheid te dringen en zijn doel te bereiken. Zonder zich te overijlen, haalde hij een billet van tien roebel te voorschijn, reikte den dienaar het papier toe en zette hem uiteen, hoe Peter Dimitritsch (hoe groot en gewichtig scheen hem nu deze hem anders onverschillige Peter Dimitritsch) hem beloofd had ten allen tijde en op ieder uur bij hem te komen, dat hij het dus niet kwalijk zou nemen, als men hem nu wekte. De bediende stemde dit toe, verzocht Lewin in de spreekkamer te gaan en ging naar boven. Lewin hoorde, hoe de dokter achter de deur hoestte, op en neer ging, iets sprak en zich toen wiesch. Er waren nog geen drie minuten verloopen, die Lewin echter reeds als een uur toeschenen, toen hij het niet langer kon uithouden.

“Peter Dimitritsch! Peter Dimitritsch!” sprak hij met smeekende stem in de open deur. “Om Godswil! Vergeef mij, maar ontvang mij, zooals gij zijt. Het is reeds langer dan twee uren!”

“Dadelijk, dadelijk!” antwoordde een stem, en Lewin had tot zijn verwondering daarin een lachenden toon opgemerkt.”

“Slechts een oogenblik…!”

“Terstond!”

“Peter Dimitritsch,” begon Lewin weer met klagende stem, maar op dit oogenblik trad de dokter binnen en wel, tot Lewins ergernis, geheel gekapt en gekleed. “Deze menschen hebben in ’t geheel geen geweten!” dacht Lewin. ”Zij kappen zich, terwijl wij te gronde gaan!”

“Goeden morgen!” zeide de dokter hem de hand gevende. Toen voegde hij er, alsof hij hem plagen wilde, bij: “Nu? vertel mij eens bedaard wat er is.”

Terwijl Lewin zich beijverde zoo uitvoerig mogelijk den toestand zijner vrouw te schilderen, brak hij zijn verhaal zelf ieder oogenblik af met het verzoek, of Peter Dimitritsch toch dadelijk met hem mede wilde gaan.

“Zeker, maar het heeft nog volstrekt zoo’n haast niet. U weet dat zoo niet, maar ik verzeker u bepaald, dat het nog niet noodig is. Maar ik heb het u beloofd – welnu, laten wij dan maar gaan! Maar het heeft volstrekt geen haast. Neem toch plaats. Wil u niet een kop koffie?”

Lewin zag hem aan, of hij ook soms den gek met hem wilde steken. Maar de dokter dacht niet aan lachen.

“Ik ken dat, ik ken dat!” zeide hij even glimlachend. “Ik ben zelf huisvader, maar in zulke oogenblikken zijn wij mannen de beklagenswaardigste schepsels. Ik heb een patiënte, wier man by dergelijke gelegenheden altijd in den paardenstal vlucht.”

“Maar wat dunkt u, Peter Dimitritsch – dunkt u, dat alles goed zal afloopen?”

“Er zijn alle kenteekenen voor een goeden afloop voorhanden.”

“U komt dus dadelijk?” vroeg Lewin en zag den bediende, die de koffie binnen bracht, boos aan.

“Binnen een uur.”

“Neen, om Gods wil, kom toch dadelijk.”

“Nu. laat mij ten minste eerst rustig mijn koffie drinken.”

De dokter ging aan de tafel zitten. Beiden zwegen.

“De Turken hebben duchtig slaag gehad. Heeft u het laatste telegram gelezen?” vroeg de dokter een stuk wittebrood kauwende.

“Neen, ik kan niet,” zeide Lewin en sprong op. “Dus binnen een half uur zal u er zijn?”

“In een half uur.”

“Op uw woord van eer?”

Lewin kwam te gelijk weer aan zijn huis met zijn schoonmoeder en zij gingen te zamen de deur der slaapkamer in. De vorstin had tranen in de oogen; haar handen beefden. Bij de eerste ontmoeting van Lewin had zij hem omhelsd en was begonnen te weenen.

“Nu, moedertje Lisaweta Petrowna?” zeide zij tot de vroedvrouw, die met opgewonden en tevreden uitdrukking op het gelaat haar tegentrad.

“Alles goed,” antwoordde deze. “Overreed ze maar, dat zij gaat liggen. Dit zal haar verlichten.”

Van het oogenblik af, dat Lewin was ontwaakt en volkomen had begrepen, wat er te doen was, had hij zich voorgenomen al zijn gedachten en gevoelens in zijn binnenste op te sluiten, ten einde zijn vrouw niet op te winden, maar haar gerust te stellen, haar moed te ondersteunen en haar te vermanen, dezen zwaren strijd van ongeveer vijf uren, zooals men hem gezegd had, standvastig door te staan. Maar toen hij nu na zijn terugkomst haar lijden zag, begon hij telkens al meermalen te herhalen: “Mijn God, vergeef en help!”, wierp het hoofd terug, en werd beangst, dat hij het niet uithouden, in tranen uitbarsten en wegloopen zoude. Zoo groot was zijn ontroering. En toch was er slechts een uur verloopen.

Maar er verliep nog het tweede, derde, vierde en vijfde uur, dat hij zich als het uiterste tijdpunt had voorgesteld, en de toestand was nog steeds onveranderd. Hij hield het slechts uit, omdat hem niets anders overbleef, maar hij dacht elk oogenblik de uiterste grenzen van geduld bereikt te hebben en dat zijn hart zou barsten van medegevoel en medeleden.

Doch er verliepen nog minuten en uren, en zijn gevoel en ontroering werden meer en meer gespannen. “Mijn God! vergeef en help!” herhaalde hij voortdurend, en sprak die woorden zoo vol vertrouwen en innig, als in zijn eerste jeugd.

XI.

Lewin wist niet, of het laat of vroeg was. De kaarsen waren bijna ten einde gebrand; Dolly was juist in zijn kabinet geweest en had den dokter voorgeslagen een oogenblik te gaan liggen rusten. Lewin zat daar en hoorde het verhaal van den arts van een wonderdokter en magnetiseur; hij had het begrepen en voor een oogenblik den angstigen toestand vergeten. Plotseling weerklonk een jammerende kreet, zooals hij nimmer gehoord had. Dit geluid was zoo ontzettend, dat Lewin niet eens opsprong, maar, terwijl hem de adem stokte en de klopping van het hart een oogenblik stilstond, den dokter aanzag. Deze had het hoofd op zijde gebogen en luisterde. Toen glimlachte hij goedkeurend.

Alles was zoo buitengewoon, dat er niets meer was, dat op Lewin indruk maakte. “Dat moet wel zoo zijn,” dacht hij en bleef nu rustig zitten. “Maar wat was dat voor een vreeselijke kreet?”

Hij sprong op, snelde op de teenen de slaapkamer in en plaatste zich aan het hoofdeinde van Kitty’s ledikant. Het jammeren had opgehouden, maar iets moest er veranderd zijn, dat hij niet zag en niet begreep, ook niet zien en begrijpen wilde. Maar hij maakte het op uit Lisaweta Petrowna’s gezicht; het stond ernstig, bleek en vastberaden en zij hield haar oogen op Kitty gericht. Dezer verhit, pijnlijk gelaat was naar hem toegekeerd en zocht zijn blik, zij greep met haar koortsachtige, warme, vochtige handen zijn koude rechterhand en drukte ze aan haar gelaat.

“Ga niet weg! Ik ben volstrekt niet bevreesd,” zeide zij haastig.

“Mama, doe mij de oorringen af, zij hinderen mij….” Zij sprak snel, zeer snel en wilde lachen. – Maar plotseling vertrok haar gelaat en zij stiet hem van zich. “Neen, het is ontzettend! Ik sterf, ik sterf! Ga, ga!” riep zij en andermaal klonk die kreet, die aan niets anders gelijk was.

Lewin greep zijn hoofd vast en ijlde de kamer uit.

“Het is niets, alles is immers goed!” zeide Dolly tot hem.

Maar zij mochten zeggen, wat zij wilden, hij hield zich overtuigd, dat alles verloren was. Met het hoofd tegen den deurpost geleund, stond hij in de naaste kamer en hoorde iemand jammeren, en hij wist, dat die daar kermde en steunde Kitty geheeten had. Hij wenschte al lang niet meer het kind te bezitten; maar nu haatte hij dit kind; hij wenschte zelfs niet meer het behoud van haar leven, hij wenschte slechts haar spoedige bevrijding van dit lijden.

“Dokter! wat is dat toch? Wat is dat? Mijn God!” zeide hij en nam den binnentredenden dokter bij de hand.

“Het loopt naar het einde,” antwoordde deze. En zijn gelaat stond daarbij zoo ernstig, dat Lewin daaruit opmaakte: zij sterft.

Zich zelf niet meer meester, snelde hij naar de slaapkamer terug. Het eerste, wat hij zag, was Lisaweta Petrowna’s gelaat. Het was nog ernstiger en donkerder. Hij herkende in het verwrongen gelaat van haar, die daar lag, zijn Kitty niet meer. Hij leunde met het hoofd tegen het ledikant en voelde zijn hart breken.

Voor een oogenblik verloor hij alle bezinning. Hij kwam weer tot zich zelf, omdat het slaken der jammerkreten ophield; hij vernam een levendig fluisteren en snel ademen en een zachte, haperende, maar overgelukkige stem, die tot hem zeide: “Het is doorgestaan.”

Hij hief het hoofd op. Met de krachtelooze handen op de deken, buitengewoon schoon en stil daar liggende zag zij hem sprakeloos aan en wilde, maar kon hem niet toelachen.

En plotseling gevoelde Lewin zich uit eene verschrikkelijke geheimzinnig-vreemde wereld, waarin hij de laatste twintig uren geleefd had, weer in deze oude gewone wereld terug verplaatst, die echter nu in een nieuw en zoo helder licht straalde, dat hij meende het niet te kunnen verdragen. De te strak gespannen snaren sprongen. Snikken en vreugdetranen, die hij niet mogelijk had geacht, welden met zulk een drang in hem op, dat het zijn geheele lichaam schokte en hij een poos niet kon spreken.

Hij knielde voor het bed neder, trok de hand zijner vrouw aan zijn lippen en kuste ze, en deze hand antwoordde met een lichte beweging der vingers.

Intusschen zweefde daar aan het voeteneinde van het bed, in de geschikte handen van Lisaweta Petrowna, als het vlammetje eener lamp, het leven van een menschelijk wezen, dat tot hiertoe nog niet bestaan had en dat voortaan met gelijk recht een leven voor zich zelf leiden en andere aan hetzelve gelijke wezen voortbrengen zoude….

“Het leeft! het leeft! En nog wel een jongen! Verontrust u niet,” hoorde Lewin de stem van Lisaweta Petrowna, die met lichte hand het kind een slagje op den rug gaf.

“Mama, is dat waar?” vroeg Kitty’s stem.

Slechts het snikken der gravin gaf haar antwoord.

En te midden daarvan klonk als het zekerste antwoord op de vraag der jonge moeder een geheel andere stem als al de overige gedempte stemmen in de kamer. Ongegeneerd, luid en driest klonk het schreeuwen van dat nieuwe menschelijk wezen, dat op onbegrijpelijke wijze hier of daar vandaan was gekomen.

Als men tot Lewin gezegd had, dat Kitty dood was en hij met haar, dat haar kind een engel was en dat zij zich in Gods tegenwoordigheid bevonden, dit alles zou hem niet verwonderd hebben, – maar nu hij in de werkelijkheid terugverplaatst was, moest hij zijn gedachten geweld aandoen om te beseffen, dat Kitty inderdaad leefde en gezond was en dat dit kleine, zoo wanhopig jammerend schepseltje zijn zoon was.

Tegen tien uur zaten de oude vorst, Sergej Iwanowitsch en Stipan Arkadiewitsch bij Lewin in de kamer en spraken met elkander over de kraamvrouw en andere dingen. Lewin hoorde het zwijgend aan en, terwijl hij zich onwillekeurig al het gebeurde vertegenwoordigde, dacht hij aan zich zelf, aan zijn vrouw en aan zijn zoon. Het was hem, alsof sedert den vorigen dag honderd jaren waren verloopen. Hij had een gevoel, alsof hij zoo hoog stond, dat hij behoedzaam moest afdalen tot hem met wie hij sprak, om hem niet te beleedigen. Terwijl hij sprak, dacht hij voortdurend weer aan Kitty en midden in een gezegde brak hij af, sprong op en snelde naar haar toe.

Zij sliep niet, maar sprak zacht met haar moeder over het doopen.

Het haar een weinig opgemaakt, wat omgekleed in een elegante nachtjapon lag zij met de handen gevouwen op de deken, terwijl op haar gelaat een vreedzame verheerlijking blonk als een overgang van het aardsche tot het hemelsche, zooals bij een gestorvene, maar hier beteekende het de begroeting van een nieuw aangekomene, daar die van het afscheid eens vertrekkenden. Wederom werd zijn hart ontroerd. Zij nam zijn hand in de hare en vroeg, of hij geslapen had. Hij kon niet antwoorden, maar zich zijner zwakheid bewust, wendde hij zich af. Plotseling veranderde de uitdrukking van zijn gelaat toen het kind begon te krijten.

“Geef het mij,” zeide zij, “geef het mij, Lisaweta Petrowna, dan zal hij zijn zoon zien.”

“Wacht, wij moeten eerst ons toilet wat in orde brengen,” antwoordde de vroedvrouw en legde een rood bundeltje, dat zich bewoog, op haar schoot en begon het los- en weder in te wikkelen, waarop zij het met lichte hand omkeerde en ophief.

Lewin zag dit nietig, hulpeloos bundeltje en trachtte, hoewel te vergeefs, in zijn hart een bewijs van vaderlijke neiging voor hetzelve te ontdekken. Maar hij gevoelde er bijna afkeer van. Doch toen het geheel was losgewikkeld en hij de kleine fijne handjes en de van teenen voorziene voetjes, die zich bewogen, zag en opmerkte, hoe Lisaweta Petrowna de armpjes als fijne springveren in linnen wikkelde, overviel hem zulk een medelijden met dit wezentje en zulk een angst, dat hij de hand der vroedvrouw weerhield. Deze lachte:

“Wees gerust! U behoeft niet bang te zijn.”

En toen het kindje nu tot een vaste pop was ingerold, hief zij het met ééne hand op, terwijl de andere het waggelende hoofdje van dit zonderlinge roode schepseltje ondersteunde. En inderdaad, daar waren ook een neusje, gespleten oogjes en smakkende lipjes.

“Een bizonder schoon en voordeelig kind!” zeide Lisaweta Petrowna.

Lewin zuchtte. Dat schoone kind met zijn waggelend hoofdje boezemde nog slechts een gevoel van medelijden in. Plotseling vertrok het zijn gezichtje en niesde. Lisaweta legde het kind in Kitty’s arm; deze lachte van geluk: het kind had de borst genomen.

Lewin had, na zijn vrouw gekust te hebben, de donkere kamer verlaten.

Datgene, wat hij voor dit kind gevoelde, was iets geheel anders dan hij verwacht had; in dit gevoel was niets vroolijks; integendeel veeleer iets, dat hem kwelde en beangstigde. Het was de bewustheid hier in dit kind een nieuwe licht kwetsbare zijde verkregen te hebben; en dit bewustzijn was in den eersten tijd zoo hinderlijk, de angst dit hulpelooze schepseltje te zien lijden zoo groot, dat hij zich niet kon verheugen; slechts had hem een gevoel van trots vervuld op het oogenblik dat het kind niesde. Maar Kitty beminde hij nu in zulk eene mate, dat zijn vroegere liefde voor haar hem nu als onverschilligheid voorkwam.

XII.

Stipan Arkadiewitsch bevond zich weder in geldverlegenheid. De eerste twee derde gedeelten van de som, die hij voor het hout ontvangen had, was reeds verbruikt en ook het laatste derde gedeelte, na aftrek van tien procent, door den kooper vooruit betaald geworden; meer was van dezen niet te bekomen. Zijn inkomen als beambte ging geheel weg voor de huiselijke uitgaven en voor de betaling der niet ophoudende kleine schulden. Derhalve was er geen geld meer voorhanden.

Dat was onaangenaam, zelfs zeer lastig, en het mocht, dacht Stipan, niet verder gaan. De oorzaak hiervan was, zooals hij meende, in zijn geringe bezoldiging gelegen. Vóór vijf jaar was zijn ambtsbetrekking nog blijkbaar een goede geweest, maar nu niet meer. Petrow, de directeur eener bank, had twaalfduizend roebel vast tractement, Swentitzky had, als medelid eener aandeelen-maatschappij, zeventienduizend, Mitin, de grondvester eener bank, had zelfs vijftig duizend.

“Het is duidelijk; ik ben ingeslapen of men heeft mij vergeten,” dacht Oblonsky en begon nu rond te zien, en inderdaad, tegen het einde van den winter vond hij een betrekking en wendde pogingen aan, eerst van Moskou uit door zijn oom, zijn tantes en zijn vrienden, en later, toen de zaak zoover rijp was, in het voorjaar, reisde hij zelf naar Petersburg. Het was een van die betrekkingen zooals er meer waren, die van een tot vijftigduizend roebel inkomen meer gaven, dan de vroegere vette prebenden met afwisselende voordeelen opbrachten. Deze betrekking vereischte eene persoonlijkheid van zulk een eminente kennis en zulk een groote werkkracht, als bezwaarlijk in een mensch vereenigd konden zijn. Doch aangezien zulk een mensch niet te vinden was, was het toch gewenscht, dat de betrekking aan een eerlijk man werd gegeven. En Stipan was niet slechts een eerlijk man in den zin, dien men daaraan in Moskou hechtte, als men van een eerlijk werkend schrijver, van een eerlijk journalist of van een eerlijke richting sprak en wat zooveel beteekende als: deze man of deze partij is niet slechts niet oneerlijk, maar verstaat het ook bij voorkomende gelegendheid de regeering een wenk te geven. Oblonsky verkeerde nu in Moskou hoofdzakelijk in die kringen, waarin dat woord ingevoerd was, hij was daar als een eerlijk man bekend en had dus meer dan iemand gegronde aanspraak op deze betrekking. Zij gaf een tractement van zeven tot tienduizend roebel, en Oblonsky kon ze bekleeden zonder den staatsdienst te verlaten. Het hing slechts af van twee ministers, eene dame en twee Joden, en deze allen, ofschoon zij reeds voorbereid waren, moest Oblonsky in Petersburg bezoeken. Buitendien had hij ook zijn zuster Anna beloofd Karenin tot het geven van een beslissend antwoord ten opzichte van de van hem verzochte echtscheiding te brengen.

Derhalve vroeg hij van Dolly vijftig roebel en reisde naar
Petersburg.

Stipan Arkadiewitsch zat in Karenins kabinet en hoorde diens gronden aan over de slechte inrichting van Ruslands finantiewezen, terwijl hij met geduld op het oogenblik wachtte, dat hij zijn rede eindigde, om dan dadelijk met hem over zijn zuster en zijn eigen aangelegenheid te spreken.

“Ja, dat is zeer waar,” zeide hij, toen Alexei Alexandrowitsch zijn pince-nez, zonder welke hij niet meer kon lezen, afnam en zijn zwager vragend aanzag.

“Ik wil geen protectie-systeem meer ten voordeele van enkele personen, maar ten algemeenen beste. Maar zij willen dat niet begrijpen, slechts persoonlijke belangen drijven hen en zij laten zich medeslepen door schoone phrasen.”

Stipan Arkadiewitsch wist, dat, als Karenin daarvan begon te spreken wat zij dachten en deden, degenen, die over zijn hervormingsplannen te beslissen hadden, en de oorzaak van alle gebreken in Rusland waren, hij dan gewoonlijk schielijk ten einde was.

Inderdaad zweeg Alexei Alexandrowitsch nu, en begon nadenkend in zijn manuscript te bladeren. “A propos!” zeide Stipan: “Ik wilde u ook nog verzoeken, bij gelegenheid als je Promonsky ziet, een goed woord voor mij te doen. Ik wenschte namelijk de betrekking van commissielid der agentuur van de credietbank der zuidelijke spoorwegen te bekomen.”

De lange naam dezer betrekking, die Oblonsky zoo na aan het hart lag, was hem reeds zoo eigen, dat hij hem zonder haperen kon uitspreken.

Karenin vroeg hem, waarin dan de werkzaamheid dezer commissie bestond en, nadat hij het vernomen had, dacht hij na. Hij overlegde, of in de werkzaamheid dezer commissie niets was gelegen, dat in strijd was met zijn hervormingsplannen. Maar daar de werkzaamheid dezer nieuwe inrichting buitengewoon gecompliceerd was en haar ontwerp een groot gebied omvatte, kon hij de zaak niet zoo dadelijk geheel overzien en hij zeide, terwijl hij weder zijn pince-nez afnam:

“Zeker kan ik met hem daarover spreken. Maar waarom wil je die betrekking gaarne hebben?”

“Er is een goed inkomen aan verbonden, ongeveer negen duizend, en mijn middelen….”

“Negen duizend,” hernam Karenin en fronste het voorhoofd. “Ik ben van gevoelen en heb reeds daarover geschreven, dat zulke groote tractementen in onzen tijd steeds het kenmerk eener valsche oeconomische assiette zijn – je zult mij begrijpen?”

“Maar wat wil je?” antwoordde Oblonsky. “Veronderstellen wij, dat de directeur eener bank tienduizend tractement heeft, of een ingenieur verdient twintigduizend – dat is niet te hoog geschat – dat zijn toch daadzaken – zooals je wilt….”

“Naar mijn gevoelen moet het tractement evenals de betaling voor eene waar zich regelen naar vraag en aanbod. Als ik echter zie, dat van twee even bekwame ingenieurs, die van de academie komen, de een op veertigduizend aanspraak maakt en de ander zich met tweeduizend vergenoegt, of wanneer een maatschappij een huzaar of jurist, die van de zaak volstrekt geen toereikende kennis heeft, aanstelt als directeur en een kolossaal tractement toelegt, dan, zeg ik, is dit tractement niet geregeld naar vraag en aanbod, maar is ongerechtvaardigd en partijdig. Mij dunkt….”

Oblonsky viel zijn zwager snel in de rede. “Maar je zoudt mij toch groot genoegen doen,” zeide hij, “als je een goed woord voor mij bij Promonsky wildet doen, zoo en passant in het gesprek….”

“Ja, maar het hangt toch veel meer van Bolgarinow af,” bracht Karenin in het midden. “Bolgarinow is er reeds voor gewonnen,” zeide Oblonsky blozend. Hij bloosde, omdat hij dien morgen bij den jood Bolgarinow een bezoek had gebracht, waaraan onaangename herinneringen waren verbonden.

Stipan was overtuigd, dat de zaak, die hij dienen wilde, levensvatbaar en eerlijk was, maar toen Bolgarinow hem dien voormiddag opzettelijk met andere sollicitanten twee volle uren had laten antichambreeren, was het hem toch wat onbehagelijk te moede geworden. Maar waarom zou hij, al was hij een nakomeling van Rurik, niet een paar uren bij een Jood wachten, daar hij toch niet voor de eerste maal van den weg zijner voorvaders afweek, maar ook nu een nieuwe baan wilde betreden, omdat het hem niet genoeg voordeel gaf den staat te dienen. Doch het was hem toch onaangenaam geweest. En toen nu Bolgarinow hem eindelijk had ontvangen en wel met de grootste hoffelijkheid, terwijl hij zijn vernedering zoo sterk gevoeld had, dat hij grooten lust had zich geheel terug te trekken, had hij zich toch beijverd die vernedering zoo haastig mogelijk te vergeten; en toen hij ze zich nu herinnerde, bloosde hij.

XIII.

“En nu heb ik nog eene aangelegenheid met je te bespreken en je weet ook welke…. Van Anna,” zeide Stipan na een korte pauze, waarin hij die onaangename herinnering trachtte te verdrijven. Bij het noemen van Anna’s naam onderging Karenins gelaat eene geheele verandering; in plaats van het kalme zelfbewustzijn, dat het tot hiertoe had gekenmerkt, trad daarop onrust, bezorgdheid en de wensch deze gevoelens te verbergen te voorschijn. Hij zag zijn zwager vijandig aan en was vooraf besloten hem niet toe te geven.

“Wat wil je dan eigenlijk van mij?” zeide hij, zich onrustig op zijn stoel bewegend.

“Eene echtscheiding, op een of andere wijze eene echtscheiding, Alexei Alexandrowitsch. Ik wend mij nu tot u, niet als tot den beleedigden echtgenoot,” wilde Stipan Arkadiewitsch zeggen, maar vreezende daardoor de zaak te bederven, zeide hij in de plaats: “Niet als tot een staatsman,” – hetgeen volstrekt niet te pas kwam, – “maar als tot een goed mensch en christen. Ge moet medelijden met haar hebben.”

“In welk opzicht?” vroeg Karenin met een koelen, spottenden lach.

“Ja, je moet medelijden met haar hebben! Had je haar gezien zooals ik, die haar den geheelen winter heb gadegeslagen, je zoudt u over haar ontfermen. Haar toestand is troosteloos, werkelijk troosteloos!”

“Mij dunkt,” antwoordde Karenin koud, “Anna Arkadiewna heeft alles, wat zij zelf gewenscht heeft.”

“Ach, Alexei Alexandrowitsch, om Gods wil! geen wedervergelding voor hetgeen eenmaal geschied is. Je weet wat zij nu wenscht en verwacht, namelijk de scheiding.”

“Maar ik meen, dat zij niets daarvan weten wil ingeval mijn zoon bij mij zou blijven? In dezen zin heb ik haar geantwoord en beschouw alzoo de zaak als geëindigd.”

“Om Gods wil, wind je niet op,” zeide Stipan Arkadiewitsch, de knie zijns zwagers aanrakend. “Sta me toe! De zaak is de volgende: Toen je van elkander gingt, handeldet gij zoo grootmoedig als men handelen kan, je stond haar alles toe, de vrijheid en – de scheiding. Zij wist dat te waardeeren. Ja, geloof me, zij heeft dat weten te waardeeren. Maar in de eerste oogenblikken was zij zich zoozeer haar schuld tegen u bewust, dat zij niet alles rijp heeft overlegd, maar zij kon ook niet alles overleggen….”

“Anna Arkadiewna’s leven kan mij niet interesseeren,” viel Karenin hem met opgetrokken wenkbrauwen in de rede.

“Maar haar positie in de wereld is eene onmogelijke,” ging Oblonsky voort, hem weder met de hand aanrakend, alsof hij overtuigd was, dat zulk eene aanraking zijn zwager zou verteederen: “Haar toestand is ondragelijk en kan slechts door u worden verlicht, en je verliest daarbij niets. En dan heb je het haar ook beloofd.”

“Te voren! Dat was een vroegere belofte! Maar mij dunkt de vraag omtrent mijn zoon heeft aan alles een einde gemaakt. Buitendien had ik ook gehoopt, dat Anna Arkadiewna zoo edelmoedig zou zijn….” Alexei Alexandrowitsch was bleek geworden en sprak dit met moeite en met bevende lippen.

“Zij laat ook alles aan uw edelmoedigheid over; zij smeekt en bidt u slechts om dit eene: haar uit dezen ondragelijken toestand te bevrijden. Zij maakt volstrekt geen aanspraak meer op den zoon. Alexei Alexandrowitsch, gij zijt een goed mensch. Stel je een oogenblik in haar plaats. De vraag der scheiding is voor haar een vraag van leven en dood. Had je het haar vroeger niet beloofd, dan zou zij zich met haar toestand verzoend hebben en zou op het land zijn gebleven; maar je hebt het haar beloofd, zij heeft je geschreven en is toen naar Moskou overgekomen; en hier in Moskou, waar elke ontmoeting haar als een dolksteek door het hart gaat, vertoeft zij nu sedert zes maanden, elken dag op de echtscheiding wachtende! Dat is evenzoo als dat men een ter dood veroordeelde maanden lang met den strop om den hals laat rondgaan en hem van daag den dood en morgen gratie in uitzicht geeft. Heb toch mededoogen met haar, en dan wil ik wel op mij nemen al het verdere te regelen. Vos scrupules….”

“Daarvan, daarvan spreek ik niet,” viel Karenin hem met onwil in de rede: “Maar ik heb wellicht iets beloofd, wat ik niet beloven mocht.”

“Je wilt dus herroepen, wat je beloofd hebt?”

“Ik heb nimmer een belofte verbroken, als het mogelijk was ze te vervullen. Maar ik wensch, dat men mij tijd laat om te overleggen, in hoever het mogelijk is, wat ik beloofd heb….”

“Neen, Alexei Alexandrowitsch,” riep Oblonsky uit en sprong op. “Dat kan en wil ik niet gelooven! Zij is zoo ongelukkig als slechts een vrouw zijn kan, en je kunt haar onmogelijk weigeren aan zulk….”

“Men kan slechts beloven wat mogelijk is. Vous professez d’être un libre-penseur – maar ik, als een geloovig mensch, kan in zulk een gewichtige zaak niet tegen de Christelijke geboden handelen.”

“Maar in de geheele Christenheid, en ook bij ons zooveel ik weet, is een echtscheiding geoorloofd.” antwoordde. Oblonsky en staarde opmerkzaam in het geheimzinnig en donker gelaat van zijn zwager. “Ook onze kerk laat een echtscheiding toe.”

“Zij laat ze toe, maar niet in dit geval.”

“Alexei Alexandrowitsch, ik herken je niet,” zeide Oblonsky na een oogenblik zwijgens. “Waart ge dan niet degene, die alles had vergeven en, slechts geleid door een Christelijk gevoel, bereid waart alles op te offeren?” Je hebt zelf gezegd: “Als men den rok neemt, wil ik ook den mantel geven…. En nu…!”

“Ik bid je,” zeide Karenin plotseling verbleekend met bevende en klagende stem, terwijl hij opsprong: “Ik bid je dit gesprek te staken….”

“Ach neen, vergeef mij als ik u leed gedaan heb,” zeide Oblonsky en reikte hem met een verlegen lachje de hand. “Maar ik moest als gezant toch aan mijn opdracht voldoen.”

Alexei Alexandrowitsch dacht na.

“Wanneer,” dacht hij, “zal eindelijk deze smaad en vernedering een einde nemen? Is het mogelijk, dat die eene fout, dat ik deze zedelooze vrouw heb gehuwd, al deze ellende heeft nagesleept? En welke vernederingen zullen nog volgen? En wanneer? Thans, nu ik mij geestelijk zoo verheven, bevrijd van menschelijke dwaasheden en zoo nabij mijn Heiland gevoel! Zal ik mijn belofte breken of – mij vernederen? Ik zelf kan dat niet beslissen. Ik zal mij in Gods hand stellen en Zijne leiding volgen.”

“Ik zal het overleggen en op een aanwijzing wachten. Overmorgen zal ik u mijn beslissend antwoord geven,” zeide hij peinzend.

Stipan Arkadiewitsch wilde heengaan, toen Karnej binnentrad en
“Sergej Alexejewitsch” aandiende.

“Sergej Alexejewitsch?” vroeg Oblonsky, doch zich dadelijk bezinnend, liet hij volgen: O, Serëscha! Ik dacht reeds aan den departements-directeur. Anna heeft mij verzocht ook Serëscha te groeten.

En hij herinnerde zich haar klagende, schuchtere uitdrukking, waarmede zij bij zijn heengaan gezegd had. “Je zult hem toch zien? Tracht ook uitvoerig te vernemen, hoe ’t hem gaat en wie bij hem is. En Stiwa … als het mogelijk ware! Het is misschien mogelijk!” Stiwa had de beteekenis van dit “als het mogelijk ware” verstaan, maar hij zag nu in, dat daaraan – dat bij de scheiding haar de zoon werd toegekend – volstrekt niet was te denken. Nu verheugde hij zich slechts zijn neef te zien.

Alexei Alexandrowitsch herinnerde zijn zwager, dat in tegenwoordigheid des zoons nimmer van de moeder werd gesproken en dat hij derhalve ook hem verzocht met geen woord aan haar te herinneren.

“Na het laatste wederzien zijner moeder is hij zeer ziek geworden,” zeide Alexei Alexandrowitsch. “Wij vreesden zelfs voor zijn leven. Maar een verstandige vrouw en de zeebaden hebben zijn gezondheid weer hersteld en nu heb ik hem op raad van den dokter op school gedaan. En de omgang met zijn makkers oefent inderdaad een goeden invloed op hem uit; hij is nu volkomen gezond en leert goed.”

“Welk een flinke jongen ben je geworden! Volstrekt geen Serëscha meer, maar al werkelijk een Sergej Alexejewitsch!” zeide Oblonsky lachend, terwijl hij den knappen, frisch opgegroeiden knaap aanzag, die driest en ongedwongen in zijn donker buis en lange pantalon de kamer binnenkwam. Hij groette zijn oom als een vreemde, maar bloosde toen hij hem herkende en wendde zich snel van hem af, alsof hem een of ander geërgerd had. Hij trad voor zijn vader en reikte hem zijn schoolattest over.

“Nu ’t is goed, je kunt weer gaan,” zeide de vader.

“Hij is slanker en grooter geworden; hij is geen kind meer, maar een jongen,” zeide Stipan Arkadiewitsch. “Kun je u mijner nog herinneren?”

De knaap zag haastig zijn vader aan.

“Ja ik herinner mij nog – mon oncle,” antwoordde hij en zag hem aan om dadelijk weer den blik neer te slaan.

De oom riep hem bij zich en nam zijn hand. “Nu, hoe gaat het je dan?” vroeg hij, wenschende een gesprek te beginnen, maar wist zelf niet, wat hij zeggen zoude.

De knaap bloosde en trachtte behoedzaam en zwijgend zijn hand terug te trekken. En als een vogel, dien men de vrijheid weder geeft, stond hij, toen zijn oom hem had losgelaten, slechts een oogenblik stil, om weder zijn vader vragend aan te zien, en verliet toen de kamer met snelle schreden.

Er was een jaar verloopen sedert Serëscha zijn moeder het laatst had gezien. Na dien tijd had hij niets meer van haar vernomen. In hetzelfde jaar was hij op school gekomen en leerde hij zijn makkers kennen en liefhebben. De droomen en herinneringen, die met zijn moeder in betrekking stonden, hielden hem na zijn ziekte niet meer bezig en hij beijverde zich zelfs zich er tegen te verzetten, daar hij er zich voor schaamde, dewijl hij ze wel gepast vond voor een meisje, maar niet voor een jongen, die reeds de school bezocht. Hij wist, dat tusschen zijn vader en zijn moeder eene oneenigheid was ontstaan, tengevolge waarvan zij gescheiden waren, en hij trachtte zich aan deze daadzaak te gewennen.

Toen hij zijn oom zag, die op zijn moeder geleek, werd het hem onbehagelijk te moede, want het deed in hem herinneringen ontwaken, waarvoor hij zich schaamde. Het was hem te onaangenamer, omdat hij uit eenige woorden, die hij toen hij aan de deur wachtte gehoord had, en uit de houding van vader en oom kon opmaken, dat juist over zijn moeder was gesproken. En om zijn vader niet te veroordeelen, met wien hij leefde en van wien hij afhing, vooral echter om zich niet aan zijn gevoeligheid over te geven, die hij vernederend achtte, poogde hij dien oom, die gekomen was om zijn rust te verstoren, niet aan te zien en niet aan datgene te denken, waaraan hij hem herinnerde.

Maar toen Stipan Arkadiewitsch, die kort na hem heenging, hem buiten op de trap inhaalde, hem bij zich riep en vroeg, hoe hij in de school de tusschenuren doorbracht, liet zich Serëscha, omdat hem de tegenwoordigheid zijns vaders niet stoorde, met hem in een gesprek in.

“Wij spelen nu altijd spoorweg,” antwoordde hij. “Ziet u, dat wordt zoo gedaan: Twee gaan op een bank zitten, dat zijn de passagiers, en een staat op den bank, de anderen spannen zich er voor. of alleen met de handen of met de gordelriemen. En dan gaat het door alle kamers. De deuren zijn al vooraf opengezet. Het moeilijkste is het daarbij conducteur te zijn.”

“Dat is zeker degene die staat?” vroeg Stipan lachend.

“Ja, daarbij moet men onbevreesd en vlug zijn, vooral als de anderen plotseling stilhouden of als iemand valt.”

“Ja, dat is geen gekheid,” zeide Oblonsky en zag treurig in deze levendige oogen, die geheel aan de moeder herinnerden, maar die niet meer geheel kinderlijk onschuldig waren. Deze lieve jongen boezemde hem deernis in, en hoewel hij Karenin beloofd had niet met hem over Anna te spreken, kon hij dit toch niet nalaten.

“Herinner je uw moeder nog?” vroeg hij plotseling.

“Neen, ik herinner mij niet,” antwoordde Serëscha snel, werd purperrood en sloeg de oogen neder. Verder vermocht de oom niets uit hem te halen.

Serëscha’s gouverneur vond een half uur later zijn kweekeling nog bij de trap en wist niet, of hij weende of ergens over mokte.

“Heb je u gestooten of ben je gevallen?” vroeg hij. “Ik heb altijd gezegd, dat dit een gevaarlijk spel is. Ik zal het den directeur nog moeten zeggen.”

“Als ik mij bezeerd had, zou niemand het merken; dat is wel zeker.”

“Wat scheelt er dan aan?”

“Ach, laat mij! Of ik mij herinner of niet, – wat gaat hem dat aan? Waarom zou ik mij herinneren? Laat mij met rust!” wendde hij zich niet tot zijn gouverneur, maar tot de geheele wereld.

Dat was de laatste herinnering van den zoon aan zijn moeder.

XIV.

Stipan bracht, zooals altijd wanneer hij in Petersburg was, zijn tijd niet werkeloos door. Buiten het afdoen van zijne ambtsgelegenheden moest hij zich in Petersburg ook, zooals hij zich uitdrukte, herstellen van de dompige Moskousche lucht.

Moskou was in weerwil van zijne cafés chantants en van zijn omnibussen toch gelijk aan een stilstaand water. Dat gevoelde Oblonsky bij elke gelegenheid. Had hij eenigen tijd in Moskou in den schoot zijner familie doorgebracht, dan werd hij gedrukt naar lichaam en geest en hij bespeurde, dat iets als bekrompen ploertachtigheid hem doordrong. Duurde zulk een verblijf geruimen tijd onafgebroken voort, dan kwam hij zelfs zoover, dat hem de ontstemming zijner vrouw verontrustte, dat hij zich over de gezondheid en opvoeding zijner kinderen, over allerlei kleine beuzelingen en zelfs over zijn schulden bekommerde. Maar nauwelijks was hij te Petersburg en verkeerde hij in den kring, waarin hij leefde en niet vegeteerde, dan verdwenen dadelijk al de bedenkingen en bezwaren; zij versmolten als was voor het vuur.

Zijn vrouw …? Nog heden had hij met vorst Tschatschenky gesproken; deze had ook een vrouw en reeds volwassen kinderen, zoons in het pagecorps, maar hij had daarbij nog een andere, illegitime familie, met verscheiden kinderen; en hij had in deze familie ook zijn oudsten wettigen zoon ingeleid en achtte dat voor de ontwikkeling van zijn zoon zeer geschikt. Wat zou men van iets dergelijks in Moskou zeggen?

Kinderen? In Petersburg hinderden de kinderen hun vaders niet om ongestoord te leven; zij werden op kostschool opgevoed, en de in Moskou algemeen heerschende meening, dat de kinderen alle weelde des levens toekwam, bestond in Petersburg niet. Hier was men van gevoelen, dat ieder mensch verplicht is voor zich zelf te leven en wel zoo als het een beschaafd mensch toekomt. Ook de ambtsdienst was hier niet zulk een onafgebroken, hopeloos zwoegen als in Moskou; hier was het voldoende zich relatie’s te scheppen, zijn persoon op den voorgrond te dringen – en men had zijn carrière gemaakt. Vooral echter werkte de Petersburger opvatting van geldelijke aangelegenheden geruststellend op Oblonsky. Bartujansky, die voor zijn levenswijze op grooten voet jaarlijks ten minste vijftigduizend roebel moest verteren, had hem gisteren een behartigenswaardig woord daarover gezegd.

Na het diner waren zij in een gesprek geraakt en Stipan Arkadiewitsch had tot Bartujansky gezegd: “Ik geloof, dat je op goeden voet staat met Mordwinsky; je zoudt mij een grooten dienst bewijzen, als je bij hem voor mij een goed woord wildet doen. Er is namelijk een post, dien ik gaarne bekomen zou; als medelid der agentuur….”

“Daar zou ik toch niet naar staan. Wat zou je u in zulke spoorwegzaken met dien Jood inlaten!? Zooals je wilt, maar het is iets afschuwelijks!”

Oblonsky had hem daarop niet geantwoord, dat het een levensvatbare zaak was, maar hij had geantwoord:

“Ik heb geld noodig, ik heb niet genoeg om te leven.”

“Je leeft toch?”

“Ik leef, maar de schulden….”

“Wat zeg je? Schulden? Vele?” had Bartujansky deelnemend gevraagd.

“Zeer veel. Twintig duizend.”

Bartujansky had lustig gelachen.

“Ach, gij gelukkig mensch! Ik heb anderhalf millioen schuld, meer niet, en leef toch voort en dat hindert volstrekt niet. De hoofdzaak is slechts er niet aan te denken.”

En Stipan Arkadiewitsch was niet slechts door deze woorden, maar ook door daadzaken van de juistheid dezer bewering overtuigd geworden. Schiwalow had driehonderdduizend schuld en geen kopeke in zijn kas en hij leefde toch en nog bovendien, hoe? Graaf Kriwzow was reeds lang opgegeven en hij onderhield twee minnaressen. Petrowsky had een vermogen van vijf millioen doorgebracht en leefde toch voort als vroeger en had een betrekking bij het ministerie van financiën gevonden met twintigduizend roebel tractement.

Dat alles verlichtte en troostte Oblonsky. Maar ook physisch werkte Petersburg weldadig op hem. Het verjongde hem. In Moskou had hij dikwijls bezorgd een blik geworpen op zijn grijzend haar, had na het middagmaal een kort slaapje gedaan en zich uitgerekt, ging langzaam en zwaar ademhalend de trap op, verveelde zich met jonge vrouwen en danste op de bals niet meer mede. In Petersburg gevoelde hij zich zoo opgewekt, alsof hij tien jaren jonger was geworden.

“Oblomowschina, [13] marmottenleven, alles verdwijnt bij de goede dagen in Petersburg,” zeide hij tot zich zelf.

Tusschen vorstin Betsy Twerskaja en Stipan Arkadiewitsch bestonden er oude, zonderlinge betrekkingen. Oblonsky had haar altijd schertsend het hof gemaakt en zeide haar schertsend de dubbelzinnigste dingen, daar hij wist, dat dit haar best beviel. Toen hij haar den dag na zijn gesprek met Karenin bezocht, gevoelde hij zich zoo jong, dat hij in zijn hofmakerij en onzinnig gebabbel zonder het te willen reeds zoover was gegaan, dat hij niet wist, hoe hij zich terug zou trekken, want zij beviel hem volstrekt niet en zelfs stond zij hem erg tegen. Maar het gesprek had dien toon aangenomen, omdat hij haar zeer beviel, en hij was zeer blijde over de komst van vorstin Miagkaja, waardoor aan het tête a tête een einde gemaakt werd.

“Ah, is u dat?” zeide deze toen zij hem zag. “Hoe gaat het uw arme zuster? U behoeft mij niet zoo aan te zien. Toen allen haar verguisden, allen die honderdmaal slechter zijn dan zij, vond ik, dat zij zeer goed had gehandeld. Ik kan het Wronsky niet vergeven, dat hij het mij niet heeft laten weten toen zij hier in Petersburg waren. Ik zou haar bepaald hebben bezocht en zou overal met haar zijn rondgereden. Ik bid u, zeg haar, hoeveel ik van haar houd. Maar vertel mij ook iets van haar.”

“Haar positie is zeer pijnlijk….” begon Stipan Arkadiewitsch, die haar woorden voor goede munt aannam, maar dadelijk viel de vorstin haar gedachte vervolgend hem in de rede:

“Zij heeft gedaan wat zoovelen doen, maar zij wilde niet bedriegen en heeft zeer goed gehandeld. Zij kon niets verstandigers doen dan uwen half gekken zwager – excuseer me – te verlaten. Allen zeggen, dat hij zulk een eminent man is, maar ik heb steeds gezegd, dat hij bekrompen en vervelend was. Nu echter, nu hij zich met gravin Lydia Iwanowna en met dien Landau heeft ingelaten, zeggen allen, dat hij half waanzinnig is, en ofschoon het mij genoegen gedaan heeft te protesteeren tegen hetgeen allen zeiden, kan ik nu toch toch niet anders dan met hen instemmen.”

“Maar verklaar mij eens een raadsel,” zeide Stipan Arkadiewitsch: “Gisteren was ik bij hem om over mijn zuster te spreken en verlangde een beslissend antwoord. Dezen morgen ontving ik in plaats van een antwoord eene uitnoodiging van gravin Lydia Iwanowna voor heden avond.”

“Dat is duidelijk,” antwoordde vorstin Miagkaja vroolijk: “Zij zullen
Landau vragen, wat zij doen moeten.”

“Landau?” Wie is deze Landau?”

“Wat? U kent Jules Landau den clairvoyant niet? Dat is ook een half waanzinnige, maar van hem hangt het lot uwer zuster af. Dat komt van uw leven in de provincie, daar weet men van niets! Weet u, Landau was in Parijs een winkelbediende en kwam eens bij een dokter. In de wachtkamer sliep hij in en begon in den slaap de zieken de merkwaardigste voorschriften te geven. Kent u Juri Maledinsky, die altijd ziek is? Nu, diens vrouw hoorde van dezen Landau en bracht hem bij haar man. Hij genas hem werkelijk. Het komt mij wel voor, dat hij volstrekt niet hersteld is, want hij is nog even krachteloos als te voren, maar zij zelf gelooven aan hem en voerden hem met zich rond en brachten hem met zich hierheen naar Rusland. Hier werd hij nu door allen bestormd en een ieder kon hij genezen. Zoo heeft hij ook gravin Lessabow genezen en zij heeft hem daarvoor in haar hart opgenomen, zoodat zij hem heeft geadopteerd.”

“Wat? Geadopteerd?”

“Zooals ik zeg: geadopteerd. Hij is nu geen Landau meer, maar een graaf Lessabow. Maar de zaak is nu deze: Ook gravin Lydia Iwanowna, van wien ik veel houd, ofschoon het in haar hoofd niet richtig is, heeft zich nu geheel aan Landau vastgeklampt, en zonder hem neemt zij geen besluiten, noch in haar, noch in Karenins huis, en daarom ligt het lot uwer zuster thans geheel in handen van dezen Landau, alias graaf Lessabow.”

XV.

Na een goed diner en een ruim genot van cognac, die hij bij Bartujansky gedronken had, trad Stipan Arkadiewitsch slechts een weinig na den bepaalden tijd bij gravin Lydia Iwanowna binnen.

“Wie is nog meer bij de gravin? De Franschman?” vroeg hij aan den portier.

“Alexei Alexandrowitsch en graaf Lessabow,” antwoordde deze op stuurschen toon.

“Miagkaja heeft toch juist geraden,” dacht Oblonsky, terwijl hij de trap opklom. “Zonderling! Maar het was toch goed, wat nader met haar bevriend te worden, want zij heeft een grooten invloed. Als zij een groot woord bij Promorsky voor mij doet, is alles in orde.”

Buiten het huis was het nog licht, maar in het kleine salon der gravin, waar de rouleaux waren nedergelaten, brandden de lampen reeds.

Aan een ronde tafel onder een lamp zaten Alexei Alexandrowitsch en de gravin zacht met elkander te spreken. Aan de andere zijde der kamer stond een bleek, mager man, met glanzend schoone oogen, lang haar, dat tot op den kraag van zijn jas afhing, en spichtige beenen. Hij beschouwde de portretten, die aan den wand hingen.

Nadat Oblonsky de huisvrouw en Karenin had gegroet, wendde hij zich onwillekeurig om naar dien zonderlingen persoon.

“Monsieur Landau,” zeide de gravin met een opvallend zachte stom en stelde beide heeren aan elkander voor.

Landau zag haastig om en legde in Oblonsky’s rechterhand een bewegelooze, vochtige, koude hand; toen trad hij dadelijk weer terug en ging in de beschouwing der portretten voort. De gravin en Alexei Alexandrowitsch zagen elkander beteekenisvol aan.

“Het doet me genoegen u te zien, vooral vandaag,” zeide de gravin, Oblonsky een plaats naast Karenin aanwijzende. “Ik heb u hem als Landau voorgesteld,” ging zij zacht met een blik op den Franschman en daarna op Karenin voort, “maar hij heet eigenlijk graaf Lessabow, zooals u wellicht weten zal. Maar hij houdt niet van dezen titel.”

“Ik heb er van gehoord,” antwoordde Oblonsky. “Men zegt, dat hij gravin Lessabow geheel heeft genezen.”

“Zij was vandaag bij mij en, ach, zij is zoo te beklagen. Deze scheiding is voor haar verschrikkelijk. Het is zulk een slag voor haar.”

“Hij vertrekt dus bepaald?” vroeg Alexei Alexandrowitsch.

“Ja, hij keert naar Parijs terug. Hij heeft gisteren eene stem gehoord,” antwoordde gravin Lydia met een blik op Oblonsky.

“O, eene stem!” hernam Oblonsky, beseffende, dat hij in een gezelschap, waar zulke vreemde omstandigheden voorkwamen, voorzichtig moest zijn.

Er volgde een korte pauze, waarin de gravin zich met een fijn lachje tot Oblonsky wendde, alsof zij op het hoofdonderwerp van het gesprek wilde komen.

“Ik ken u al lang, maar het doet mij genoegen u nader te leeren kennen. Les amis de nos amis sont nos amis. Maar om een vriend te zijn moet men zich geheel in den zielstoestand des anderen verplaatsen, en ik vrees, dat u dat ten opzichte van Alexei Alexandrowitsch niet geheel kunt doen. U zal begrepen waarvan ik spreek?” zeide zij en hief haar schoone, dweepende oogen tot hem op.

“Eenigszins, gravin, geloof ik Alexei Alexandrowitsch’s toestand te begrijpen….” antwoordde Oblonsky, die niet volkomen begreep wat zij bedoelde en derhalve meende iets algemeens te moeten zeggen.

“Met zijn uitwendige toestand heeft zich veranderd,” zeide de gravin terechtwijzend, terwijl zij met een verliefden blik Karenin volgde, die was opgestaan en naar Landau toetrad. “Zijn hart is veranderd, er is hem een nieuw hart gegeven en ik vrees, dat u zich niet genoeg in deze verandering heeft ingedacht.”

“Dat is te zeggen, in algemeene trekken kan ik mij deze verandering voorstellen. Wij waren steeds met elkander bevriend en nu….” zeide Oblonsky, terwijl hij met een teederen blik dien der gravin beantwoordde en overlegde, met welken der beide ministers zij in nader betrekking stond, om te weten bij wien hij haar verzoeken moest hem aan te bevelen.

“De verandering, die in hem heeft plaats gehad, heeft bij hem wel niet het gevoel van liefde voor den naaste kunnen verzwakken, maar integendeel ze verhoogd en veredeld; maar ik vrees, dat u nog niet begrijpt. Wil u geen thee?” vroeg zij met een blik op den bediende, die de thee ronddiende.

“Niet geheel, gravin. Zijn ongeluk….”

“Ja, maar een ongeluk, dat voor hem tot het hoogste geluk geworden is, doordat hij een nieuw hart heeft bekomen, dat van Hem is vervuld,” zeide zij en zag Oblonsky zoetsappig aan.

“Nu, geloof ik,” dacht deze, “dat ik met mijn verzoek, om voor mij bij een van beiden een goed woord te doen, kan voor den dag komen.”

“O, zeker, gravin,” antwoordde hij, “maar deze innerlijke veranderingen zijn van dien aard, dat geen mensch daar in kan dringen….”

“Integendeel, men moet daarover spreken en elkander helpen.”

“Ja, zeker; maar er bestaat zulk een verschil van overtuiging en bovendien….” zeide hij met een zalvend lachje.

“In zake der heilige waarheid kan er zulk een onderscheid niet bestaan.”

“U heeft gelijk, hoewel … maar….” Stipan Arkadiewitsch zweeg verlegen. Hier deed zich een dilemma voor: hij moest rond-borstig zeggen, dat hij een vrijdenker was en dan zou zij niets voor hem doen, of hij moest haar wat voorhuichelen, dat hem even onaangenaam was.

“Ik geloof, dat hij inslaapt,” fluisterde Alexei Alexandrowitsch geheimzinnig, terwijl hij weer bij de gravin kwam.

Stipan Arkadiewitsch keerde zich om. Landau zat bij het venster met den arm op de stoelleuning en het hoofd voorovergezonken. Toen hij de op hem gerichte blikken bemerkte, hief hij het hoofd op en zag hen aan, met een kinderlijk naïef lachje.

“Sla er geen acht op,'” zeide de gravin en schoof Karenin een stoel toe. “Ik heb opgemerkt, dat de Moskouers, vooral de mannen, in godsdienstig opzicht zeer onverschillig zijn.”

“O neen, gravin,” antwoordde Oblonsky; “ik geloof, dat de Moskouers den naam van het tegendeel hebben.”

“Maar gij zelf,” merkte Karenin met een vermoeiden glimlach op, “gij schijnt mij tot de onverschilligen te behooren.”

“Is het mogelijk zoo te zijn!” riep de gravin uit.

“Ik ben in deze dingen niet onverschillig, maar verkeer in afwachting,” zeide Oblonsky met zijn zachtste stem; “ik geloof, dat in dit opzicht mijn uur nog niet is gekomen.”

Alexei Alexandrowitsch en Lydia Iwanowna zagen elkander aan.

“Wij kunnen niet weten, of het uur is gekomen of niet,” zeide Karenin gestreng. “Niet daaraan mogen wij denken, of wij bereid zijn of niet; ons heil komt niet door menschelijk overleg; het komt dikwijls ook niet over degenen, die er naar streven, maar ook over hen, die het niet gezocht hebben, zooals over Saulus.”

“Neen, ik geloof niet, dat nu reeds….” sprak Lydia Iwanowna, die de bewegingen van den Franschman gevolgd had. Landau was opgestaan en kwam bij hen.

“Is ’t geoorloofd te hooren?” vroeg hij.

“O ja, zeker! Ik wilde u slechts niet storen,” antwoordde de gravin met een teederen blik. “Ga bij ons zitten.”

“Men mag slechts zijn oogen niet opzettelijk sluiten om van het licht verstoken te blijven,” ging Karenin voort.

“Ach, als u de zaligheid kende, die wij smaken, terwijl wij Zijne bestendige tegenwoordigheid in onze harten gevoelen,” zeide de gravin en lachte zalig.

“Maar de mensch gevoelt zich dikwijls niet in staat zich tot deze hoogte te verheffen,” antwoordde Oblonsky, die nog steeds met een lachje zijn onafhankelijkheid trachtte te verdedigen.

“U wil zeggen, dat de zonden hem hierin verhinderen,” zeide Lydia Iwanowna; “maar dat is een dwaling. Voor den geloovige is er geen zonde; want van de zonde zijn wij verlost…. “Pardon!” viel zij zich zelf in de rede en zag een bediende aan, die met een briefje binnen was gekomen en voor haar stond; zij las het briefje en gaf het mondeling antwoord. “Zeg maar: morgen bij de grootvorstin,” en toen in haar gesprek voortgaande, zeide zij: “Voor de geloovigen is er geen zonde….”

“Ja, maar het geloof zonder de werken is een dood geloof,” merkte Stipan Arkadiewitsch aan, die zich dit gezegde uit den catechismus meende te herinneren en steeds glimlachte, hoewel hij gevoelde, dat het een onnoozel lachen was.

“Zoo staat er in den brief van Jacobus,” zeide Karenin, met een verwijtenden blik op de gravin, als wegens een zaak waarover te voren al gesproken was. “Hoeveel onheil heeft de valsche uitlegging dezer plaats reeds veroorzaakt. Niets verwijdert meer van het geloof dan juist zulk een uitlegging….”

“Door zoogenaamde Gode welgevallige werken, door boete en vasten en dergelijke zijn ziel te redden,” zeide de gravin, “dat is een barbaarsche opvatting der monniken … zooals het nergens in de schrift bedeeld is. En het is toch zooveel eenvoudiger en lichter,” voegde zij er bij, terwijl zij Oblonsky met hetzelfde opwekkend lachje aanzag, waarmede zij aan het hof de jonge dames, die door de nieuwe omgeving beschroomd waren geworden, mettait à leur aise.

“Wij zijn door Christus verlost, die voor ons geleden heeft, en slechts door het geloof worden wij gered,” bevestigde Alexei Alexandrowitsch en bevestigde de uitspraak der gravin met zijn blik.

“Vous comprenez l’Anglais?” vroeg deze en, nadat zij een bevestigend antwoord had ontvangen, stond zij op en begon in het boekenkastje naar een boek te zoeken. “Ik zal u Save and Happy of ook Under the wing voorlezen,” zeide zij en zag daarbij Karenin vragend aan. Toen zij het boek gevonden had, zette zij zich neder en opende het. Hier is de weg aangewezen, waardoor men komt tot geloof en tot al dat geluk, dat de ziel bevredigt en dat meer is dan alle aardsch geluk. De geloovige kan niet ongelukkig zijn, want hij is niet alleen. “Ja,” zeide zij en hield haar vinger op een plaats in het boek, terwijl zij zuchtte en dwepend voor zich uit zag: “Zoo werkt het ware geloof! U kent Marie Sawin? Heeft u niet van haar ongeluk gehoord, dat zij haar eenig kind heeft verloren? Zij was volslagen wanhopig. En wat is geschied? Zij heeft dezen troost gevonden en kan nu God danken voor de ondergane beproeving. Dat is het geluk, dat het geloof schenkt.”

“O ja, dat is veel….” zeide Oblonsky zeer tevreden, dat er gelezen zou worden; hij wenschte tijd te vinden om zich te bezinnen. “Maar,” dacht hij, “het is toch beter haar vandaag nog niets te verzoeken. Hoe kan ik het aanleggen om maar van hier te komen.”

“Het zal u wellicht vervelen?” vroeg de gravin tot Landau gewend. “U verstaat geen Engelsch, doch het is maar kort.”

“O, ik zal het wel verstaan,” antwoordde Landau met hetzelfde lachje en sloot de oogen.

Alexei Alexandrowitsch en Lydia Iwanowna zagen elkander veelbeteekenend aan en de lectuur begon.

XVI.

Stipan Arkadiewitsch was volkomen neergedrukt door deze geheel nieuwe en nimmer gehoorde redeneeringen. In het algemeen werkte het bonte Petersburger leven zeer opwekkend op hem, maar hij beminde en begreep het slechts in de sferen, waartoe hij behoorde en die hem bekend waren; in deze hem vreemde sfeer daarentegen gevoelde hij zich beklemd, verlegen en begreep hij niets. Bij het aanhooren van de lectuur der gravin en, terwijl hij Landau’s naïeven of guitigen blik – hij wist niet welke de beteekenis was – op zich zag gevestigd, begon hij spoedig een eigenaardige zwaarte in het hoofd te gevoelen.

De meest verschillende gedachten dwarrelden door zijn hersenen: “Marie Sawin verheugt zich er over, dat haar kind dood is…. Nu zou het aangenaam zijn eens te rooken … om gered te worden behoeft men slechts te gelooven; de monniken weten er niets van hoe men dat aanvangt, maar gravin Lydia Iwanowna weet het. – Waarvan heb ik nu deze zwaarte in het hoofd? Van den cognac of omdat alles hier zoo zonderling is? Tot hiertoe, dunkt mij, heb ik mij goed gehouden, ik kan haar nu niet meer om iets verzoeken…. Men zegt, dat zij iemand dwingen om te bidden…. Als zij mij daartoe maar niet dwingen. Dat zou al te zot zijn…. Welk een onzin leest zij nu eigenlijk? Maar zij heeft een goede uitspraak…. Landau – Lessabow…. Waarom is hij een Lessabow?”

Oblonsky gevoelde onophoudelijk, dat zijn kinnebakken zich wilden openen om te geeuwen. Hij streek over zijn baard om zijn geeuwen te verbergen en trachtte zich te bedwingen. Maar onmiddelijk daarop bemerkte hij, dat hij al sliep en juist wilde beginnen te snorken. Hij kwam op hetzelfde oogenblik tot zich zelf, toen hij de stem der gravin hoorde zeggen: “Hij slaapt.”

Stipan Arkadiewitsch verschrok en kwam tot bezinning. Hij zag zich betrapt en gevoelde zich schuldig. Maar hij stelde zich dadelijk gerust toen hij bemerkte, dat de woorden “hij slaapt” niet hem, maar Landau hadden gegolden. De Franschman was even als Oblonsky ingeslapen, maar deze slaap werd door zijn geloovige vrienden, vooral door gravin Lydia met eerbied als iets verhevens beschouwd.

“Mon ami,” zeide zij fluisterend om den slapende niet te storen, terwijl zij behoedzaam de plooien van haar kleed opnam, tot Karenin – “mon ami, donnez lui la main. Vous voyez…. St!” fluisterde zij den juist weer binnenkomenden bediende toe: “er wordt niemand ontvangen.”

De Franschman sliep of deed alsof hij sliep en maakte, terwijl zijn hoofd tegen den stoel lag gezonken, met zijn afhangende hand zwakke bewegingen, alsof hij iets vangen wilde. Karenin stond op, trad naderbij en legde zijn hand in die van den Franschman. Ook Oblonsky was opgestaan en de oogen wijd openend om zich wakker te houden, zag hij nu den een dan den ander aan. Was dat alles werkelijkheid? Hij gevoelde, dat zijn hoofd meer en meer verward werd.

“Que la personne qui est arrivée la derniére celle qui demande qu’elle sorte – qu’elle sorte!” sprak de Franschman met gesloten oogen.

“Vous m’excuserez, mals vous voyez…. Kom tegen tien uur terug, beter nog morgen….”

“Qu’elle sorte!” herhaalde de Franschman ongeduldig.

“C’est moi – n’est ce pas?” En toen Oblonsky een bevestigend antwoord ontving, vergat hij, door het verlangen zich zoo spoedig mogelijk te verwijderen, geheel de aangelegenheid zijner zuster en datgene, wat hij de gravin had willen verzoeken, en ijlde op de teenen loopend de kamer en het huis uit als uit een verpest verblijf en de straat op, waar hij nog een poos met den koetsier der droschke praatte en schertste om zoo maar weer tot bezinning te komen.

Maar eerst in den Franschen schouwburg, waar hij nog bij het laatste bedrijf binnenkwam, en bij een glas champagne gevoelde hij zich weder in de onontbeerlijke lucht terugverplaatst, maar volkomen wel te moede werd hij dezen geheelen avond niet.

Toen hij te huis was gekomen, vond hij een briefje van gravin Betsy. Zij schreef hem, dat zij zeer verlangde het gisteren met hem begonnen gesprek ten einde te brengen en hem derhalve verzocht morgen by haar te komen. Toen hij dit las, nam zijn gezicht een onvergenoegde uitdrukking aan.

Hij was zeer slecht geluimd, wat hem anders zelden gebeurde, en kon in de eerste uren niet inslapen. Alles, waaraan hij dacht, was afschuwelijk, maar het afschuwelijkst en voor hem beschamendst was de herinnering aan den avond by gravin Iwanowna.

Den volgenden dag ontving hij van Karenin een besliste weigering ten opzichte van de echtscheiding, en hij begreep, dat deze beslissing haren grond had in datgene, wat de Franschman gisteren in zijn werkelijken of geveinsden slaap had gesproken.

XVII.

Hitte en stof hadden voor Anna en Wronsky het oponthoud in Moskou, waar de zon niet meer als in de lente scheen, maar als in den zomer brandde, waar de boomen op de boulevards reeds bladeren hadden en met stof bedekt waren, onaangenaam doen worden; maar hoewel reeds lang besloten weder naar Wasowijenskoije te verhuizen, bleven zij toch nog in Moskou voortwonen, want er werd in den laatsten tijd tusschen hen geene overeenstemming gevonden.

De gespannen toestand, die hen scheidde, had volstrekt geen uitwendigen grond, en alle pogingen om zich jegens elkander daarover te verklaren verergerden dien slechts. De grond daarvoor was van innerlijken aard, en wel bij haar gelegen in een vermeende waarneming van zijn verflauwde liefde en bij hem in het berouw, dat hij zich om harentwil in zulk een valsche positie had gebracht, dat zij hem, in plaats van ze te verlichten, nog verzwaarde.

Geen van beiden sprak zich daarover genoegzaam uit, maar ieder geloofde, dat de ander alleen in het ongelijk was, en beijverde zich dat den ander te bewijzen.

Naar haar inzien waren al de gewoonten, inzichten en wenschen van zijn geheele wezen op vrouwenliefde gericht, en deze geheele liefde moest haar alleen behooren. Maar nu was deze liefde verflauwd, derhalve moest hij een gedeelte daarvan op een andere vrouw hebben overgedragen en daarom was zij ijverzuchtig. Zij was het echter niet op een bepaalde vrouw, maar slechts omdat zijn liefde verflauwd was. Zonder een werkelijk voorwerp voor haar ijverzucht, zocht zij naar zulk een, nu hier dan daar. Vandaag was zij ijverzuchtig op lichtzinnige vrouwen, die berucht waren en met wie hij uit hoofde van betrekkingen uit vroeger dagen zoo licht in aanraking kon komen; morgen op dames, die hij in gezelschappen ontmoeten kon; dan weder op zijn wensch, die zij zich verbeeldde te bestaan, om met haar te breken en met een ander te trouwen. Vooral deze laatste ijverzucht kwelde haar het moest. Eenmaal, in een zwak oogenblik, had hij zich onvoorzichtig uitgelaten, dat zijn moeder hem zoo weinig kende, dat zij nog steeds plannen smeedde om hem met prinses Sorokin te doen trouwen. Terwijl zij nu alles door haar gedachten liet gaan, wat zij voor hem had opgeofferd, gevoelde zij steeds meer zijn onrecht en zijn harteloosheid. Van al het smartelijke, dat zij in haar toestand ondervond, gaf zij hem de schuld. Dezen kwellenden toestand van hopen en vreezen in zwevende pijn, Karenins aarzeling en besluiteloosheid, haar eenzame verlatenheid – alles schoof zij op zijn rekening. Als hij haar beminde, zou hij al lang de bezwaren van haar toestand begrepen en haar daarvan verlost hebben. Ook daarvan, dat zij zich nog altijd te Moskou en niet op het land bevonden, droeg hij alleen de schuld. Hoe zij het ook wenschen mocht, hij wilde zich niet op het land begraven; conversatie was voor hem behoefte on daardoor had hij haar in dezen ondragelijken toestand gebracht, waarvan hij de bezwaren niet begreep. En eindelijk was het ook nog zijn schuld, dat zij zonder haar zoon moest leven.

En nu hield hij op haar te beminnen, nu zij alles had verloren! Zelfs de steeds zeldzamer wordende oogenblikken van teedere liefde tusschen hen stelden haar niet gerust; zij zag daarin slechts nog eene uitdrukking zijner kalmte en zekerheid, die vroeger niet had bestaan en die haar nu vertoornde.

Wronsky van zijn zijde kon volstrekt niet begrijpen, waarom zij haar reeds zoo drukkend leven nog meer vergiftigde, waarom zij hem, die toch voor haar al zooveel had opgeofferd, bestraffen en kwellen wilde, daar hij toch nu evenals vroeger voortging haar in gedachten en daden getrouw te blijven. Hij kon zich zelf en haar de fout niet vergeven, dat zij zich buiten den echt verbonden hadden. Eerst nu begreep hij den geheelen omvang van zulk een valschen stap. In werkelijkheid was zij in zijn macht, maar haar zwakheid en hulpeloosheid gaven haar een buitengewone macht over hem; doch deze macht werd haar verleend door zijn eerlijkheid en teergevoeligheid. Maar deze macht misbruikte zij. “Ik ben slechts uw minnares, ge kunt mij verlaten,” had zij zelfs tot hem gezegd; en alsof zij hem opzettelijk in verzoeking wilde brengen, daagde zij hem uit tot den strijd. Toegeven kon hij haar niet in eene aangelegenheid, die zijn geheele leven betrof. Ook was het niet te begrijpen wat zij eigenlijk verlangde. Nu was het iets onmogelijks, een afzien van alles wat hem belang inboezemde, waardoor hij zich belachelijk zou maken, dan zijn onafgebroken verliefde nabijheid, zoodat hem dit, omdat het geëischt werd, bepaald tegenstond. Hoewel hij moest erkennen, dat zij in haar toestand uiterst beklagenswaardig was en dat men jegens haar zoo toegefelijk mogelijk zijn moest, vergat hij dit voornemen toch licht zoodra zij weder met elkander in betrekking kwamen. Haar onbillijkheid en haar levendig besef, dat zij aan zijn willekeur was overgegeven, verdroot hem; zij noodzaakte hem tot verdediging en afwering en dan, door haar ongerijmde, beleedigende uitvallen getergd, wond hij zich op en zeide haar dingen, die beter waren niet gezegd te zijn. Buitendien was het nu steeds haar wensch zijn physisch welgevallen op te wekken, en dit koketteeren met hem, deze bemoeiingen om door houding en kleeding indruk op hem te maken verkoelden hem, stieten hem meer van haar af dan dat ze hem aantrokken.

Het was in het schemeruur. Anna was alleen en verwachtte zijn terugkomst van een diner met ongehuwde heeren; zij ging in zijn kabinet, waar men het gedruis der straten het minste hoorde, op en neder en dacht over de bizonderheden van den pas voorgevallen strijd. Zij ging terug tot de aanleiding en kon het lang niet gelooven, dat een twist had kunnen ontstaan uit een onschuldig voor beiden onverschillig gesprek. En toch was het zoo geweest. Hij had zich over de gymnasiën voor meisjes vroolijk gemaakt en ze voor overtollig verklaard, zij daarentegen had ze verdedigd. Hij had bovendien verachtelijk over de beschaving der vrouwen gesproken en de meening geuit, dat Hanna, de door Anna geprotegeerde Engelsche, volstrekt niets van de physica behoefde te weten.

Dat had Anna verdroten; zij had daarin eene minachtende opmerking over haar doen en streven gezien en zij antwoordde hem met een gezegde, dat de haar veroorzaakte smart weer moest vergelden.

“Ik verwacht volstrekt van u niet meer, dat gij aan mijn gevoelen denkt als iemand, die mij lief heeft,” had zij gezegd.

En hij was rood geworden van ergernis en had iets onaangenaams geantwoord. Haar antwoord had zij vergeten, maar hij had haar daarop, met het blijkbaar oogmerk haar te kwetsen, gezegd:

“Voor mij is inderdaad uwe voorliefde voor dit jonge meisje weinig interessant en wel daarom, dat ze onnatuurlijk is.”

Deze wreedheid, waarmede hij de wereld verstoorde, die zij zich gebouwd had om haar moeielijk leven te kunnen dragen, deze onbillijkheid, waarmede hij haar van onoprechtheid en onnatuurlijkheid beschuldigde, had haar opgewonden.

“Het doet mij leed, dat slechts het ruwe en materieele u begrijpelijk en natuurlijk voorkomt,” had zij geantwoord en was toen de kamer uitgegaan.

Toen hij nu daarop gisteravond weder bij haar was gekomen, hadden zij den gevoerden twist niet aangeroerd, maar beiden hadden het gevoel gehad, dat hij wel geëindigd, maar niet spoorloos voorbijgegaan was.

Heden was hij den geheelen dag nog niet te huis gekomen en zij gevoelde zich zoo verlaten en de verwijdering tusschen hen drukte haar zoo zwaar, dat zij bereid was alles te vergeven en te vergeten, zich met hem te verzoenen, zich zelf aan te klagen en hem te verontschuldigen.

“Ik zelf heb schuld. Ik was opgewonden, onverstandig, ijverzuchtig. Wij zullen ons met elkander verzoenen en naar het land vertrekken. Daar zal ik weer kalm en rustig zijn,” zeide zij tot zich zelf.

“Dat is onnatuurlijk,” klonk haar plotseling weer het woord van gisteren in de ooren; maar de woorden beleedigden haar minder, dan veel meer zijn oogmerk om haar te kwetsen. “Ik weet, wat hij daarmede zeggen wilde: Het is onnatuurlijk, als men een eigen dochter heeft, een vreemde lief te hebben. Alsof hij de liefde der moeder voor de kinderen begrijpt! Mijn liefde voor Serëscha, die ik om zijnentwil heb opgeofferd! Maar dit opzet om mij leed te doen! Neen, hij bemint eene andere, anders is het niet verklaarbaar!”

En zij bemerkte, dat zij zich, terwijl zij zich wilde geruststellen, in denzelfden kring rondbewoog en nu weer op het punt stond tot haar eersten toorn terug te keeren; toen verschrikte zij van zich zelf.

“Is het dan niet mogelijk? Kan ik het werkelijk niet over mij verkrijgen?” En zij begon weer van voren af aan.

“Het is waar, hij is eerlijk en bemint mij. Ook ik bemin hem en in de naaste dagen zal de scheiding komen. Wat wil ik dan meer? Ik moet kalmte, vertrouwen hebben, ik moet mij zoover overwinnen. Ja, als hij nu komt, wil ik hem zeggen, dat ik ongelijk heb, al heb ik ook gelijk, en dan willen we afreizen.”

Toen, om niet verder te tobben en niet andermaal opgewonden te worden, schelde zij en beval de koffers te brengen, die zij pakken en mede naar het land nemen wilde.

Ten tien ure kwam Wronsky.

XVIII.

“Nu heb je u geamuseerd?” vroeg zij, terwijl zij hem met vriendelijke en schuldbewuste houding te gemoet ging.

“Als gewoonlijk,” antwoordde hij, bij den eersten blik bespeurend, dat zij goed geluimd was.

Hij was reeds aan zulk een afwisseling harer gemoedsstemming gewoon, maar verheugde zich er heden des te meer over, daar hij zelf goed gestemd was.

“Wat zie ik? Dat is best!” zeide hij en wees op de koffers in de voorkamer.

“Ja, wij moeten weg. Ik was gaan wandelen en nu kwam het mij voor, dat het aangenaam zou wezen weder buiten te zijn. Er is toch niets, dat je hier terughoudt?”

“Ik heb geen anderen wensch. Ik kom dadelijk terug en dan zullen wij het bespreken. Ik wil mij slechts omkleeden. Laat intusschen de thee brengen.”

Hij ging in zijn kabinet.

Er lag iets opvallends in zijn “dat is best,” iets alsof hij tot een kind sprak, dat zijn caprices liet varen; de tegenstelling tusschen haar verzoenlijken en zijn zelfbewusten toon was beleedigend, zoodat een oogenblik de begeerte bij haar opkwam zich tot den strijd voor te bereiden, maar zij beheerschte zich en volhardde in haar vriendelijke houding.

Toen hij terugkwam, vertelde zij hem, hoe zij den dag had doorgebracht en besprak met hem haar reisplannen.

“Weet je, het is als een inspiratie in mij opgekomen, waarom zouden wij op eene scheiding wachten? Dat is op het land toch ook onverschillig. Ik kan niet langer wachten. Ik wil niets hopen, niets meer van scheiding hooren. Ik ben het met mij zelf eens geworden, dat dat op mijn leven volstrekt geen invloed zal hebben. Ben je dat ook met mij eens?”

“O ja,” antwoordde hij en zag eenigszins ongerust in haar opgewonden gelaat.

“Wat heb je daar gedaan? Wie waren er?” vroeg zij een poos daarna.

Wronsky noemde de gasten op. Het diner was uitstekend geweest, ook de wedren en al het overige; slechts kon men in Moskou niet buiten iets bespottelijks. Zoo was, onder andere, ook een dame opgetreden, de zwemonderwijzeres der koningin van Zweden, en had haar kunst getoond.

“Wat? Zij heeft je wat voorgezwommen?” vroeg Anna ontevredend wordend.

“Ja, in een rood zwempak. Maar zij was oud en leelijk. Derhalve wanneer zullen w£j vertrekken?”

“Welk een zotte inval! Zwom zij dan zoo bizonder?” vroeg Anna, zonder hem te antwoorden.

“Volstrekt niet bizonder. Ik zeg immers ook, dat zij afschuwelijk was. Dus, wanneer dunkt je, dat we moeten afreizen?”

Anna schudde het hoofd, alsof zij eene onaangename gedachte verdrijven wilde.

“Afreizen? Waarheen? O ja! Hoe eer hoe beter. Morgen zullen we wel niet gereed zijn. Maar overmorgen.” “Ja…. Neen! Wacht eens. Overmorgen is het Maandag; dan moet ik bij mama zijn,” zeide Wronsky en werd verlegen; want nauwelijks had hij zijn moeder genoemd, of hij zag haar opmerkzamen, argwanenden blik op zich gevestigd. Haar gelaat ontgloeide en zij naderde hem. Het was nu niet meer de Zweedsche zwemonderwijzeres, die voor Anna’s oogen opdaagde, maar prinses Sorokina, die met gravin Wronsky een villa in de nabijheid van Moskou bewoonde.

“Kun je er morgen niet heengaan?” vroeg zij.

“Neen; de zaak, waarvoor ik er heen moet – haar volmacht en het geld – kan ik morgen nog niet bekomen,” antwoordde hij.

“Als het zoo is, dan vertrekken wij in het geheel niet.”

“Waarom niet?”

“Later vertrek ik niet. Maandag of nooit!”

“Waarom dan?” vroeg Wronsky verwonderd; “dat heeft immers geen zin of reden.”

“Voor u heeft het geen zin of reden omdat ik je niets aanga, want je wilt mij niet begrijpen. Het eenige, wat mij hier nog bond, was het belang van Hanna – maar dat heb je onnatuurlijk genoemd. Je hebt immers gezegd, dat ik mijn dochtertje niet liefheb en mij aanstelde, alsof ik van de Engelsche veel hield en dat dit onnatuurlijk was. Ik zou wel willen weten, welk leven hier voor mij natuurlijk zijn kon?”

Een kort oogenblik kwam zij tot bezinning en verschrikte, dat zij haar voornemen zoo ontrouw was geworden. Maar hoewel zij wist, dat zij zich te gronde richtte, kon zij zich niet onthouden hem te toonen, dat hij ongelijk had en dat zij zich niet aan hem wilde onderwerpen.

“Dat heb ik nimmer gezegd. Ik heb slechts gezegd, dat ik van deze uwe plotselinge genegenheid geen begrip had.”

“Waarom wil jij, die toch zoo met je openhartigheid praalt, de waarheid niet zeggen?”

“Ik heb geen onwaarheid gesproken en het doet me zeer leed, dat je mij niet acht,” zeide hij zacht en bedwong den opkomenden toorn.

“Met achting wil men de ledige plaats aanvullen, waar liefde zijn moest. En als je mij niet meer bemint, was het beter en eerlijker, dat je het mij zeidet.”

“Neen, dat is onuitstaanbaar!” riep Wronsky uit en sprong van zijn stoel op. Hij ging voor haar staan en zeide langzaam, maar met een uitdrukking alsof hij nog veel te zeggen had: “Waarom, waarom stel je zoo mijn geduld op de proef? Alles heeft zijn grenzen.”

“Wat wil je daarmede zeggen?” riep zij uit en zag met schrik in zijn gelaat de uitdrukking van haat, die vooral in zijn dreigende, toornige oogen vlamde.

“Ik wil daarmede zeggen,” begon hij, maar weerhield nog zijn woorden. “Ik moet u vragen: wat wilt ge van mij?”

“Wat kan ik willen? Je denkt, dat ik slechts den éénen wensch koester, dat ge mij niet zult verlaten,” zeide zij, terwijl zij alles wel begreep, wat hij niet had uitgesproken. “Maar dat staat in de tweede rij. Ik wil liefde en die is niet aanwezig. Derhalve is alles ten einde!”

Zij ging naar de deur.

“Wacht! Wacht!” zeide Wronsky. Zijn wenkbrauwen waren donker samengetrokken, als te voren, maar hij nam haar bij de hand. “Waar is het eigenlijk om te doen? Ik heb gezegd, dat wij ons vertrek moeten verschuiven tot den derden dag, en jij hebt daarop geantwoord, dat ik een leugenaar en oneerlijk man ben.”

“Ja, en ik herhaal, dat een man, die mij voor de voeten werpt, dat hij alles voor mij heeft opgeofferd,” zeide zij, herinnerende aan den twist van den vorigen dag, “dat zulk een man nog erger is dan oneerlijk: hij is een man zonder hart.”

“Neen, het geduld heeft zijn grenzen!” riep hij uit en liet haar hand los.

“Het is duidelijk, hij haat mij,” dacht zij en ging, zonder om te zien, zwijgend de kamer uit.

“Hij bemint eene andere vrouw, dat is duidelijk,” sprak zij bij zich zelf in haar boudoir. “Ik wil liefde, maar deze is er niet. Derhalve is alles uit – en ik moet er een einde aan maken. Maar hoe?” vroeg zij zich af en zette zich in den stoel voor den spiegel neder.

Zij ging in haar gedachten na, waarheen zij zich nu zou begeven, of naar de tante, bij wie zij was opgevoed, of naar Dolly of naar het buitenland; zij vroeg zich, wat hij nu deed, waar hij was en of deze oneenigheid beslissend, of een verzoening nog mogelijk zou zijn, wat nu haar vroegere Petersburger kennissen van haar zeggen zouden, wat Alexei Alexandrowitsch er van zou denken. Deze en andere gedachten vlogen haar door het hoofd; maar zij stond er niet bij stil. In het diepst harer ziel lag eene andere, nevelachtige gedachte, die haar alleen belang inboezemde. Met de gedachte aan Karenin verbond zich bij haar de herinnering aan den tijd van haar laatste bevalling, toen het gevoel: “ach, waarom ben ik niet gestorven?” haar niet verliet. Dit gevoel en die vraag van destijds herinnerde zij zich. Dat lag in haar ziel, dat was een gedachte, die alleen alles oploste – ja! sterven!…

“De schimp en de schande van Alexei en Serëscha en mijn eigen ontzettende smaad – alles wordt door den dood uitgedelgd. Ja, sterven! En hij zal berouw hebben, hij zal mij betreuren en beminnen en lijden om mijnentwil….”

Met een bestendig lachje van medelijden met zich zelf zat zij daar in haar stoel en trok de ringen van de linkerhand om ze er weer aan te steken, terwijl zij zich levendig zijn gewaarwordingen na haar dood voorstelde.

Daar naderden schreden, zijne schreden. Alsof zij met haar ringen bezig was, wendde zij zich niet naar hem om.

Hij trad op haar toe, greep haar hand en sprak zacht:

“Anna, laat ons dan overmorgen vertrekken, als je wilt. Ik ben tot alles bereid.”

Zij zweeg.

“Nu?” vroeg hij.

“Je weet zelf….” zeide zij, doch in hetzelfde oogenblik was zij niet meer in staat zich in te houden, maar brak in tranen uit. “Verlaat mij, verlaat mij!” sprak zij tusschen haar snikken. “Ik vertrek morgen … ik wil nog meer doen … wat ben ik? Eene zedelooze vrouw! Een steen om den hals! Ik wil je niet kwellen, ik wil het niet! Ik wil je vrij maken! Je bemint mij niet, je bemint eene andere!”

Wronsky bezwoer haar kalm te worden en verzekerde plechtig, dat er ook niet een schaduw van grond voor haar ijverzucht bestond, dat hij nimmer had opgehouden en nimmer zou ophouden haar te beminnen en dat hij haar nu meer dan ooit beminde. “Anna, waarom je zelf en mij zoo te kwellen?” zeide hij en kuste haar handen.

Zijn gelaat drukte innige liefde uit en zij meende het geluid der tranen in zijn stem te hooren en het vocht daarvan op haar hand te voelen – en plotseling ging Anna’s wanhopige ijverzucht in de hartstochtelijkste teederheid over. Zij omarmde hem en bedekte zijn hals, hoofd en handen met kussen.

XIX.

In het gevoel eener volkomen verzoening ging Anna den volgenden morgen dadelijk de voorbereidselen voor de afreis maken. Hoewel nog niet besloten, of zij Maandag of Dinsdag zou vertrekken – want de een wilde nu den ander toegeven, – maakte zij zich toch geheel voor de reis gereed.

Zij stond in haar kamer, over een open koffer gebogen, toen hij, reeds geheel gekleed, vroeger dan gewoonlijk bij haar binnentrad.

“Ik rijd terstond weg naar mama. Het geld kan zij nog met Egarow wel nazenden, en morgen ben ik gereed,” zeide hij.

Hoe goed geluimd zij ook was, de tocht naar het landhuis zijner moeder was haar onaangenaam.

“Neen, ik zelf zal dan niet gereed zijn,” antwoordde zij en dacht te gelijk: “Dus was het hem toch wel mogelijk het zoo te schikken als ik wenschte. – Neen, schik het zooals je wilt. Ga in de eetkamer, ik volg je dadelijk. Ik wil hier nog maar in een paar minuten eenige nuttelooze dingen terugleggen.” En zij legde nog meer op den berg van lappen en kleedingstoffen, die Annuschka reeds op de armen had.

Wronsky gebruikte juist zijn beefsteak, toen zij bij hem in de kamer kwam.

“Je kunt niet denken hoe mij deze kamers tegenstaan,” zeide zij en zette zich naast hem om een kop koffie te drinken. “Niets is afschuwelijker dan deze chambres garnies. Zij hebben geen uitdrukking en geen ziel. Deze pendules, deze gordijnen en tapijten – drukken iemand als de nachtmerrie. Ik denk aan Wosdwijenskoje als aan het beloofde land. Zendt je de paarden nog niet weg?”

“Neen, zij zullen nakomen. Wil je uitrijden?”

“Ik wilde naar Wilson en haar eenige japonnen brengen. Dus bepaald morgen?” zeide zij met opgeruimde stem; maar plotseling veranderde haar gelaat.

Wronsky’s kamerdienaar was binnengekomen en zocht de kwitantie van een telegram uit Petersburg. Het was niets ongewoons, dat Wronsky een telegram ontving, maar alsof hij voor haar iets verbergen wilde, zeide hij, dat de kwitantie in zijn kabinet lag en wendde zich snel tot haar:

“Ja, morgen ben ik bepaald met alles gereed.”

“Van wie is dat telegram?” vroeg zij.

“Van Stiwa. Ik wilde het je niet laten zien.”

“Waarom niet? Welk geheim kan Stiwa hebben?”

Wronsky riep den knecht terug en beval hem het telegram te brengen.

“Ik wilde het je niet laten zien. Stiwa heeft altijd een hartstocht om te telegrafeeren. Wat geeft dat als er toch niets beslist is?”

“Wegens de scheiding?”

“Ja, maar hij wil nog nader schrijven. Tot hiertoe is hij niet geslaagd. Hij belooft in den brief een beslissend antwoord. Je kunt het zelf lezen.”

Anna nam met sidderende hand het telegram en las wat Oblonsky geseind had. Aan het slot stond: “Er is weinig hoop. Zal het mogelijke en onmogelijke beproeven.”

“Ik heb je gisteren gezegd, dat scheiding of geen scheiding mij geheel onverschillig zijn,” zeide zij blozend. “Het was niet noodig het voor mij geheim te houden.” En zij dacht: “Evengoed kan hij ook zijn correspondentie met andere vrouwen voor mij geheim houden.”

“Jawschin wilde heden voormiddag met Woitow komen,” zeide Wronsky. “Ik geloof, dat hij Peszow alles heeft afgewonnen en nog meer dan hij betalen kan; bijna zestigduizend roebel.” “Neen,” zeide zij, vertoornd, omdat hij met deze wending van het gesprek blijkbaar te kennen gaf, dat zij opgewonden was. “Waarom denk je, dat dit telegram mij dermate zou interesseeren, dat het voor mij geheim moest worden gehouden? Ik heb toch gezegd, dat ik daaraan volstrekt niet meer denken wil, en wensch ook, dat gij u daarvoor even weinig zult interesseeren als ik.”

“Ik interesseer mij daarvoor, omdat ik een zuiveren, klaren toestand wensch.”

“Die is niet gelegen in den uiterlijken vorm, maar in de liefde,” antwoordde zij, minder door zijn woorden dan door den toon van koele bezonnenheid, waarop hij sprak, bij toeneming opgewonden. “Waarom is dat je wensch?”

“Mijn hemel! Al weder deze liefde!” dacht hij en fronste het voorhoofd.

“Je weet waarom. Voor u en voor de kinderen, die wij hebben kunnen,” zeide hij.

“Wij zullen geene kinderen hebben.”

“Dat zou jammer zijn!”

“Derhalve voor de kinderen is het noodig! Aan mij denk je niet.” Zij had vergeten of niet gehoord, dat hij gezegd had: “voor u en de kinderen.”

De vraag, of zij kinderen hebben zouden, was reeds lang een teeder punt tusschen hen. Zijn wensch om kinderen te hebben verklaarde zij daarmede, dat hij haar schoonheid voor niets rekende.

“Ach, ik heb ook gezegd: voor u; het meeste voor u!” hernam hij met een verdrietig gelaat, “daar ik overtuigd ben, dat je opgewondenheid meest veroorzaakt wordt door de onzekerheid van je toestand.”

“Ja, nu veinst hij niet meer en zijn koele onverschilligheid komt te voorschijn,” dacht zij; zij had op zijn woorden geen acht gegeven en zag nu in zijn oogen den koelen rechter, die haar onderzoekend aanzag.

“Dat is de oorzaak niet,” zeide zij, “en ik begrijp volstrekt niet, hoe je de oorzaak van mijn vermeende opgewondenheid kunt zien in de omstandigheid, dat ik geheel in je macht ben. Wat is er dan in mijn toestand onklaar en onzeker? Integendeel….”

“Ik betreur het, dat je mij niet wilt begrijpen,” viel hij haar in de rede, met den wensch zijn gedachten haar volkomen duidelijk te maken. “Die onzekerheid bestaat juist daarin, dat je mij als vrij, als niet gebonden beschouwt….”

“Daaromtrent kun je volkomen gerust zijn,” antwoordde zij en begon, terwijl zij zich van hem afwendde, haar koffie te drinken. Zij bracht het kopje aan den mond en nadat zij een teug had genomen, zag zij Wronsky aan en bemerkte duidelijk, dat haar houding van onverschilligheid hem verdroot. Zij zette het kopje weer neder.

“Het is mij onverschillig, hoe je moeder over mij denkt en welke huwelijksplannen zij voor je smeedt.”

“Daarvan spreken wij nu niet.”

“Ja wel! En geloof mij, elke vrouw zonder hart, zij mag oud of jong zijn, zij mag je moeder of een andere zijn, is mij volmaakt onverschillig.”

“Anna, ik bid je mijn moeder te respecteeren.”

“Eene vrouw, wier hart niet kan gevoelen, waarin het geluk en de eer van haar zoon zijn gelegen, zulk eene vrouw heeft geen hart.”

“Ik herhaal mijn verzoek om van mijn moeder, die ik vereer, niet zoo verachtelijk te spreken,” zeide hij, terwijl hij de stem verhief en haar ernstig aanzag.

Zij antwoordde niet, maar mat hem met de oogen. Zij herinnerde zich tot in kleinigheden het verzoeningstooneel van den vorigen dag en zijn hartstochtelijke teederheid.

“Dezelfde liefkozingen heeft hij ook aan andere vrouwen verspild of hij wil en zal het doen!” dacht zij en, terwijl zij hem met een toornigen blik aanzag, voegde zij er luid bij:

“Je houdt volstrekt niet van je moeder, dat is niets dan een phrase en nog eens een phrase!”

“Als het zoo gesteld is, moet men….”

“… Een besluit nemen, en ik ben besloten,” antwoordde zij en wilde gaan. Maar op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en trad Jawschin binnen.

Anna beantwoordde zijn groet en bleef in de kamer. Zij onderdrukte dadelijk den opgekomen storm in haar binnenste, nam weer plaats en trad met haar gast in gesprek.

“Hoe staat het met de schuld? Zou ze u betaald worden?” vroeg zij.

“Alles zal ik wel niet bekomen,” antwoordde hij. “Woensdag vertrek ik. Wanneer reist u af?”

“Ik denk overmorgen,” antwoordde Wronsky.

“Je hebt dat al zoo lang voorgenomen, dat ik denk, dat je ook ditmaal niet wegkomt.”

“Daarvan ben ik zelfs overtuigd,” zeide Anna en zag daarbij Wronsky met een blik in de oogen, die beteekende: vat dit kalm gesprek niet op als een bewijs van de mogelijkheid eener verzoening.

“Heeft u geen medelijden met den ongelukkigen schuldenaar?” wendde zij zich tot Jawschin.

“Ik heb dit mij zelf nooit gevraagd, Anna Arkadiewna. Mijn geheel vermogen draag ik hier” en hij wees op zijn borst. “Heden ben ik een rijk man, maar ga ik in de club, dan kom ik van avond misschien als een bedelaar terug. Hij, die zich met mij aan de speeltafel zet, doet ook zijn uiterste best om mij het vel over de ooren te halen. Zoo kampen wij met elkander en juist daarin bestaat het genoegen.”

“Maar als u getrouwd was,” zeide Anna, “hoe zou uw vrouw dan te moede zijn?”

Jawschin lachte.

“Om die reden ben ik ook ongetrouwd en zal het ook blijven.”

“En Helsingfors?” zeide Wronsky lachend en zag daarbij Anna aan, die ook lachte. Hun blikken ontmoetten elkander, maar Anna’s gelaat nam dadelijk een koele, terughoudende uitdrukking aan, alsof zij zeggen wilde: “Niet vergeten! Tusschen ons blijft het onveranderd.”

“Was u werkelijk eenmaal verliefd?” vroeg zij Jawschin.

“O, mijn God, hoe dikwijls! Maar begrijp mij wel: Altijd zoo, dat ik er de speeltafel niet om verzuimde.”

“Maar hoe was het met die, daar te …?” Zij wilde vragen: “te Helsingfors,” maar zij wilde dit woord niet herhalen, omdat Wronsky het reeds had uitgesproken.

Op dit oogenblik trad Woitow binnen, die Wronsky’s hengst wilde koopen. Anna stond op en verliet met onverschillig voorkomen de kamer.

Voor Wronsky wegreed, zocht hij Anna nog eenmaal op. Toen zij zijn schreden hoorde, nam zij een boek en deed alsof ze las.

“Wat wensch je?” vroeg zij in het Fransch.

“Ik zoek naar Gambetta’s stamlijst; ik heb hem verkocht,” antwoordde hij op een toon, die meer dan woorden duidelijk uitdrukte: “Tot eene uitlegging heb ik geen tijd, ook zou het tot niets leiden.”

“Ik heb niets tegen haar misdaan,” dacht hij. “Wil zij zichzelf straffen, tant pis pour elle.”

Toen hij reeds wilde heengaan, scheen het hem alsof zij iets gezegd had en een plotseling medelijden met haar doordrong zijn hart.

“Was is het Anna?” vroeg hij.

“Ik? Niets!”

“Tant pis!” dacht hij weder en werd plotseling weer koel, keerde zich om en verliet de kamer. Toen hij in deur gekomen nog een blik in de kamer wierp, zag hij in den spiegel haar bleek gelaat en hoe haar lippen beefden. Hij had behoefte haar een vriendelijk woord te zeggen, maar het was te laat, hij bevond zich al buiten de deur voor hij een aanknoopingspunt had kunnen vinden.

Hij bracht den geheelen dag buitenshuis door en toen hij laat in den avond terugkeerde, zeide het dienstmeisje hem, dat haar meesteres hoofdpijn had en hem liet verzoeken niet bij haar te komen.

XX.

Nog nimmer was er een dag verloopen zonder dat zij een te voren gevoerden twist hadden bijgelegd. Heden was dit voor de eerste maal niet geschied. Het was de openbare erkentenis eener sterker geworden verkoeling hunner gevoelens voor elkander.

Hoe kon hij haar bij de binnenkomst, toen hij naar het attest van het paard zocht, zoo aanzien, haar, wier hart bijna van vertwijfeling brak? En met een onverschillig, kalm gelaat kon hij haar voorbijgaan! O, hij was niet slechts jegens haar verkoeld, neen, hij haatte haar, dat was duidelijk, hij beminde eene andere.

En terwijl zij zich alle door hem gesproken harde woorden in het geheugen terugriep, dacht zij er nog de woorden bij, die hij haar blijkbaar had willen zeggen, en zoo wond zij zich meer en meer op.

“Ik houd je niet vast,” had hij kunnen zeggen. “Je hebt u van uw man niet laten scheiden, waarschijnlijk om tot hem terug te keeren. Zoo keer maar terug. Als je geld noodig hebt, zal ik het je geven. Hoeveel roebel heb je noodig?”

Zulke wreede woorden, die een ruw mensch slechts had kunnen bezigen, legde zij hem in haar verbeelding in den mond en, alsof hij ze werkelijk had gesproken, vergaf zij ze hem niet. En onmiddellijk daarop zeide zij weer tot zich zelf:

“Maar was het niet eerst gisteren, dat hij mij liefde zwoer, dat hij zich een eerlijk en teedergevoelig man betoonde? En hoe dikwijls heb ik niet gevreesd en getwijfeld om een beuzeling!” –

Zoo bracht Anna dezen geheelen dag (met uitzondering van een bezoek van een paar uren bij Wilson) in twijfel door, of alles ten einde was of dat nog uitzicht op verzoening bestond, of wel of het niet beter was, dat zij dadelijk vertrok zonder hem nog eenmaal te zien. Zij verwachtte hem den geheelen dag, maar toen zij ’s avonds haar kamer binnentrad en het dienstmeisje het vorengenoemde bevel gaf, dacht zij: “Komt hij in weerwil daarvan toch, dan beteekent het, dat hij mij nog bemint; komt hij echter niet, dan is alles geëindigd en dan moet ik besluiten iets te doen….”

Zij had het geluid van een wegrijdend rijtuig gehoord, zij hoorde hem schellen, hoorde zijne schreden en zijn gesprek met het dienstmeisje – hij geloofde haar, vroeg niets verder en ging naar zijn kamer – derhalve: alles was geëindigd!

En als het eenige middel om de liefde in zijn hart weer op te wekken, hem te straffen en in dezen strijd, door een boozen demon bij hen verwekt, te overwinnen – rees de dood haar levendig voor oogen.

Nu was alles haar onverschillig: of zij naar Wosdwijenskoje vertrokken of niet, of zij van haar man de toestemming tot scheiding verkreeg of niet, – dat alles was niet meer noodig.

Slechts een ding was noodig: hem te straffen!

Toen zij nu haar gewone hoeveelheid opium ingoot en de gedachte bij haar opkwam, dat zij slechts het geheele fleschje behoefde uit te drinken om te sterven, scheen haar dat zeer licht en eenvoudig, en zij begon zich met genot aan de gedachte over te geven, hoe hij zich kwellen, berouw gevoelen en haar nagedachtenis liefhebben zoude. Zij lag in het bed met open oogen, het schijnsel van het ten einde brandend licht viel op de figuren van het plafond, waarop zij haar blik had gericht en dat gedeeltelijk beschaduwd werd door het nabij het bed staande kamerschut. Zij stelde zich levendig zijn berouw voor, zij hoorde hem zeggen: “Hoe heb ik haar zulke wreede woorden kunnen toevoegen? Hoe kon ik de kamer verlaten, zonder haar een woord toe te spreken! En nu is zij niet meer! Zij is voor altijd heengegaan! Zij is daar, waar….”

Plotseling begon de schaduw van het kamerschut te bewegen en bedekte de plafond-ornementen, andere schaduwen van de tegenovergestelde zijde zweefden ze tegen; toen verdwenen ze allen in een oogenblik, maar daarop vereenigden zij zich weder, bewogen zich en vloeiden samen tot een zwart, ondoordringbaar duister.

“Dat is de dood!” dacht zij en zulk een ontroering greep haar aan, dat zij een geruime poos niet begrijpen kon, waar zij was, en lang te vergeefs met sidderende handen naar een lucifer zoeken moest voor zij dien vond, om een ander licht in plaats van het uitgegane te ontsteken.

“Neen! liever al het andere! Slechts leven! Ik bemin hem immers en hij bemint mij! Dat is nu eenmaal geweest en zal voorbij zijn!” sprak zij en voelde, omdat zij weer tot het leven ontwaakt was, tranen van vreugde over haar wangen vloeien. En om zich van haar gevoel van angst te bevrijden, stond zij snel op en ging naar Wronsky’s kabinet.

Hij sliep vast. Zij trad naar hem toe, liet het licht op zijn gelaat vallen en zag hem lang aan. Nu, nu hij sliep, beminde zij hem zoo, dat zij bij zijn aanblik de tranen van teederheid niet kon weerhouden, maar zij was overtuigd, dat als hij mocht ontwaken, hij haar met een koelen blik, die toonde dat hij van zijn recht bewust was, zou aanzien, en dat zij hem, voor zij van liefde kon spreken, toch eerst zou moeten bewijzen, hoezeer hij tegenover haar ongelijk had. Zonder hem derhalve te wekken, keerde zij naar haar kamer terug en na een tweede dosis opium viel zij eindelijk in een niet verkwikkenden halven slaap, waarin zij niet ophield haar bewustheid te behouden.

In den morgenstond overviel haar een zware nachtmerrie, waaraan zij reeds vóór haar vereeniging met Wronsky gedurende den slaap had te lijden gehad, zoodat zij daardoor ontwaakte. Zooals vroeger zag zij een oud klein mannetje met een stoppeligen baard; hij stond op haar borst over een ijzer gebukt, dat hij hanteerde, terwijl hij geheel onzinnige Fransche woorden voor zich heen mompelde, en zij voelde, – en dit vervulde haar juist met ontzetting – dat hij boven haar hoofd een verschrikkelijk werk met dit ijzer verrichtte, zonder haar op te merken of zich over haar te bekommeren. Zij ontwaakte badende in koud zweet.

Terwijl zij zich oprichtte, herinnerde zij zich als in een nevel gehuld den dag van gisteren.

“Wij hebben, zooals reeds meermalen, met elkander getwist. Ik heb hem laten zeggen, dat ik hoofdpijn had, en hij is niet bij mij gekomen. Morgen vertrekken wij; ik moet hem zien en mij voor de reis gereedmaken.”

Toen zij vernam, dat hij nog in zijn kabinet was, ging zij daar heen. Het salon doorgaande, hoorde zij een rijtuig voorkomen. Zij zag uit het venster, haar blik viel op een coupé, waaruit een jong meisje met een lila-hoed op zich naar buiten boog; het sprak eenige bevelende woorden tot den bediende, die aan de deur schelde.

Naast het salon klonken Wronsky’s schreden. Hij liep haastig de trap af. Anna zag weer uit het venster. Hij ging juist de buitentrap af en trad naar het rijtuig. Het jonge meisje met den lila-hoed gaf hem een pakket. Wronsky zeide haar lachend eenige woorden. Het rijtuig reed weer weg en hij liep snel de trap op.

De nevel, die tot hiertoe haar geheele ziel omhulde, was plotseling verdwenen. Haar gevoel van gisteren omklampte weer met vernieuwde smart haar hart. Zij kon nu niet begrijpen, hoe zij zich zoo diep had kunnen vernederen, nog een dag bij hem, in zijn huis, te vertoeven.

Zij trad zijn kabinet binnen om hem haar besluit mede te deelen.

“Vorstin Sorakin en haar dochter waren zooeven voor de deur en hebben mij het geld en de papieren van mama gebracht,” zeide hij. “Gisteren kon ik ze nog niet bekomen. Hoe is het met je hoofdpijn? Is het beter?” vroeg hij kalm. Maar hij vermeed het haar aan te zien en de donkere, ernstige uitdrukking van haar gelaat te bemerken.

Zij zag hem zwijgend, opmerkzaam aan, terwijl zij midden in de kamer stond. Hij zag op, fronste een oogenblik het voorhoofd en ging toen voort verder den brief te lezen. Zij wendde zich om en ging langzaam naar de deur. Hij kon haar terugroepen, maar zij kwam tot aan de deur, hij zweeg nog steeds en niets dan het ritselen van het papier was te hooren.

“Ja! A propos!” zeide hij nu, terwijl zij reeds in de deur stond:
“Morgen reizen wij dus bepaald af, niet waar?”

“Gij, maar ik niet!” antwoordde zij.

“Dat wordt onverdragelijk!…”

“Gij … gij zult er berouw over hebben!” sprak zij en ging heen.

Verschrikt over den wanhopigen toon, waarop zij deze woorden gesproken had, sprong hij op en wilde haar volgen, maar hij bedacht zich, ging weer zitten en beet op de tanden, terwijl zijn voorhoofd zich rimpelde. Deze naar zijn meening zoo bovenmate ongepaste bedreiging vertoornde hem.

“Alles heb ik beproefd,” dacht hij, “slechts dit eene blijft mij nog over: op niets acht te slaan.” En hij ging zich gereed maken om naar zijn moeder te gaan, die nog een volmacht moest onderteekenen.

Zij hoorde zijn schreden in zijn kabinet en in de eetzaal. Bij het salon stond hij een oogenblik stil, doch hij wendde zich niet naar haar boudoir, maar gaf slechts bevel het verkochte paard aan Woitow af te leveren. Toen hoorde zij het rijtuig voorkomen, de huisdeur werd geopend, hij ging naar buiten. Maar hij kwam weer in den gang terug en er ijlde iemand naar boven. Het was de bediende, die de handschoenen haalde, welke hij had vergeten. Zij ging naar het venster en zag, hoe hij, zonder op te zien, de handschoenen aannam, met de hand den rug van den koetsier aanraakte en hem iets zeide. Zonder een blik naar het venster, zette hij zich op zijn gewone wijze in het rijtuig, sloeg het eene been over het andere, trok de handschoenen aan en verdween in een oogenblik achter den naasten hoek der straat.

XXI.

“Hij is weg, – het is ten einde!” sprak Anna nog aan het venster staande. En een kille ontsteltenis greep haar aan zooals des nachts bij het uitgaan van het licht en onder de verschrikkelijke nachtmerrie. “Neen! dat kan niet zijn!” riep zij uit, liep met driftige schreden de kamer door en trok heftig aan de schel. De eenzaamheid was haar zoo verschrikkelijk, dat zij den bediende niet afwachtte, maar te gemoet ging.

“Informeer eens, waar de graaf is heengereden,” zeide zij.

De man antwoordde, dat hij zich naar de stallen had laten brengen.

“Mij is bevolen,” voegde hij er bij, “u te zeggen, dat, ingeval u wenschte uit te rijden, het rijtuig zou terugkeeren.”

“Goed. Wacht hier! Ik zal een paar regels schrijven. Zend Michaël dadelijk naar de stallen.”

Zij zette zich neder en schreef:

“Ik heb schuld. Keer terug; wij moeten tot een verklaring komen. Kom om Gods wil, ik ben bevreesd.”

Zij verzegelde het briefje, gaf het den knecht en in haar vrees om alleen te zijn verliet zij de kamer en begaf zich naar haar dochtertje.

De roodwangige kleine zat aan de tafel en sloeg geweldig met een stop op het tafelblad, terwijl zij met haar zwarte oogen haar moeder aankeek. Deze beantwoordde eene vraag der Engelsche, door te kennen te geven, dat zij zich weer wel gevoelde en dat zij morgen naar het landgoed zouden vertrekken; toen zette zij zich naast het kind neder en begon voor hetzelve de stop op de waterkaraf rond te draaien. Maar het luid, helder klinkend lachen van het kind, de beweging der wenkbrauwen, herinnerden haar zoo levendig aan Wronsky, dat zij, om niet in tranen uit te barsten, opstond en de kamer verliet.

“Is het mogelijk? Is alles ten einde? Neen, hij zal terugkeeren! Maar hoe zal hij mij dan dien vriendelijken lach, zijn geheele blijde opgewektheid, nadat hij met haar had gesproken, kunnen verklaren? Maar al verklaart hij ze niet genoegzaam, ik wil hem toch gelooven. Als ik hem niet geloof, blijft mij slechts dat ééne over, en dat wil ik niet.”

Zij zag op de pendule. Er waren slechts twaalf minuten verloopen.

“Nu moet hij mijn briefje al ontvangen hebben en komt terug. Nog maar tien minuten…. Maar als hij nu eens niet komt? Neen, dat kan niet zijn. Hij mag mijn beschreide oogen niet zien. Ik zal mij wasschen. En mijn coiffure? Heb ik mij niet gefriseerd?” Zij kon het zich niet herinneren. Zij trad voor den kapspiegel. Het haar was opgemaakt, maar wanneer? Zij herinnerde het zich niet.

“Wie is dat?” dacht zij toen zij haar gelaat aanschouwde, waar uit een paar ontstoken, zonderling gloeiende oogen haar verschrikt aanzagen. “Dat ben ik toch,” begreep zij, en terwijl zij zich verder beschouwde, voelde zij zijn kussen in haar nek; zij trilde en bewoog de schouders. Toen bracht zij haar hand aan de lippen en kuste ze.

“Wat is dat? Word ik dan waanzinnig?” En zij ijlde naar de slaapkamer, waar Annuschka juist bezig was op te ruimen.

“Annuschka,” zeide zij, ging voor het meisje staan en zag haar aan, zonder te weten wat zij zeggen wilde.

“U wil naar Darja Alexandrowna rijden?” antwoordde het meisje, alsof zij haar verstaan had.

“Tot Darja Alexandrowna? Ja, daar wil ik heen. Vijftien heen, vijftien terug…. Hij komt dadelijk.” Zij haalde het horloge te voorschijn en zag er op. “Maar hoe kon hij heengaan en mij in zulk een toestand achterlaten? Hoe kan hij leven zonder met mij verzoend te zijn?”

Zij ging naar het venster en zag naar de straat. Volgens den tijd had hij al terug kunnen zijn. Maar haar berekening kon onjuist zijn, en zij begon weer de minuten te tellen en na te denken wanneer hij vertrokken was.

Op het oogenblik dat zij op de pendule toeging om er haar horloge mede gelijk te zetten, kwam een rijtuig voor. Zij zag uit het venster. Het was zijn kales, maar niemand kwam de trap op en beneden hoorde zij geen stem. De bode, dien zij had gezonden, was met de kales teruggekeerd. Zij ging hem tegen. Hij had den graaf niet meer aangetroffen; deze was naar het Nischnegorodsche station gereden.

“Wat wil je nog?” vroeg zij op barschen toon den teruggekeerden Michaël, die haar het briefje toehield, “ach ja, hij heeft het niet meer in handen gekregen,” herinnerde zij zich. “Rijd met dit briefje naar de villa van gravin Wronsky; je kent het huis toch? en wacht op antwoord.”

“Wat zal ik er echter doen?” dacht zij. “Ja, ik rijd naar Dolly, dat is waar. Anders word ik krankzinnig. Ik kon evenwel ook nog telegrafeeren!”

En zij schreef het telegram.

“Ik moet haar noodig spreken. Kom dadelijk terug.”

Zij verzond onmiddellijk het telegram en begon zich toen te verkleeden.

Toen zij haar toilet gemaakt en den hoed reeds opgezet had, zag zij de kalme Annuschka weder in de oogen. Een blijkbaar medelijden sprak uit deze kleine, goedige grijze oogen.

“Annuschka! Lieve! Wat zal ik doen?” zeide zij snikkend en viel hulpeloos in een stoel neder.

“Waarom is u zoo ontroerd, Anna Arkadiewna? Zoo iets komt dikwijls voor. U moet uitrijden en u wat verstrooien,” antwoordde het meisje.

“Ja, ik wil uitrijden!” zeide Anna zich bezinnende en stond op. “En komt in mijn afwezigheid een telegram, zend het dan naar Darja Alexandrowna…. Of neen, ik kom zelf spoedig terug.”

“Ja, men moet niet zooveel denken! ik moet handelen! Vooral uit dit huis weg,” sprak zij bij zich zelf, terwijl zij ontsteld naar het kloppen van haar hart luisterde. Zij ging haastig naar buiten en zette zich in het rijtuig neder.

“Waarheen beveelt u?” vroeg Peter.

“Naar de villa Oblonsky.”

XXII.

De lucht was helder. Den geheelen morgen was er een fijne, dichte regen gevallen, maar nu was het opgeklaard. De daken der huizen, de steenen der trottoirs, de raderen, het leder, het koper en zilver der equipages, alles schitterde helder in de meizon. Het was drie uur en op de straten was het zeer levendig. Bij den snellen draf der schimmels, bij het onophoudelijk rollen der raderen en de snel afwisselende indrukken in de frissche lucht, zag Anna, die nog eenmaal alle gebeurtenissen der laatste dagen van het begin af doorliep, haar toestand reeds geheel anders in, als te voren toen zij te huis was. De gedachte aan den dood was haar niet meer zoo verschrikkelijk en deze zelf niet meer zoo onvermijdelijk. Zij verweet zich nu nog slechts, dat zij zich zoo ver had vernederd.

“Ik heb hem bezworen mij te vergeven; ik heb mij geheel aan hem overgegeven en beleden schuldig te zijn. Waarom? Kan ik dan niet zonder hem leven?” Zij beantwoordde deze vraag niet, maar begon de opschriften in de straat te lezen: “Kantoor en dépôt – Dentist – Ja, ik wil Dolly alles vertellen. Zij houdt niet van Wronsky. Ik zal mij wel schamen en het zal mij pijn veroorzaken, maar ik wil haar toch alles zeggen. Zij heeft mij lief en haar raad zal ik volgen. Ik wil mij niet onderwerpen. Ik zal hem niet toestaan mij te vergeven … Philippow … Bakkerij. – Men zegt, dat zij het brooddeeg naar Petersburg zenden – het Moskouer water moet zoo voortreffelijk zijn. – Metischensky, Mineraalwater en pannekoek….” En nu herinnerde zij zich, dat zij lang geleden, toen zij pas zeventien jaar was, met haar tante – men reisde toen nog met paarden – naar het klooster te Troïtza was gereden en toen hier was gepasseerd.” “Is het mogelijk,” dacht zij, dat ik dat was? Dat meisje met roode handen? Hoeveel, dat mij toen zoo begeerlijk en onbereikbaar scheen, is mij nu onverschillig, maar hoeveel dat ik toen bezat, is nu voor mij verloren – voor altijd! Zou ik destijds hebben kunnen gelooven eenmaal zoo vernederd te worden? – Wat zal hij trotsch en tevreden zijn als hij mijn brief heeft gezien; maar ik zal hem toonen…. Hoe onaangenaam riekt deze verf! Waarom moet men altijd bouwen en verven? – Modes en coiffures….” las zij. Een man, Annuschka’s man, groette haar: “Onze parasieten!” herinnerde zij zich een gezegde van Wronsky: “Onze? Waarom onze?… Het ergste is, dat het onmogelijk is het gebeurde ongedaan te maken…. Maar men kan de herinnering daarvan dooden, begraven…. En dat zal ik…!” En hier herinnerde zij zich haar verloopen leven bij Alexei Alexandrowitsch, dat zij reeds uit haar gedachten had verbannen. “Dolly zal het zoo opvatten alsof ik nu mijn tweeden man wil verlaten, en zal mij voorzeker ongelijk geven. Wil ik dan gelijk hebben? En zij voelde de tranen opwellen. Maar dadelijk dacht zij weder over twee jonge meisjes, die hartelijk lachten, en vroeg, waarover deze wel lachen mochten. Over de liefde? Zij weten nog niet, hoeveel treurigs en vernederends daaraan is verbonden…. Daar is de boulevard! Daar loopen drie jongens … zij spelen … Serëscha. Alles zal ik verliezen en men zal hem mij niet teruggeven…. Ja, ik zal alles verliezen als hij nu niet terugkeert. Wellicht heeft hij zich voor den trein verlaat en is misschien al teruggekeerd. Weder denkt gij er aan u te vernederen,” sprak zij tot zich zelf. “Neen ik ga naar Dolly en zeg haar alles rechtuit: Ik ben ongelukkig, ik heb het ook verdiend, ik heb schuld, maar ik ben toch ongelukkig – help mij. Deze paarden en dit rijtuig – het staat mij tegen om er mij van te bedienen – het hoort alles aan hem…. Maar weldra zal ik ze niet meer zien!”

Terwijl zij zoo overlegde, hoe zij Dolly alles zou bekennen en daarbij haar hart nog meer wondde, ging zij de trap op.

“Is er bezoek?” vroeg zij in de voorkamer.

“Catharina Alexandrowna Lewina,” antwoordde de bediende.

“Kitty! Dezelfde Kitty op wie Wronsky verliefd was,” dacht Anna; “dezelfde Kitty, die hij zich steeds zoo gaarne herinnert. Hij betreurt het haar niet gehuwd te hebben. Maar aan mij denkt hij met wrevel en betreurt het mij ooit te hebben ontmoet.”

Dolly kwam haar te gemoet.

“Ah, je bent nog niet vertrokken? Ik wilde je zelf bezoeken,” zeide zij. “Vandaag heb ik een brief van Stiwa ontvangen.”

“Wij hebben ook een telegram gekregen,” antwoordde Anna en zag naar
Kitty om.

“Hij schrijft, dat hij niet kan begrijpen, wat Alexei Alexandrowitsch eigenlijk wil, maar hij zou zonder een bepaald antwoord niet vertrekken.”

“Ik dacht bezoek bij u te vinden. Kan ik den brief lezen?”

“Ja, – Kitty – ” zeide Dolly wat verlegen. “Zij is in de kinderkamer gebleven. Zij is zeer ziek geweest.”

“Dat heb ik gehoord. Kan ik den brief lezen?”

“Ja, ik zal hem dadelijk halen. Hij slaat het wel niet af, integendeel,
Stiwa heeft hoop….” zeide Dolly en bleef in de deur staan.

“Ik hoop en wensch volstrekt niets,” zeide Anna.

“Wat is dat? Kitty acht het zeker vernederend voor zich om mij te ontmoeten?” dacht Anna toen zij alleen was. “Wellicht heeft zij gelijk. Maar als het ook al waar is, mocht zij het mij toch niet toonen, zij, die op Wronsky verliefd is geweest. Ik weet het: in mijn toestand kan geen vrouw, die veel aan welvoegelijkheid hecht, mij ontvangen. Ik weet, dat ik van het eerste oogenblik af alles heb geofferd. Dat is nu mijn loon. O, wat haat ik hem. En waarom ben ik nu hierheen gekomen? Het wordt mij hier nog zwaarder dan te huis.”

Zij hoorde in de andere kamer de stemmen der zusters.

“En wat moet ik nu aan Dolly zeggen? Moet ik Kitty de voldoening geven te zien, dat ik ongelukkig ben en dat ik bescherming inroep? Neen, en ook Dolly zal mij niet begrijpen. Ik heb haar niets te zeggen…. Het zou echter niet kwaad zijn Kitty te ontmoeten en haar te toonen, dat ik alles veracht en dat ik voor alles onverschillig ben.”

Dolly kwam met den brief terug. Anna las dien en reikte hem zwijgend weer over.

“Dat alles heb ik geweten,” zeide zij, “en het interesseert mij in het minste niet.”

“Waarom niet? Ik, integendeel heb hoop,” antwoordde Dolly en zag Anna uitvorschend aan. Nog nimmer had zij haar in zulk een zonderlingen, opgewonden toestand gezien. “Wanneer zul je vertrekken?”

Anna zag met half toegeknepen oogen voor zich uit en gaf geen antwoord.

“Kitty schijnt zich voor mij te verbergen?” zeide zij met een blik naar de deur, terwijl het rood haar gelaat begon te kleuren.

“Och, dat is onzin! Zij is bij het voeren van het kind, dat nog niet recht goed wil gaan, en ik heb haar aangeraden…. Neen, het doet haar genoegen! Zij zal dadelijk komen,” antwoordde Dolly, die weinig aanleg had om te liegen. “Daar is zij.”

Toen Kitty vernam, dat Anna er was, had zij niet te voorschijn willen komen. Maar Dolly had haar toch overreed. Met inspanning van al haar kracht trad zij nu binnen, naderde blozend en reikte haar de hand.

“Het doet mij veel genoegen,” zeide zij, maar haar stem beefde. Het gevoel van afkeer van deze moreel slechte vrouw en de wensch voor haar niet hard te zijn kampten in haar binnenste en zij was daardoor eenigszins verlegen; maar toen zij Anna’s schoon, innemend, ongelukkig gelaat aanschouwde, verdween alle bitterheid en zij gevoelde slechts medelijden.

“Het zou mij niet verwonderd hebben als u ongezind was geweest mij te ontmoeten. Ik ben daaraan reeds gewoon. U is ziek geweest. Ja, uw voorkomen is veranderd,” zeide Anna.

Kitty gevoelde, dat Anna haar vijandig aanzag. Des te meer medelijden had zij met haar. Deze vijandschap was haar verklaarbaar uit de onbehagelijke verhouding, waarin Anna, die vroeger haar protegeeren wilde, zich nu tegenover haar bevond.

“Zij spraken over Kitty’s ziekte, over haar kind, over Stiwa, maar blijkbaar was er niets, dat Anna belang inboezemde.

“Ik ben gekomen om afscheid te nemen,” zeide zij en stond op.

“Wanneer vertrekt u dan?”

Maar weder zonder te antwoordden, wendde Anna zich tot Kitty.

“Ja, het doet mij veel genoegen u gezien te hebben,” zeide zij lachend. “Ik heb zooveel van u gehoord, zelfs door uw man. U weet, dat hij mij heeft bezocht,” voegde zij er met kwade bedoeling bij. “Waar is hij?”

“Hij is naar buiten vertrokken,” antwoordde Kitty blozend.

“Groet hem van mij, groet hem bepaald.”

“Zonder verzuim,” antwoordde Kitty naïef en zag haar medelijdend in de oogen.

“Nu, vaarwel, Dolly.” En terwijl zij deze kuste en Kitty de hand drukte, verwijderde Anna zich haastig, terwijl Dolly haar uitgeleide deed.

“Nog altijd als vroeger, even innemend en zeer schoon,” zeide Kitty, toen zij weer met haar zuster alleen was. “Maar zij heeft iets vreemds over zich, iets dat medelijden inboezemt.”

“Ja,” zeide Dolly! “Maar vandaag gaat er iets bizonders in haar om. Toen ik haar naar de vestibule vergezelde, zag zij er uit alsof zij in tranen zou losbarsten.”

XXIII.

Nog in slechter gemoedsstemming dan toen zij van huis ging, steeg Anna weer in het rijtuig. Met de vroegere kwelling paarde zich nu nog het gevoel van beleediging en verstooting, die zij zoo duidelijk in haar ontmoeting met Kitty had ondervonden.

“Waarheen beveelt u?” vroeg Peter.

“Naar huis,” antwoordde zij. Zij dacht nu in het geheel er niet meer over waarheen zij anders zou kunnen gaan.

“Hoe nieuwsgierig zagen zij mij aan, als iets monsterachtigs en onbegrijpelijks!… Wat heeft deze aan dien andere met zulk een ijver te vertellen?” dacht zij en zag naar de voetgangers op de straat. “Kan men een ander mededeelen, wat men gevoelt? Ik wilde met Dolly spreken…. Het is goed dat ik het niet gedaan heb. Zij zou zich over mijn ongeluk verheugd hebben! Zij zou dat wel niet hebben getoond, maar in den grond toch een voldoening gesmaakt hebben, dat ik voor al de voorrechten, die zij mij benijden moest, nu gestraft ben. En Kitty? Zij zou nog meer verheugd zijn geweest. Ik ken haar door en door. Zij weet, dat ik de oogen van haar man meer dan gewoon beminnenswaardig geweest ben. Zij is ijverzuchtig en haat mij. En zij veracht mij nog bovendien. In haar oogen ben ik een immoreele vrouw. Was ik dit, dan had ik haar man op mij verliefd kunnen maken, als ik had gewild. Het voornemen is wel bij mij opgekomen, ik erken het…. Deze is ook met zich zelf tevreden,” dacht zij van een dikken heer met roode wangen die voorbijreed en groette, daar hij haar voor een dame zijner kennis hield. “Hij denkt, dat hij mij kent en hij kent mij zoo weinig als iemand ter wereld. Ik ken mij zelf nauwelijks…. Die zouden gaarne van dat vuile ijs hebben,” dacht zij, toen zij twee knapen zag, die bij een ijsverkooper stonden, die van zijn hoofd een vaatje nederliet en met het einde van een handdoek zijn bezweet gelaat afwischte. “Heeft men geen bonbons, dan neemt men het voor lief met smotsig ijs. Zoo ook Kitty. Toen ze Wronsky niet krijgen kon, vergenoegde zij zich met Lewin. En zij benijdt mij, en wij haten elkander – ik Kitty en Kitty mij – dat is waar…. Jätkin coiffeur…. Je me fais coiffer par Jätkin…. Dat wil ik hem zeggen, als hij komt,” dacht zij en lachte.

Op hetzelfde oogenblik herinnerde zij zich, dat zij nu niemand had, dien zij iets grappigs kon zeggen. “Er is ook niets vroolijks meer. Alles is afschuwelijk. Men luidt voor de vesper en die koopman daar bekruist zich zoo voorzichtig, alsof hij vreest, daarbij iets te laten vallen. Waartoe deze kerken, dit klokgelui? Waartoe al deze leugens? Slechts daartoe om er achter te verbergen, hoe wij allen elkander haten, juist als gindsche droschke-koetsiers, die zoo ruw elkander uitschelden; Jawschin zeide: De anderen willen me het vel over de ooren halen en ik hen – dat is de waarheid.”

Onder zulke gedachten, waarbij zij haar eigen toestand vergat, kwam zij aan haar woning terug. Bij den aanblik van den portier herinnerde zij zich, dat zij een brief en een telegram had afgezonden.

“Is een antwoord gekomen?” vroeg zij.

“Ik zal eens zien,” antwoordde de portier, zag op den schrijflessenaar in het kantoor en gaf haar een telegram over in een couvert van dun papier. “Vóór tien uur kan ik niet komen. Wronsky,” las zij.

“En de bode is nog niet terug?”

“Nog niet,” antwoordde de portier.

“Als dat zoo is, dan weet ik, wat mij te doen staat,” zeide zij, en terwijl zij een gevoel van toorn, dat op iets onbepaalds gericht was en de behoefte aan wraak in haar opstegen, snelde zij naar boven.

“Ik zal zelf naar hem toerijden. Ik zal hem alles zeggen vóór ik voor altijd vertrek. Nimmer heb ik een mensch zoo gehaat als hem,” dacht zij.

Toen zij zijn hoed aan den kapstok zag hangen, rilde zij. Zij overlegde in het geheel niet, dat dit telegram slechts een antwoord op het hare was en dat hij haar brief nog niet had kunnen ontvangen. Zij stelde zich hem nu voor in rustig gesprek met zijn moeder en met Sorokina, zich verheugende over haar leed. “Ja, ik moet sneller rijden,” zeide zij, zonder te weten waarheen? Zij wilde vluchten, sneller vluchten voor de gewaarwordingen, die zij in dit verschrikkelijk huis had doorgestaan. De bedienden, de tapijten, de meubels, alles in dit huis vereenigde zich om haar een ontzettenden afkeer in te boezemen, die als een last op haar drukte.

“Ja, ik moet naar het station rijden; ik rijd er heen en zal hem overvallen!”

Zij zag in de courant naar het vertrek van den trein.

“’s Avonds acht uur twee minuten. Ha, ik kom nog bijtijds.”

Zij liet inspannen en pakte in een reistasch de noodzakelijkste dingen voor eenige dagen. Zij wist, dat zij in dit huis niet weer zou terugkeeren. Zij kwam onder de menigte plannen, die haar hoofd doorkruisten, tot het besluit, dat zij na het bezoek aan de villa der gravin zich naar het naaste station begeven, over den Nischnegorodschen spoorweg naar de naaste stad reizen en daar blijven zoude.

Het middagmaal stond reeds opgedischt. Zij ging naar de tafel, maar toen zij bemerkte, dat zelfs de reuk der spijzen haar tegenstond, liet zij het rijtuig voorkomen en ging naar buiten. Het huis wierp zijn schaduw reeds over de geheele straat; het was een heldere, warme avond.

Annuschka en Peter, die haar volgden en haar goed in het rijtuig droegen, de blijkbaar ontevreden koetsier, allen stonden haar tegen en hinderden haar met hun woorden en gebaren.

“Ik heb je niet noodig, Peter.”

“Maar het plaatsbillet?”

“Nu, zooals je wilt, ’t is mij hetzelfde,” zeide zij verdrietig.

Peter sprong op den bok, en terwijl hij de hand in de zijde zette, beval hij den koetsier naar het station te rijden.

XXIV.

“Ja, wat was dat ook voor een goede gedachte, die ik onlangs had?” dacht Anna, toen zij de raderen van het rijtuig weer over het plaveisel hoorde rollen en in de weeke kussens begon te schommelen: “Jätkin – coiffeur…. Neen, dat was het niet. Juist! Dat, wat Jawschin gezegd heeft…. De strijd om het bestaan en de haat…. Dat is een deel van datgene, wat de menschen aan elkander bindt…. Neen, gij rijdt te vergeefs!” zeide zij in gedachten tot een gezelschap van personen in een kales met vierspan, die, zooals het scheen, voor hun pleizier een uitstapje buiten de stad wilden maken. “En de hond, dien ge daar bij u hebt, zal u ook niet kunnen helpen! Zich zelf kan men niet ontloopen….”

Zij wendde den blik zijwaarts daarheen, waar Peter naar iets scheen te kijken. Een smoordronken fabrieksarbeider werd door een politieagent weggebracht.

“Deze toch wellicht,” dacht zij; “maar wij, graaf Wronsky en ik, wij hebben het geluk niet gevonden, hoeveel we ons daarvan ook hadden voorgespiegeld!… Wat heeft hij eigenlijk in mij gezocht? Minder liefde dan voldoening zijner ijdelheid.” Zij herinnerde zich nu levendig al zijn woorden en bewegingen uit den eersten tijd hunner verbintenis. “Ja, hij heeft het genoegen gesmaakt zijn eerzucht bevredigd te zien. Wel is waar was daarbij ook liefde, maar voor het grootste deel was het toch de trots van het goed succes. Hij wilde met mij pralen. Nu is alles voorbij. Ik heb niets, waar ik trotsch op zijn kan, maar heb mij slechts te schamen. Hij heeft mij alles ontnomen, wat hij konde, nu behoeft hij niets meer. Ik ben hem tot last en hij beijvert zich slechts, jegens mij niet oneerlijk te zijn. Hij heeft zich gisteren versproken – hij wenscht de scheiding en dan het huwelijk om de schepen achter zich te verbranden…. Hij bemint mij – Maar hoe? The zest is gone…. Die daar wil, dat allen hem bewonderen en is met zich zelf tevreden,” dacht zij bij den aanblik van een commies met roode wangen, die op een manegepaard voorbijreed. “Ja, hij heeft den smaak in mij verloren. Als ik hem nu verlaat, zal hij in den grond van zijn hart blijde zijn. Mijn liefde wordt steeds hartstochtelijker en zelfzuchtiger, de zijne daarentegen verflauwt meer en meer; derhalve moeten wij van elkander gaan. Er is anders geen uitkomst. Al het mijne ligt in hem, en ik vorder van hem, dat hij zich geheel aan mij toewijdt; hij wil zich echter meer en meer van mij terugtrekken. Tot op het oogenblik onzer vereeniging zijn wij elkander genaderd, sedert verwijderen wij ons onophoudelijk. En dat is niet te veranderen. Hij zegt mij, dat ik bovenmatig ijverzuchtig ben en ik heb mij zelf dat gezegd. Maar dat is niet waar. Niet jaloersch, maar ontevreden ben ik. Doch….” In de gemoedsbeweging, door haar gedachten verwekt, verwisselde zij van plaats in het rijtuig en bewoog onwillekeurig de lippen om te spreken…. “Indien ik voor hem een verstandige vriendin trachtte te zijn en niet zijn hartstochtelijke minnares…. Maar ik kan en wil niets anders zijn. En hierdoor verwek ik bij hem slechts tegenzin en bij mij zelf toorn. En dat zal niet anders worden. Ik weet zeer goed, dat hij mij niet bedriegt; hij heeft het oog niet op Sorokina, hij is niet meer verliefd op Kitty, hij zal mij niet ontrouw worden – dat alles weet ik, maar dat helpt mij niet. Indien hij, zonder mij te beminnen, slechts uit plichtgevoel goed en teeder voor mij is, dan is dat niet wat ik verlang; dat is honderdmaal erger dan haat, dat is de hel. En dat juist is het geval. Hij bemint mij reeds lang niet meer. En waar de liefde ophoudt, begint de haat. Als ik verstandig ben, laat Alexei Alexandrowitsch mij misschien Serëscha over en ik trouw met Wronsky.” Terwijl zij zich Alexei Alexandrowitsch herinnerde, stond hij dadelijk levendig voor haar met zijn vermoeiden, half uitgedoofden blik, met de gezwollen aderen op zijn witte handen, met de eigenaardige stem en met het knakken zijner vingers. En bij de herinnering aan het gevoel, dat hen vereenigd had en dat ook liefde genoemd werd, huiverde zij van afkeer.

“Nu goed, ik verkrijg de scheiding en wordt Wronsky’s vrouw. Zal Kitty dan echter ophouden mij aan te zien als heden? Neen. En zal Serëscha ophouden te vragen of na te denken over mijn beide echtgenooten? En welk een nieuw gevoel tusschen Wronsky en mij zou ik dan kunnen bedenken? Is nog eenig geluk – neen, slechts iets, dat geen kwelling is – tusschen ons mogelijk? Neen – neen!” antwoordde zij zonder aarzelen zich zelf; “het is onmogelijk. Wij zouden door het leven gaan, ver van elkander; ik ben zijn ongeluk en hij is het mijne; hij kan zich niet veranderen en ik mij ook niet. Wij hebben reeds alle pogingen gedaan, maar de schroef is verlamd…. Ja, dat is een bedelares met haar kind…. Zij denkt, dat zij beklagenswaard is…. Zijn wij dan niet allen met elkander in deze wereld geworpen om elkander te haten en ons zelf en anderen te kwellen?… Wat lachen die gymnasiasten daar … Serëscha…? Ik dacht ook altijd, dat ik hem liefhad en was over mijn eigen teederheid geroerd…. En toch heb ik zonder hem kunnen leven, ik heb hem prijsgegeven voor een andere liefde en heb over deze ruil geen berouw gehad zoolang die andere liefde mij bevredigde.” En met afschuw dacht zij aan datgene, wat zij een andere liefde noemde.

Het rijtuig hield voor het stationsgebouw stil en een paar bestellers ijlden naar buiten.

“Moet ik plaats nemen tot Obiralowka?” vroeg Peter.

Anna had geheel vergeten waarom en waarheen zij reed, en nu begreep zij eerst na eenige inspanning die vraag.

“Ja,” zeide zij en stapte uit, terwijl zij hem haar beurs overreikte.

Zij zag in de menschenmenigte rond, ging naar het salon der eerste klasse en riep zich de bizonderheden van haar toestand en de besluiten, waartusschen zij heen en weder wankelde, in het geheugen terug. En tusschen hoop en vertwijfeling begon zij weder de oude, schrijnende wonden van haar gepijnigd, onrustig hart open te rijten.

Zij zat in afwachting van den trein op de sofa, beschouwde met afkeer de in- en uitgaanden en bedacht wat zij bij haar aankomst aan het volgend station hem schrijven zou, en dan weder, hoe hij zich bij zijn moeder over zijn toestand zou beklagen, zonder haar lijden te begrijpen, hoe zij dan juist de kamer binnentreden en wat zij hem zeggen zoude. En daarop dacht zij, hoe het nog mogelijk zijn kon een gelukkig leven in te richten, hoe haar liefde en haar haat jegens hem evenzeer een kwelling waren en hoe heftig haar hart klopte.

XXV.

Er werd gebeld. Eenige luidruchtige jongelieden, zooals het scheen van minder allooi, gingen haar voorbij. Nu kwam Peter in zijn kaplaarzen en zijn livrei met zijn stompzinnig gezicht door de zaal en naderde haar om haar tot aan den waggon te begeleiden. De drukke heeren waren stil geworden toen zij hen voorbijging; de een fluisterde den ander iets toe. Zij klom de hooge trappen op en nam in de ledige coupé plaats op de smotsige springveeren zitting, die voorheen wit geweest was. Peter hief ten teeken van afscheid voor het venstertje zijn met tressen bezetten hoed omhoog en de conducteur sloeg de deur toe.

Een leelijke dame met tournure en een gemaakt lachend meisje liepen beneden voorbij. “Dit jonge meisje is ook reeds bedorven en wil in het oog vallen,” dacht Anna. Om niemand te zien stond zij snel op en ging bij het tegenovergestelde venster van den waggon zitten.

Een onzindelijke, leelijke boer, met een muts op, waaronder het verwarde en stoppelige haar te voorschijn drong, ging juist voorbij en bukte zich naar de raderen van den waggon.

“Wat komt mij aan dezen afschuwelijken mensch zoo bekend voor?” dacht Anna. Toen viel haar droom haar in en sidderend van schrik keerde zij weer naar het andere venster terug. De conducteur opende de deur en liet een heer en een dame instappen.

“Wil u er weer uit?”

Anna gaf geen antwoord. Door haar dichten sluier konden de conducteur en de binnenkomenden de ontroering in haar gelaat niet bemerken. Zij keerde weder naar den zooeven verlaten hoek terug en zette zich neder. Het echtpaar ging aan de andere zijde zitten en monsterde onbemerkt, maar nauwkeurig haar kleeding. De heer en de dame schenen Anna afschuwelijk toe. De man vroeg, of zij toestond te rooken, niet zoozeer omdat hij rooken wilde, maar slechts om een gesprek aan te knoopen. Toen hij haar toestemming had ontvangen, begon hij met zijn vrouw Fransch te spreken. Zij maakten onbeduidende opmerkingen, slechts opdat zij het hooren en er op antwoorden zoude. Anna zag duidelijk, dat zij niet van elkander hielden; “en,” dacht zij, “is het ook anders mogelijk? Kan men zulke afstuitende wezens beminnen?”

Er werd voor de tweede maal gebeld en nu begon het rumoeriger te worden, door geschreeuw, gelach en het voortrijden der bagage. Anna was overtuigd, dat voor niemand de geringste reden tot blijdschap bestond, zoodat dit lachen haar onaangenaam aandeed en zij zich de ooren wilde toestoppen om hot niet te hooren. Eindelijk klonk het derde bellen, een schel fluiten, het steunen der machine, de ketting werd aangetrokken en de heer tegenover haar maakte een kruis.

“Het zou interessant zijn hem te vragen, waarom hij dat doet,” dacht Anna en zag hem stuursch aan. Toen keek zij voorbij de dame uit het venster naar de terugwijkende toeschouwers, die op het perron stonden. Met gelijkmatige stooten rolde de wagen, waarin Anna zat, het perron voorbij, de raderen rolden al vlugger en gemakkelijker met lichter gedruis over de rails, het venster werd verlicht door de schuinsche stralen van de avondzon en een licht tochtwindje speelde met de gordijntjes.

Anna vergat haar medereizigers; bij het lichte schommelen van den wagen ademde zij de frissche lucht in en begon weer verder te mijmeren.

“Ja, waar dacht ik ook aan? Dat het leven, hoe ik het mij ook voorstel, niets geven kan dan kwelling. Wij zijn toch allen maar geschapen om ons te kwellen; wij zijn ons dit wel bewust en zoeken slechts naar middelen om ons zelf te bedriegen, maar als men de waarheid inziet, wat moet men dan doen?”

“Het verstand is den mensch gegeven om datgene, wat hem hindert, te verwijderen,” zeide de dame in het Fransch, blijkbaar over deze phrase zeer tevreden.

Deze woorden schenen een antwoord te zijn op Anna’s gedachten.

“Datgene te verwijderen, wat iemand hindert,” herhaalde zij bij zich zelf, en terwijl zij den man met zijn welgedane wangen en de magere vrouw aanzag, hield zij het er voor, dat deze ziekelijke vrouw zich beschouwde als iemand, die niet begrepen werd, en dat haar man haar in die meening liet en niet schroomde haar te bedriegen. Anna meende hun intiemste levensgeschiedenis te kennen, alsof zij in de schuilhoeken hunner harten kon zien. Maar zij vond daar niets belangwekkends in en ging derhalve verder in haar eigen gedachten voort.

“Ja, het hindert mij zeer en daartoe is ons het verstand gegeven, dat wij het dan verwijderen. Waarom dan het licht niet uitgebluscht, als het ons tegenstaat dat alles te zien? Maar hoe? Waarom liep zooeven die conducteur op de loopplank? Waarom tieren die jongelieden zoo in dien wagen? En wat beteekent hun lachen? Alles is onwaarheid, geveinsdheid, dwaasheid….”

De trein hield aan het station stil. Anna stapte uit en bevond zich nabij de menigte passagiers; dewijl zij zich echter van hen als van melaatschen trachtte verwijderd te houden, bleef zij op een vrije plaats van het perron staan en trachtte zich te bezinnen waarom zij hier gekomen was en wat zij eigenlijk wilde. Alles wat haar te voren zoo gemakkelijk te volvoeren had toegeschenen, viel haar nu onder deze gedruismakende, akelige menschen, die haar geen rust lieten, moeielijk en zwaar om geregeld te overleggen. Nu kwamen de pakjesdragers bij haar en boden hun diensten aan, toen drongen de luidruchtige jongelieden haar voorbij en zagen haar aan, dan weder liep men haar bijna omver. Terwijl zij zich herinnerde, dat zij wilde doorreizen, als er geen antwoord was, hield zij een besteller aan en vroeg hem, of er niet een koetsier van graaf Wronsky met een boodschap was.

“Graaf Wronsky? Er is juist iemand van hem hier geweest. Men heeft vorstin Sorakina met haar dochter afgehaald. Hoe ziet er de koetsier uit?”

Op dit oogenblik dat zij nog met elkander spraken, kwam de koetsier Michaël in zijn donkerblauwe livrei op haar toe, blijkbaar trotsch er op dat hij zijn zending zoo snel kon volbrengen, en reikte haar een brief over. Zij opende hem haastig, maar vóór zij hem gelezen had, kromp haar hart in een:

 “Het spijt mij, dat je brief mij niet tijdig is geworden. Ik
 kom
 om tien uur.” – Wronski.

Het briefje was met slordige hand geschreven.

“Zoo! dat heb ik verwacht!” zeide zij met een boozen lach. “Goed! Je kunt naar huis rijden,” wendde zij zich zacht tot Michaël. Zij sprak zacht, daar het heftig kloppen van haar hart haar ademhaling belemmerde.

“Neen, ik laat mij niet kwellen,” dacht zij. Maar deze bedreiging richtte zij noch tegen hem noch tegen zichzelf, maar tegen datgene, wat haar kwelde. Zij verliet het perron en begaf zich ter zijde van het stationsgebouw.

Twee dienstmeisjes, die het perron op- en nedergingen, richtten de blikken op haar en maakten opmerkingen over haar toilet. “Echte!” zeiden zij, bedoelende de kanten aan haar japon. Ook een paar jonge mannen zagen haar in het gelaat en lachten tegen elkander. De stationschef vroeg haar in het voorbijgaan, of zij op den trein wachtte. Een kleine jongen, die kwas verkocht, hield de oogen op haar gevestigd.

“Mijn God, waar zal ik heen?” dacht zij en ging verder tot aan het perron, waar zij bleef staan. Eenige dames en kinderen, die een heer met een bril op hadden opgewacht en nog luid spraken en lachten, werden stil en beschouwden haar toen zij naderde.

Toen versnelde zij haar schreden, ging hen voorbij en trad naar den rand van het perron. Een goederentrein naderde. Het platform dreunde en het scheen haar alsof zij weer medereed.

Plotseling herinnerde zij zich dien man, die op den dag harer eerste ontmoeting met Wronsky overreden was, en nu wist zij, wat zij had te doen. Met snelle, lichte schreden ging zij de loopplank af, die aan het einde van het perron naar beneden voerde tot aan de rails. Zij zag den machinist in zijn buis, die haar verwonderd aankeek, zij zag het groote door den hevel bewogen rad – de locomotief ging voorbij.

“Daarheen?” zeide zij en staarde met afschuw op het met kolenstof vermengde kiezel, waarmede de baan overdekt was. Zij luisterde naar haar steeds heftiger wordend hartkloppen: “En ik zal hem straffen, ik wil mij niet laten kwellen, ik zal mij van allen en ook van mij zelf bevrijden.”

De eerste wagen rolde voorbij, de tweede volgde. Zij wierp het roode taschje, dat zij in de hand had, van zich. Zij was zich bewust, dat zij iets meer beslissends en onherroepelijks ging doen dan zij ooit in haar leven gedaan had. Uit gewoonte hief zij werktuigelijk de hand op, bekruiste zich, viel op de knieën op een der rails en boog het hoofd voorover. De zoo gewone beweging van het kruisteeken te maken riep plotseling in haar ziel een rij van herinneringen uit haar jeugd en aan gewichtige oogenblikken haars levens te voorschijn. Een oogenblik schitterde de glans van het vluchtende leven nog voor haar oogen.

“Wat doe ik? Waar ben ik? Waarom?”

Zij wilde zich weer oprichten; maar een reusachtige, onverbiddelijke, donkere massa sloeg haar tegen het hoofd, stiet haar neder en sleepte haar aan den rug met zich voort.

“Mijn God! vergeef mij alles!” riep zij.

Het zwarte zand en kolenstof kwamen nader, zij viel er met het gelaat op neder. Het boertje, dat zij gezien had, boog zich, iets mompelende, van de trede van den waggon boven eene der ijzeren rails over haar henen. En het licht, waarbij de ongelukkige het met kommer, strijd, leugen en dwaasheid gevulde levensboek had gelezen, begon te sissen, verdonkerde, flikkerde nog eenmaal op en werd toen uitgebluscht voor altijd….

XXVI.

Een paar maanden waren verloopen. In de omgeving van Sergej Iwanowitsch Kosnischew sprak en schreef men over niets anders dan over het Slavische vraagstuk en over den Servischen oorlog. Al wat gewoonlijk de ledigloopende menigte doet om den tijd te dooden, werd nu voor de Slavische broeders gedaan. Bals, concerten, redevoeringen, de damestoiletten, de hotels, alles verried de belangstelling voor de Slaven.

Met veel van hetgeen men zoo sprak en schreef stemde Sergej Iwanowitsch niet in. Hij erkende, dat de Slavische vraag tot modezaak was geworden, en erkende ook, dat velen er zich uit eerzuchtige en zelfzuchtige beweegredenen mede bezig hielden. Hij zag in, dat de dagbladen sterk overdreven en veel papier nutteloos bedrukten met het eenig doel, de opmerkzaamheid tot zich te trekken en de andere te overschreeuwen. Hij bespeurde, dat zich bij deze algemeene geestdrift de onvergenoegden en tot hiertoe teruggezetten het luidruchtigst naar voren drongen en dat zich allerlei belachelijke lichtzinnigheid ruim baan maakte; maar hij bemerkte ook een ongetwijfeld oprechte, zich steeds meer verbreidende geestdrift, die alle klassen der samenleving vereenigde en bepaalde waardering verdiende. De strijd der geloovige, Slavische broeders vroeg deelneming en vijandschap tegen hunne onderdrukkers. Maar bizonder was Sergej Iwanowitsch over zulk eene uiting der openbare meening verheugd. Het publiek had duidelijk zijn gevoelen doen blijken. De ziel des volks, zooals hij het noemde, had een uitdrukking gevonden. En hoe meer hij zich met deze zaak bezig hield, des te duidelijker werd het hem, dat zij van een reusachtige, geschiedkundige beteekenis zou worden.

Derhalve wijdde hij zich geheel aan den dienst dezer groote zaak, en zijn tijd was er zoozeer door in beslag genomen, dat hij aan alle hem gestelde eischen niet kon voldoen.

Nadat hij de geheele lente en een deel van de zomer had gewerkt, kwam hij er eerst in Juli toe naar buiten te gaan en zijn broeder Lewin te bezoeken. Hij begaf zich er heen om, een paar weken op het land teruggetrokken, den volksgeest in zijn verheffing waar te nemen en wat tot verhaal te komen. Katawassow, die al lang beloofd had Lewin te bezoeken, vergezelde hem.

Toen Sergej Iwanowitsch en Katawassow aan het station afstapten, kwamen daar te gelijk verscheiden vrijwilligers met droschken aan. Zij werden door dames met bloemkransen en door oen toegestroomde volksmenigte ontvangen.

Een der dames kwam uit de wachtkamer en wendde zich tot
Sergej Iwanowitsch.

“Is u ook gekomen om hen uitgeleide te doen?”

“Neen, vorstin, ik reis op eigen hand om mij bij mijn broeder op het land wat te verfrisschen. En u doet hen steeds uitgeleide?” antwoordde hij glimlachend.

“Ja, dat is toch noodig,” zeide de vorstin. “Is het waar, dat er achthonderd van de onzen zijn?”

“Meer. Hen medegerekend, die niet over Moskou de reis hebben gemaakt, zijn er meer dan duizend,” zeide Kosnischew.

“Ziet u? Dat heb ik al dadelijk gezegd,” antwoordde de dame verheugd:
“En is het waar, dat men al over het millioen bijeen heeft?”

“Meer, vorstin.”

“En het laatste telegram? Zijn de Turken geslagen?”

“Ja, ik heb het zooeven gelezen,” antwoordde Kosnischew.

“Het bericht wordt bevestigd, dat in de laatste drie dagen de Turken overal geslagen zijn, en morgen verwacht men den beslissenden veldslag.”

“Weet u reeds, dat graaf Wronsky, de beruchte, met dezen trein vertrekt?”

“Ja, dat hij ook aan den strijd wil deelnemen, heb ik gehoord, maar ik wist niet wanneer hij zou vertrekken. Dus met dezen trein?”

“Ik heb hem gezien. Hij is hier; alleen zijn moeder vergezelde hem. Dat is nog altijd het beste, wat hij doen kan.”

“O ja, zeker.”

Op dit oogenblik drong de menigte, om wat middageten te bekomen, naar de restauratiezaal. Zij werden medegesleept en hoorden de luide stem van een heer, die met een champagneglas in de hand een toespraak tot de vrijwilligers hield.

“Gij gaat strijden voor ons geloof, voor de menschheid, voor onze broeders!” zeide de heer met steeds meer klimmende stem. “Moeder Moskou zegent u voor eene groote zaak. Jivio!”‘besloot hij luid en met ontroerende stem.

“Jivio! Jivio!” schreeuwden allen en een nieuwe menigte stroomde de zaal in en klonk met de gravin.

“Ach! Vorstin! Wat zegt u er van?” vroeg Stipan Arkadiewitsch met een vroolijken lach en een stralend gelaat, terwijl hij plotseling te midden van de menigte verscheen. “Niet waar? zeer schoon en warm gesproken! Bravo! En ziedaar, Sergej Iwanowitsch! U moet ook eenige woorden spreken, weet u, als blijk van waardeering en tot opwekking. U kan dat zoo goed!” liet hij er, zijn arm aanrakende, met een vleiend, aanmoedigend lachje op volgen.

“Neen, ik reis dadelijk door.”

“Waarheen?”

“Naar mijn broeder op zijn landgoed,” antwoordde Kosnischew.

“O, dan ziet u ook mijn vrouw. Ik heb aan haar geschreven, maar u ziet ze toch vroeger. Wees zoo goed en zeg haar, dat het All right is. Zij zal het begrijpen. Zeg haar ook, dat ik gekozen ben tot medelid van de commissie … zij weet wel wat ik bedoel. Vous savez, les petites misères de la vie humaine!” wendde hij zich verontschuldigend tot de vorstin. “En Miagkaja – niet Lisa, maar Bibiche – , zendt geweren en twaalf liefdezusters. Weet u het al?”

“Ja, ik heb het gehoord,” antwoordde Kosnischew op koelen toon.

“Hoe jammer dat u vertrekt,” zeide Stipan Arkadiewitsch. “Wij geven morgen aan twee vrijwilligers – Bartenjansky uit Petersburg en onzen Wassja Wesslowsky – een afscheidsdiner. Zij gaan allen heen! Wesslowsky was eerst onlangs getrouwd en vertrekt nu al. Is dat niet mooi?”

De vorstin zag Kosnischew aan. Beiden schenen gaarne van hem los te willen zijn, maar dat hinderde Stipan Arkadiewitsch niet in het minst. Hij zag lachend nu op de veer van den hoed der gravin, dan naar alle zijden in het rond, alsof hij zich iets in het geheugen wilde terugroepen. Toen hij eene dame met een bus voorbij zag gaan, riep hij ze en legde er een bankbiljet van vijf roebel in.

“Ik kan deze bussen niet onverschillig aanzien, zoolang ik nog geld in den zak heb,” zeide hij. “Wat zegt u van het laatste telegram? Dappere knapen die Montenegrijnen!”

“Wat u zegt!” riep hij uit, toen de vorstin hem mededeelde, dat Wronsky met dezen trein ging. Zijn gelaat drukte op dat oogenblik droefheid uit, maar reeds in het volgend oogenblik, nadat hij even had gezucht en met sidderende hand langs zijn baard had gestreken, trad hij de kamer binnen, waarin Wronsky zich bevond; hij had al zijn zuchten over den dood zijner zuster vergeten en zag in Wronsky nog slechts den held en zijn ouden vriend.

“Bij al zijn gebreken moet men hem toch recht laten wedervaren,” zeide de vorstin tot Kosnischew, toen Oblonsky haar had verlaten: dat is een echt Russische, een Slavische natuur. Ik vrees slechts, dat het Wronsky onaangenaam zal zijn hem te zien. Wat zij ook mogen zeggen, mij roert het noodlot van dezen man. Spreekt u hem onderweg?”

“Ja, wellicht! Als het zoo valt.”

“Ik was nimmer met hem ingenomen. Naar wat hij nu doet maakt weer veel goed. Niet slechts gaat hij zelf mede, maar hij heeft een geheel escadron op zijn kosten uitgerust.”

“Ja, ik heb daarvan gehoord.”

Er werd geluid. Allen drongen zich naar de deuren.

“Daar is hij,” zeide de vorstin en wees op Wronsky, die in een langen zwarten jas en met een breedgeranden zwarten hoed op aan den arm zijner moeder daar aankwam. Naast hem ging Oblonsky, die levendig sprak.

Waarschijnlijk door Oblonsky opmerkzaam gemaakt, wendde hij zich naar de zijde, waar Kosnischew met de gravin stond en nam zwijgend den hoed af. Zijn gelaat was verouderd en zag er lijdend uit, maar scheen echter als uit steen gehouwen. Hij ging naar het plateforme van den wagen, liet zwijgend zijn moeder voorbijgaan en verdween in de wagenafdeeling.

Op het perron werd het roepen der menigte gehoord: “God behoede den czaar! Hoera en Jivo!” Een der vrijwilligers, een lange nog zeer jonge man met ingevallen borst, stelde zich bizonder op den voorgrond, terwijl hij zijn vilten hoed en bloemruiker boven zijn hoofd zwaaide.

Gedurende het oponthoud in de hoofdstad van het gouvernement ging Sergej Iwanowitsch niet in de restauratiezaal, maar bleef het perron op- en nedergaan. Toen hij Wronsky’s wagon voorbij kwam, zag hij voor het venster de oude gravin. Zij riep hem aan.

“Ik ga ook met dezen trein,” zeide zij, “en vergezel hem tot Kursk.”

“Ja, dat heb ik al gehoord,” zeide Kosnischew en zag tot haar op. “Dat is een loffelijke daad van hem,” liet hij volgen, toen hij bemerkte, dat Wronsky niet aanwezig was.

“Ja, na zijn ongeluk…. Wat bleef hem anders over?”

“Een verschrikkelijke gebeurtenis!” zeide Kosnischew.

“Ach, wat heb ik doorleefd! Kom een oogenblik hier binnen…. Ach wat heb ik doorleefd!” hernam zij toen Kosnischew binnentrad en naast haar op de kussens ging zitten. “Men kan zich dat niet voorstellen. Zes weken lang sprak hij met niemand en gebruikte slechts eenig voedsel, als men hem er toe drong. En geen oogenblik konden wij hem alleen laten. Alles hadden wij hem ontnomen, alles, waarmede hij zich kon dooden. Wij woonden in de benedenverdieping, maar men kon niet voorzichtig genoeg zijn. U weet immers, dat hij reeds eenmaal om harentwil op zich heeft geschoten,” zeide zij en bij deze herinnering fronste de oude dame het voorhoofd. “Ja en het eindigde met haar, zooals het met zulk een vrouw eindigen moest. Zulk een gemeenen, vernederenden dood moest zij uitzoeken!”

“Wij mogen daarover niet oordeelen, gravin,” zeide Kosnischew met een zucht. “Maar ik begrijp, hoe zwaar en pijnlijk het voor u moet geweest zijn.”

“Ach, ik kan het u niet zeggen. Ik had toen mijn verblijf op mijn landgoed en hij was juist bij mij. Daar bracht men mij een brief. Hij schreef een antwoord en verzond het. Wij vermoedden niet, dat zij aan het station was. ’s Avonds – ik had mij juist teruggetrokken – vertelde mijn Marie mij dat zich nabij het station een dame onder den trein had geworpen. Het was mij, alsof mij een beroerte trof. Ik wist dadelijk, dat zij het was. Het eerste, wat ik zeide, was: De graaf mag er niets van vernemen! Maar men had het hem reeds gezegd. Zijn koetsier was daar geweest en had alles mede gezien. Toen ik zijn kamer binnen ijlde, was hij reeds zich zelf niet meer. Het was verschrikkelijk hem aan te zien. Hij sprak geen woord en snelde heen. Ik weet niet wat daar geschied is, maar men bracht hem als dood naar huis. Ik herkende hem nauwelijks. Daarop greep hem een soort van razernij aan. Maar hoe zou ik het kunnen verhalen? Het was een ontzettende tijd. Neen, wat men ook zeggen mag, zij was een slechte vrouw. Wat moet men zeggen, van zulke wanhopige harstochten? Zij heeft daardoor zich zelf en twee voortreffelijke menschen, haar echtgenoot en mijn ongelukkigen zoon te gronde gericht.

“Wat heeft Karenin gedaan?”

“Hij heeft het dochtertje tot zich genomen. Mijn Aläscha stemde in het begin in alles toe; maar nu grieft het hem verschrikkelijk, dat hij zijn kind aan een vreemden man heeft overgelaten. Maar hij kan zijn woord niet terugnemen. Karenin was voor de begrafenis overgekomen, maar wij maakten, dat hij en Aläscha elkander niet ontmoetten. Voor hem, haar echtgenoot, is het zoo het best. Hij is van haar bevrijd. Maar mijn arme zoon heeft zich geheel aan haar overgegeven; alles heeft hij voor haar opgeofferd, zijn carrière en mij, zijne moeder, maar toch heeft zij geen mededoogen met hem gehad, maar moest hem opzettelijk te gronde richten. Neen, wat men ook zeggen mag: haar dood was die eener afschuwelijke vrouw, eener vrouw zonder godsdienst. God moge het haar vergeven, maar ik moet haar aandenken haten, daar ik den ondergang mijns zoons voor oogen heb.”

“Hoe is hij nu?”

“Deze Servische oorlog heeft God ons beschikt, want die is zijn redding! Ik ben al oud en begrijp van den staatkundigen toestand niet veel; men zegt: ce n’est pas très bien vu à Petersbourg, en als moeder vrees ik voor zijn veiligheid; maar wat te doen? Dat alleen kon hem nog weer tot leven wekken en oprichten. Jawschin, zijn vriend, heeft alles verspeeld en zich ook naar Servië begeven. Deze kwam bij hem en heeft hem overreed. Dat dwingt hem nu ten minste tot inspanning en werkzaamheid. Ach, ik bid u, spreek eens met hem; ik wilde zoo gaarne, dat hij eenige afleiding had. Hij is zoo somber. Hij zal u gaarne zien. Ik bid u, spreek hem eens aan. Hij gaat aan de andere zijde op en neer.”

Sergej Iwanowitsch begaf zich naar de andere zijde van den trein.

Tusschen de pakken en kisten, die op het perron lagen opgestapeld, ging Wronsky in zijn lange paletot, met de handen in de zakken, als een dier in de kooi, op en neder, terwijl hij steeds op twintig passen snel terugkeerde. Toen Sergej Iwanowitsch hem naderde, scheen het dezen, dat Wronsky hem niet wilde opmerken. Maar Kosnischew was hierboven verheven. Wronsky was nu in zijn oogen slechts een belangwekkend deelgenoot in een groot werk, en hij achtte het zijn plicht hem aan te moedigen en te troosten. Hij trad derhalve op hem toe.

Wronsky bleef staan, zag hem oplettend aan, kwam toen een stap nader en drukte hem zeer vast de hand.

“U wenscht wellicht mij niet te zien,” zeide Sergej
Iwanowitsch. “Evenwel … misschien kan ik u nuttig zijn?”

“Niemands ontmoeting kon mij minder onaangenaam zijn, dan die van u,” antwoordde Wronsky: “houd het mij ten goede. Het leven geeft niets aangenaams.”

“Ik begrip u, maar ik wilde u mijne diensten aanbieden. Een brief aan Ristic of aan Milan zou wellicht nuttig kunnen zijn?”

“Ach neen,” zeide Wronsky, alsof hij moeite had hem te begrijpen. “Als u wil, laat ons dan nog een poos op- en neergaan. In den waggon is het zoel. Een brief? Neen, ik dank u. Om te sterven behoeft men geene aanbevelingen, tenzij aan de Turken,” antwoordde hij, en zijn mond glimlachte, maar zijn oogen behielden de uitdrukking van bittere droefheid.

“Maar men kan betrekkingen aanknoopen, die onder de bestaande omstandigheden nuttig zijn kunnen. Ik verheugde mij toen ik van uw besluit hoorde. Men had van vele zijden grieven tegen de vrijwilligers, maar een man als u zal hen in de publieke opinie verheffen.”

“Ik heb slechts de verdienste, dat ik niet aan het leven hecht en genoeg kracht heb om een carré uit elkander te slaan of op de plaats te blijven. Dat weet ik. Ik verheug mij, dat er iets is waarvoor ik mijn leven kan wagen, dat mij niet slechts nutteloos schijnt, maar zelfs lastig is. Zoo kan het nog voor iets ten voordeel zijn.” En hij maakte met de kin een ongeduldige beweging uithoofde van aanhoudende, kwellende tandpijn, die hem zelfs verhinderde met den gewilden nadruk te spreken.

“U zal weer geheel opleven, dat verspel ik u,” zeide Kosnischew, die zich diep geroerd gevoelde. “Onze verdrukte broeders te bevrijden is een doel, waarvoor het waard is te leven en te sterven. God geve u een goeden uitslag op uw edel pogen en inwendigen vrede!”

“Ja, als werktuig mag ik wat zijn, als mensch ben ik eene ruïne,” zeide hij en drukte krachtig de hand, die Kosnischew hem toereikte. Hij zweeg en keek naar de raderen van den tender, die langzaam en gelijkmatig over de rails voortrolden. Een diepe smart stond in zijn trekken te lezen. De tender en het spoor riepen haar, of liever wat van haar overgebleven was, in zijn geheugen terug zooals hij haar gezien had, toen hij half waanzinnig de loods bij het station binnengestormd was; daar had zij gelegen, nog onlangs vol leven, toen een bloedig lichaam, schaamteloos uitgestrekt voor de oogen van vreemden! Het achterwaarts gebogen hoofd met de zwarte vlechten en de fijne krulletjes langs de slapen was ongedeerd gebleven; op het schoon gelaat en de half geopende roode lippen scheen een versteende, roerende klacht te liggen, maar in de wijdgeopende oogen lag een ontzettende uitdrukking, die duidelijker dan met woorden het verschrikkelijke woord uitsprak: “gij zult er berouw van hebben….”

Hij gaf zich moeite zich haar zoo te herinneren, als hij haar de eerste maal aan het station ontmoet had, zoo poëtisch schoon en aanlokkend, zoo vol levenslust en behoefte aan geluk en zelf geluk verspreidend, niet zoo bitter en wraakzuchtig als hij zich haar uit hun laatst bijeenzijn herinnerde…. Hij trachtte de schoonste met haar beleefde oogenblikken te voorschijn te roepen, maar deze waren nu voor altijd vergiftigd. Zij stond hem nu nog slechts voor oogen in haar opgewonden toorn en haar zegevierend besluit om zich te wreken…. En hij gevoelde geen tandpijn meer, een snikken schokte zijn geheele wezen!

Nadat hij eenige malen zwijgend de vrachtgoederen was voorbijgegaan, had hij de heerschappij over zich zelf herwonnen en wendde zich nog eenmaal kalm tot Sergej Iwanowitsch, die hem weder voorbijging.

“Is er sedert gisteren nog geen nieuw telegram aangekomen?”

“Ja, zij zijn voor de derdemaal geslagen, maar morgen verwacht men een beslissenden veldslag.”

Nadat zij nog een oogenblik over Milans proclamatie tot koning en van de gevolgen dezer gebeurtenis hadden gesproken, keerden zij na het tweede bellen ieder naar zijn waggon terug.

XXVII.

Daar Sergej Iwanowitsch eerst in het laatste oogenblik tot zijn vertrek naar buiten had besloten, had hij zijn broeder daarvan geen bericht gezonden. Lewin was derhalve niet te huis toen Kosnischew en Katawassow in een tarantas, die zij aan het station gehuurd hadden, bestoven als Arabieren, des middags om twaalf uur voor zijn huis stilhielden. Kitty zat met haar vader en Dolly op het balkon. Zij herkende haar zwager en snelde naar beneden hem te gemoet.

“Je moogt je wel schamen, dat je ons niets hebt laten weten!” zeide zij, terwijl zij hem de hand reikte en het voorhoofd hem tegenhield. “Je ziet, dat we heel goed hebben gereden zonder je moeite te veroorzaken,” antwoordde Sergej Iwanowitsch. “Maar ik ben zoo bestoven, dat ik u bijna niet durf naderen. Ik had zooveel drukten, dat ik vooraf niet kon bepalen, wanneer ik mij zou kunnen losrukken. Maar gijlieden hier geniet, als altijd, in je stille hoekje een vreedzaam geluk…. Hier onze oude vriend Fedor Wassilitsch is er ook eens uitgevlogen.”

“Denk niet, dat ik wezenlijk een neger ben; als ik mij heb gewasschen, zal ik een menschelijk voorkomen hebben,” en zijn witte tanden schitterden tusschen zijn schalkachtig vertrokken lippen, terwijl hij haar de hand reikte.

“Kostja zal heel blijde zijn…. Hij is in het veld, maar hij zal wel terstond terug zijn.”

“Altijd druk in de zaken. Maar wij zijn ook in Arkadië,” zeide Katawassow. – Wij in de stad zien en hooren niets dan van den Servischen oorlog. Hoe denkt onze vriend daarover? Waarschijnlijk anders als andere menschen?”

“Ja, niet zooals allen,” antwoordde Kitty een weinig verlegen en wendde zich tot Kosnischew: “Ik zal hem laten halen. Papa is ook hier. Hij is eerst onlangs uit het buitenland teruggekomen.”

Zij liet dus naar Lewin zoeken, wees de bestoven gasten hun kamers, bestelde voor hen een verversching en ging toen weer naar het balkon.

“Dat zijn Sergej Iwanowitsch en Katawassow, de professor,” zeide zij.

“Oef! dat is veel op eens met die warmte,” meende de oude vorst.

“Neen, papa, hij is heel aardig en net en Kostja houdt veel van hem,” zeide Kitty met een smeekend lachje, daar zij in zijn trekken een spottende uitdrukking bemerkte.

“Ik heb er niets tegen.”

“Ga jij ze wat bezig houden, Dollylief,” wendde zij zich tot deze. “Zij hebben onderweg Stiwa aangetroffen, hij is welvarend. Ik moet eens naar mijn kleinen Mitja. Hij heeft sedert van morgen niets gehad en zal ongeduldig worden. Hij zal misschien wakker zijn en schreien.”

En met snelle schreden ijlde zij naar de kinderkamer.

Mitja schreide werkelijk. Reeds van verre hoorde Kitty zijn stem en verdubbelde haar schreden. De stem was krachtig en gezond, slechts hongerig en ongeduldig.

“Schreit hij al lang, Stanja?” vroeg Kitty, terwijl zij haastig op een stoel ging zitten en zich gereed maakte om hem de borst te geven. “Geef hem toch dadelijk hier. Wat ben je langzaam! Het mutsje kun je immers later vastbinden.”

Het kind liet een vreeselijk hongerig schreeuwen hooren.

“Zoo kan het toch niet, moedertje,” zeide Agasija Michailowna, die nu bijna altijd in de kinderkamer was; “hij moet toch eerst in orde gebracht worden.” “Suja, suja,” zong zij over hem gebogen, zonder zich aan de moeder te storen.

Stanja bracht eindelijk het kind naar zijn moeder. Agasija Michalowna ging achter hen heen met een gelaat overvloeiende van teederheid.

“Hij kent mij al! wezenlijk, hij kent mij!” riep zij uit.

Maar Kitty sloeg geen acht op haar; haar ongeduld vermeerderde met dat van het kind. Derhalve kwam ook de zaak niet dadelijk in orde. Het kind vatte niet juist aan zooals het moest en ergerde zich.

Eindelijk, na een laatste wanhopig geschreeuw gelukte het; moeder en kind werden nu gelijktijdig rustig en stil.

“Nu kun je wel gaan,” fluisterde Kitty. “Hij zal inslapen. Maar het arme kind baadt in zweet.” En zij betastte het van alle zijden. “Waarom denk je, dat hij je reeds kent?” liet zij volgen, en beschouwde met genoegen de oogjes, die van onder het mutsje haar tevreden en guitig schenen aan te kijken, zijn zachte wangen, die zich gelijkmatig opbliezen en de rooskleurige handjes, die zich onophoudelijk bewogen. “Dat is onmogelijk, want als hij iemand kende, zou hij mij het eerst kennen,” antwoordde Kitty op Agasija’s bewering.

“Als hij wakker wordt, zal u het zien, als God wil. Doe ik zóó, dan verheldert zijn gezichtje geheel,” volhardde Agasija Michailowna. “Nu goed, goed! Wij zullen het wel zien,” fluisterde Kitty! “Ga nu maar. Hij slaapt in.”

Agasija ging op de teenen de kamer uit; Stanja liet de rouleaux neder, joeg de vliegen weg van achter de mousselinen gordijnen van het bedje en evenzoo een groote bromvlieg, die tegen de vensterruiten stiet, en nadat zij met een berkentak over moeder en kind gezwaaid had, ging zij zitten.

“Welk een hitte! Foei hoe warm! Als de hemel maar regen gaf!” zeide zij.

“Ja ja! St.!” antwoordde Kitty, terwijl zij teeder en licht Mitja, die de kleine oogjes nu opende, dan sloot, op haar schoot wiegde. Eindelijk hield ook het kleine handje op zich te bewegen. Het kind zag, terwijl hij slechts van tijd tot tijd zijn voedingsbezigheid voortzette en de lange wimpers ophief, zijn moeder aan met de vochtige oogjes, die in het half donker zwart schenen. Men hoorde de kindermeid niet meer; zij was zelf ingesluimerd. Van boven liet zich de stem vernemen van den ouden vorst en het gelach van Katawassow.

“Zij zijn ook zonder mij in discours geraakt,” dacht Kitty, “maar het is toch ergerlijk, dat Kostja er niet is. Hij zal wel weer naar de bijenkorven zijn gegaan. Dat wekt altijd zijn belangstelling op. In de lente was hij somwijlen somber en gedrukt, nu zijn die phasen veel minder. Hij heeft te veel philosophieën gelezen en dat bracht hem tot ongeloof. Hij zegt zelf, dat hij geloovig wenschte te zijn; maar waarom is hij het dan niet? Waarschijnlijk omdat hij te veel denkt als hij alleen is. Is hij al een ongeloovige, mij dunkt, het is toch nog beter zóó te zijn dan zooals madame Stahl was en ik zijn wilde in Soden – neen, hij is oprecht en braaf.”

En daarbij viel haar een onlangs door hem betoonde trek van goedheid in. Een paar weken geleden had Dolly van haar echtgenoot een berouwvollen brief ontvangen, waarin hij haar bezwoer zijn eer te redden en haar goed te verkoopen om daarmede zijn schulden te betalen. Dolly was buiten zich zelf; zij verachtte haar man, was toornig en had medelijden met hem, en het einde was, dat zij ten slotte inwilligde een deel van haar goed te verkoopen. En nu dacht Kitty bewogen en onwillekeurig glimlachend aan de verlegenheid en de ongeschikte pogingen om het middel, dat hij tot Dolly’s redding had bedacht, haar voor te stellen, zonder haar te beleedigen. Hij zocht namelijk Kitty te overreden haar aandeel in Dolly’s bezitting af te staan, wat haar zelf tot hiertoe niet in den zin was gekomen.

“Welk een ongeloovige is hij dan? Met zulk een hart en in gestadige zorg om niemand leed te doen! Alles heeft hij voor anderen over. Sergej Iwanowitsch acht het natuurlijk, dat Kostja zijn rentmeester is. Nu staan ook Dolly en haar kinderen onder zijn bescherming, en al de boeren komen dagelijks bij hem, alsof hij verplicht is hen te helpen…. Ja, wordt maar zoo goed als je vader!” dacht zij, terwijl zij met haar lippen Mitja’s wang aanraakte en hem aan Stanja overgaf.

XXVIII.

Lewin had een broeder gehad, Nicolaas Dimitritsch, van wien hij en zijn broeder Sergej langen tijd gescheiden waren geweest. Door verregaand losbandig gedrag had hij zijn vermogen verspild, zijn naam onteerd en zijn gezondheid verwoest. Er waren jaren verloopen, dat men niets van hem had vernomen, tot eindelijk een brief uit een kleine provincieplaats Lewin naar zijn sterfbed riep. Kitty wist, dat deze broeder bestond, maar had hem nimmer gezien.

Zij wilde Lewin ter zijde staan, toen een treurige en wellicht moeielijke taak hem werd opgelegd, en vergezelde hem naar den doodzieken broeder. Deze, wrevelig tegen de geheele wereld en niet geloovende aan zijn naderend einde, ontving hen in eene gemoedsstemming, die beiden bitter bedroefde, terwijl zij met pijnlijke smart die uitgeteerde gestalte beschouwden, op wier gelaat reeds de dood zijn teeken had geschreven. Kitty betoonde zich eene uitstekende verpleegster. Bij haar vrouwelijke zachtheid ontwikkelde zij zulk een geestkracht en moed als men van haar niet zou verwacht hebben. Het diep mededoogen, het geduld en de zelfopofferende liefde van dit schoon en beminnelijk wezentje oefenden een wonderbaar verzachtenden invloed op den ongelukkige uit. Diep ellendig, als hij in den laatsten tijd geweest was, had hij op zijn ziekbed de geheele wereld gevloekt. Ongeloovige en materialist, als hij zich steeds had voorgedaan, had hij steeds en ook toen hij reeds hopeloos ziek daarneder lag den spot gedreven met al wat op iets hoogers betrekking had. Zijn ingenomenheid met en eerbied voor deze schoonzuster, die hem voorkwam als een wezen uit andere en hoogere sfeer, opende zijn ziel voor het geloof aan onbaatzuchtige liefde, aan een oneindig wezen, dat de oorzaak is van al wat bestaat en een wezen vol liefde moet zijn. Toen het hem zekerheid was geworden, dat hij sterven ging, greep hij naar troost, bad hij om vergeving. De cynische zekerheid, die in ruw zingenot bevrediging had gezocht, had hem in die uren geheel begeven en plaats gemaakt voor vernedering, zelfverwijt, diep schuldgevoel. Hij trachtte te bidden en hoorde gretig naar de troostende woorden van Gods barmhartigheid, die een oude eerwaardige pope zijner kerk tot hem richtte.

Sedert het sterven van zijn broeder, dat op Lewin een diepen indruk had gemaakt, onderwierp hij het probleem van het leven aan een nieuwe beschouwing en plaatste het in een ander licht. De overtuiging, die van twintig tot vier en dertig jaar het geloof zijner kindsheid had vervangen, wankelde op haar grondslagen. Het leven scheen hem nog ontzaglijker toe dan de dood. Van waar kwam het? Wat beteekende het? Waartoe was het ons gegeven? Het organisme, zijn verwoesting, de onvergankelijkheid der stof, de wetten van het behoud en de ontwikkeling der krachten, deze woorden en de wetenschappelijke theorieën, die zich er aan verbonden, waren ongetwijfeld interessant ten opzichte van het intellectueele leven, maar waren ze voldoende in den loop van ’s menschen bestaan?

Lewin was gelijk aan iemand, die door de barre koude gaande en zijn warme pels voor een mousselinen kleedij verwisseld hebbende, alsdan, niet door redeneering begrijpt, maar in zijn geheele lichaam voelt, dat hij naakt, beroofd en bestemd is om ellendig om te komen.

Van toen af gevoelde Lewin, zonder iets in zijn uitwendig leven te veranderen, zich steeds ontrust over zijn onwetendheid, daar hij gedrongen was met droefheid te erkennen, dat datgene, wat hij zijn overtuigingen noemde, wel verre van hem licht te geven, die dingen voor hem ontoegankelijk maakte, waaraan hij zulk een dringende behoefte gevoelde.

De dagelijksche beslommering en afleiding verdrongen wel deze gedachten, maar na de bevalling van zijn vrouw, toen hij te Moskou zonder bepaalde bezigheid leefde, keerden zij gedurig met klimmende hardnekkigheid terug.

Hij stelde zich de vraag aldus: “Indien ik de verklaringen van het Christendom omtrent het probleem van mijn bestaan niet aanneem, waar zal ik dan andere vinden?” En hij doorvorschte zijn wetenschappelijk systeem even vruchteloos, als hij een speelgoedwinkel of een arsenaal zou doorzocht hebben om er voedsel te vinden.

Onwillekeurig, onbewust, zocht hij in zijn lectuur, in zijn conversatie, in de personen, die hem omringden, een of ander aanrakingspunt met het onderwerp, dat hem geheel vervulde.

Eéne daadzaak verwonderde hem en hield hem meer bizonder bezig: waarom schenen de lieden zijner wereld, die grootendeels, even als hij, het geloof met de wetenschap hadden verwisseld, geen zedelijk lijden te ondervinden en volmaakt voldaan en tevreden te leven? Zou de wetenschap hen meer duidelijk en klaar antwoorden op deze verwarrende vragen? En hij begon de menschen en boeken, die de zoo vurig verlangde oplossing konden bevatten, te bestudeeren.

Hij ontdekte evenwel, dat hij in een grove dwaling was vervallen door met zijn makkers van de universiteit aan te nemen, dat de godsdienst iets zonder beteekenis is; zij, die hij het meest genegen was: de oude vorst, Lwof, Sergej Iwanowitsch, Kitty, bewaarden het geloof hunner jeugd, dat hij zelf had gedeeld; de vrouwen in het algemeen en het geheele volk geloofden.

Verder zag hij in, dat de materialisten, wier gevoelens hij deelde, aan deze geen bizondere beteekenis gaven en, verre van die vraagstukken te verklaren, zonder welker oplossing het leven hem onmogelijk scheen, schoven zij ze ter zijde om er in de plaats de definitie van andere voor te geven, die hem zeer onverschillig lieten, als: de ontwikkeling van het organisme, de mechanische verklaring der ziel e.z.v.

Sedert het gevaar, waarin zijn vrouw had verkeerd, had Lewin een vreemde ontroering ontwaard; hij, de ongeloovige, had gebeden … en gebeden met een oprecht geloof; maar zoodra hij tot kalmte was teruggekeerd, gevoelde hij, dat zijn leven onvatbaar was voor zulk een gesteldheid der ziel. Op welk een oogenblik was hem de waarheid verschenen? Kon hij toegeven, dat hij zich had bedrogen? Moest hij zijn heimwee naar God omdat het, als hij het door koude redeneering ontleedde, in het stof terugviel, als een bewijs van zwakheid beschouwen? Of zou het zijn ontstaan door het besef eener heilige waarheid, waarvan het gevoel in het menschelijk gemoed ligt verborgen?…. Deze strijd in zijn binnenste drukte hem pijnlijk en hij trachtte met al zijn krachten zich er van te bevrijden.

XXIX.

Overstelpt door deze gedachten, las en peinsde hij gedurig, maar het doel scheen zich meer en meer te verwijderen.

Overtuigd, dat het vruchteloos was in het materialisme een antwoord op zijn twijfelingen te zoeken, herlas hij sedert den laatsten tijd van zijn verblijf te Moskou en op het land Plato, Spinoza, Kant, Schelling, Hegel en Schopenhauer; deze bevredigden zijn verstand zoolang hij ze las of hun leerstellingen plaatste tegenover andere leerbegrippen, vooral tegenover de theorieën der materialisten; maar ongelukkig – zoodra hij, onafhankelijk van deze gidsen, de toepassing zocht op eenig twijfelachtig punt, verviel hij in dezelfde radeloosheid. De uitdrukkingen geest, wil, vrijheid, zelfstandigheid hadden voor zijn verstand slechts een zekeren zin voor zoover hij den kunstigen draad der gevolgtrekkingen dezer wijsgeeren volgde en zich hield aan hun fijne onderscheidingen; maar als hij ze beschouwde uit het oogpunt van het werkelijk leven, dan stortte de kunstige opstapeling ineen, en hij zag nog slechts een verzameling van woorden, die in geen verband stonden in met dat “zeker iets,” dat in het leven nog noodzakelijker is dan de rede.

Schopenhauer kon hem slechts korten tijd eenige kalmte geven. Toen zocht hij de waarheid in een onfeilbare kerk, wat hem het gemakkelijkste scheen, maar toen het hem opviel, dat de Grieksche en de Katholieke kerk, die beiden beweerden onfeilbaar te zijn, elkander veroordeelden, begreep hij, dat de kerkelijke theologie hem evenmin voldoende grondslagen kon geven als de philosophie!

De geheele lente door was hij zich zelf niet en doorleefde hij smartelijke uren.

“Ik kan niet leven zonder te weten wat ik ben en wat het doel is van mijn bestaan,” dacht Lewin.

“In de oneindigheid van den tijd, van de stof, van de ruimte vormt zich een organische cel, blijft een oogenblik bestaan en barst…. Deze cel ben ik!”

Dit treurige sophisme was liet eenige, het hoogste resultaat der werkzaamheid van het menschelijk denken gedurende eeuwen; dat was de slotsom van het geloof, waarop zich de nieuwste nasporingen van den wetenschappelijken geest grondden; Lewin had zich er zonder te weten waarom en eenvoudig omdat die theorie hem het helderst scheen, onwillekeurig van doorgedrongen.

Maar deze slotsom scheen hem nu niets anders dan een sophisme; hij zag er het vernielend werk in van een geest des kwaads; het was zijn plicht zich er aan te onttrekken; de macht daartoe was in ieders bezit … En Lewin, voorspoedig, bemind, gelukkig, bovendien echtgenoot en vader, dacht soms huiverend aan de mogelijkheid dat men in zijn geval er toe komen kon het leven af te werpen.

Maar hij bleef leven en strijden.

XXX.

Hoe meer Lewins geest geschokt was door de moeielijkheid om het probleem van zijn bestaan te ontleden, des te meer gaf hij zich over aan de bemoeiingen van het dagelijksch leven. Hij hervatte tegen de maand Juni zijn werkzaamheden op Prokowska: het bestuur over de landerijen van zijn zuster en van zijn broeder, zijn relatie’s met zijn buren en zijn boeren: hij voegde er dit jaar een bijenjacht bij, die hem bezig hield en met ijver bezielde. Zonder er over te redeneeren, volbracht hij zijn nieuwe plichten en een zedelijk instinct zeide hem, dat ’t zoo het beste was. Vroeger gaf het denkbeeld een goede daad te verrichten hem vooraf een zachten indruk van vreugde, maar de daad op zich zelf verwezenlijkte zijn hoop en verwachting niet, en hij begon spoedig te twijfelen aan het nuttige van zijn streven. Thans ging hij recht op het doel af zonder blijdschap, maar ook zonder aarzelen en de verkregen resultaten bleken voldoende te zijn. Hij groef zijn voor in den akker met de onbewustheid van den ploeg.

In plaats van over zekere levensvoorwaarden te redeneeren, nam hij ze aan als even noodzakelijk als het dagelijksch voedsel. Te leven naar het voorbeeld zijner voorvaders, hun ondernemingen voort te zetten, ten einde ze op zijn beurt na te laten aan zijn kinderen, daarin zag hij een plicht, waaromtrent niet viel te twijfelen, en hij wist, dat om dit doel te bereiken de grond moest bemest, bebouwd en onder zijn eigen toezicht bezaaid worden, zonder dat hij het recht had deze zorg aan zijn boeren over te laten. Hij wist evenzeer, dat hij hulp en bescherming moest verleenen aan zijn broeder, aan zijn zuster, aan vele boeren, die hem kwamen raadplegen, als aan kinderen, die hem waren toevertrouwd; zijn vrouw en Dolly hadden gelijk recht op zijn tijd, en dat alles legde ruimschoots beslag op zijn levensbestaan, waarvan hij, als hij er over peinsde, de beteekenis niet kon verklaren, ’t Was een vreemde zaak: niet slechts stond zijn plicht hem duidelijk voor oogen, maar hij voelde ook geen twijfel omtrent de wijze om dien te betrachten in de bizondere gevallen van het dagelijksch leven; alzoo aarzelde hij niet zijn arbeiders zoo goedkoop mogelijk te huren, maar hij wist, dat hij zo niet moest huren boven noch beneden den normalen prijs; hij leende geld aan een boer om hem uit de klauwen van een woekeraar te rukken, maar bewees hem later geen gratie bij het betalen van de rente; hij strafte gestreng het stelen van hout, maar zou zich bezwaard gevoeld hebben het vee van een boer te schutten, dat gevonden werd op zijn weiden; hij hield het loon in van een arbeider, die uit hoofde van den dood zijns vaders gedwongen was het werk te midden van den oogst te verlaten, maar hij onderhield en verzorgde de oude dienaren, die niet meer werken konden; hij liet de boeren wachten om zijn te huis gekomen vrouw te gaan omhelzen, maar hij zou niet naar zijn bijenkorven hebben willen gaan zonder hen ontvangen te hebben. Hij trachtte dit persoonlijk wetboek niet uit te diepen of uit te pluizen en verwijderde de redeneering daarover, die den helderen en duidelijken blik op zijn plicht had kunnen benevelen. Zijn fouten vonden bovendien een gestrengen rechter in zijn geweten, dat altijd waakte en hem geen toegevendheid bewees.

Het was aldus dat hij leefde, het spoor volgend door het leven hem aangewezen, altijd zonder de mogelijkheid te zien het mysterie van het bestaan te verklaren en steeds gekweld door zijn onwetendheid en de vrees, dat de wanhoop van den zelfmoordenaar hem zou kunnen overmeesteren.

XXXI.

De dag der aankomst van Sergej Iwanowitsch te Pakrowsky was voor
Lewin vol gemoedsaandoeningen geweest.

Men was aan het drukste tijdstip van het jaar gekomen, aan datgene, dat een inspanning van krachten vereischte, die men niet genoeg waardeert, omdat ze geregeld terugkeert en slechts eenvoudige uitkomsten oplevert. Maaien, garven binden, het koren binnen brengen, op nieuw ploegen en zaaien, – dit zijn werkzaamheden, die niemand verwonderen, maar om ze te volvoeren in den korten tijd door de natuur verleend is het noodzakelijk, dat jong en oud het werk aangrijpen, men moet zich drie of vier weken vergenoegen met brood, uien en kaas, men kan slechts eenige uren slapen, men kan dag of nacht niet ophouden, en dit verschijnsel herhaalt zich ieder jaar door geheel Rusland.

Lewin gevoelde zich in dat opzicht één met het volk; hij ging ’s morgens vroegtijdig naar het veld, kwam terug om te ontbijten met zijn vrouw en zijn schoonzuster, dan ging hij naar de bouwhoeve, waar hij altijd wat te besturen vond. En terwijl hij het opzicht hield over de werkzaamheden of zat te praten met zijn schoonvader en de dames, vervolgde hem dezelfde vraag: “Wie ben ik? Waar ben ik? Waartoe ben ik?”

Toen hij bij de met nieuw stroo gedekte schuur stond, zag hij het door de dorschmachine opgejaagde stof in de lucht dansen, het stroo zich buiten de machine verspreiden op het door de zon beschenen gras, terwijl de zwaluwen zich verborgen onder het dak en de arbeiders de wijk namen naar het binnenste gedeelte der schuur, waar de schaduw het donkerst was.

“Waartoe dat alles?” dacht hij; “waartoe ben ik hier om over hen het opzicht te houden en zij, waarom toonen zij hun ijver ten mijnen behoeve? Daar is mijn oude vriendin Matrone (een groote magere vrouw, die hij van een brandwond had genezen en die dapper den grond schoffelde), ik heb ze genezen, dat is waar, maar zoo al niet thans, dan zal zij toch over een jaar of over tien jaren naar het graf worden gedragen, evenals dat mooie jonge meisje, dat de elegante speelt, als dat afgematte paard …, als Fedor, die het opzicht heeft bij de dorschmachine en met zooveel gezag de vrouwen bevelen geeft, – en het zal hetzelfde zijn met mij…. Waarom?” en in nadenken verzonken raadpleegde hij werktuigelijk zijn horloge om de taak der arbeiders te bepalen, liet Lewin de arbeiders uiteengaan en knoopte met Fedor een gesprek aan en ondervroeg hem ten opzichte van een rijken boer, Platon geheeten, die weigerde het land te huren, dat hij te voren aan een vereeniging had verpacht en dat het laatste jaar door een boer was bebouwd.

“De prijs is te hoog, Constantin Dimitritsch,” zeide Fedor.

“Maar waarom heeft Mitionik dien het laatste jaar betaald?”

“Platon zal niet denzelfden prijs betalen als Mitionik,” zeide de arbeider op af keurenden toon; de oude Platon zou zijn naaste niet het vel over de ooren halen; hij heeft medelijden met den geringen man en zou hem, als het noodig was, crediet geven.”

“Waarom zou hij crediet geven?”

“De menschen zijn niet allen gelijk: de een leeft voor zijn buik, zooals Mitionik, de ander voor zijn ziel, voor God, zooals de oude Platon.”

“Wat noem je voor zijn ziel, voor God leven?” vroeg Lewin haastig op luiden toon.

“Dat is eenvoudig: leven volgens Gods wil, volgens de waarheid. Niet allen doen zoo, dat is zeker, maar sommigen wel. U, bijvoorbeeld, Constantin Dimitritsch, u zou geen onrecht doen, ook niet tegen den geringen man.”

“Ja, ja … vaarwel!” prevelde Lewin, ten prooi aan een levendige gemoedsbeweging, en zijn stok nemende, richtte hij zijn schreden huiswaarts.

“Leven voor God, volgens de waarheid … voor zijn ziel,” deze woorden van den boer vonden weerklank in zijn hart; en onduidelijke gedachten, maar waarvan hij het heilrijke gevoelde, bewogen zich in zijn geest; zij ontsnapten uit een schuilhoek van zijn ziel, waar zij langen tijd waren besloten geweest, om nu een nieuw licht voor hem to doen opgaan.

XXXII.

Lewin ging met groote passen zijn weg, beheerscht door een geheel nieuwe gewaarwording; de woorden van den boer waren in zijn ziel gevallen als een electrieke vonk en de onzekere, duistere denkbeelden, die hem eigen waren geweest, schenen te wijken en plaats te maken voor gevoelens, die zijn hart vervulden met blijdschap.

“Niet leven voor zich zelf, maar voor God! … Welke God? Is het niet onzinnig te beweren, dat wij niet voor ons zelf, d.i. voor ’t geen ons behaagt en aantrekt, moeten leven, maar voor God, dien niemand kan begrijpen of verklaren? … Evenwel heb ik deze onzinnige woorden begrepen, ik heb niet getwijfeld aan hun waarheid … ik heb er dezelfde beteekenis aan gehecht als die boer en ik heb misschien nooit iets zoo goed begrepen.

“Fedor beweert, dat Mitionik leeft voor zijn buik, ik weet dat het waar is; wij redelijke wezens leven bijna allen zoo. Maar Fedor zegt ook, dat men moet leven voor God volgens de waarheid, en ik begrijp dit even goed…. Ik en millioenen menschen, rijk en arm, ontwikkeld en eenvoudig, in het verledene en het tegenwoordige, wij stemmen overeen, dat men moet leven voor God en de waarheid, d.i. voor het goede.

“Niet het ontledend verstand, niet de philosophie, maar het gemoed zegt ons, dat het zoo zijn moet.

“Zou ik daarin werkelijk de oplossing van mijn twijfelingen hebben ontdekt en nabij hebben gevonden, wat ik in de verte zocht?”

Lewin vervolgde zijn weg, ongevoelig voor warmte en vermoeienis, maar overstelpt door zijn gewaarwordingen, en in de behoefte om rustig na te denken, verliet hij den weg en ging het bosch in, waar hij zich onder de dichte schaduw van een boom op het gras nedervleide, en zette toen zijn overpeinzingen voort.

“Ik moet mijn indrukken verzamelen….

“Ik geloofde vroeger, dat in mijn lichaam, evenals in dat van het insect, een ontwikkeling der stof werkte volgens sommige physische, chemische en physiologische wetten: eene onophoudelijke werking en worsteling, die zich tot alle uitstrekt: tot de boomen, de wolken, den nevel…. Maar waar liep dat streven op uit? Was de worsteling met het oneindige mogelijk?… En ik verwonderde mij langs dezen weg, in weerwil van de uiterste pogingen, niets te vinden, dat mij opheldering gaf omtrent de beteekenis van het leven, van de aandrift, van het verlangen, dat ons bezielt…. Dit hoogere zintuig is evenwel zoo levendig en helder in mijn binnenste, dat het de grond van mijn wezen uitmaakt; en toen Fedor mij zeide: ‘Leven voor God en voor zijn ziel,’ heb ik mij evenzeer verblijd als verwonderd hem het vraagstuk zoo eenvoudig te hooren oplossen.

“Ik heb niets ontdekt, ik wist het al…; ik heb eenvoudig de kracht erkend, die mij eens het leven heeft geschonken en het mij nu wedergeeft. Ik gevoel mij bevrijd van twijfel en verwarring…. Ik zie mijn Meester!…”

Hij herinnerde zich den loop zijner gedachten sedert den dag dat bij het zien van den stervenden broeder het denkbeeld van den dood hem diep had getroffen. Toen was het, dat hij duidelijk begreep, dat de mensch, als hij geen ander uitzicht heeft als lijden, dood en eeuwige vernietiging, er toe komen moet, onder de gedachte aan zelfmoord, het probleem van ons bestaan te verklaren op eene wijze, die er slechts de wreede ironie van een kwaadwillig wezen in kan zien. Maar zonder er in te slagen iets te verklaren, had hij zich toch niet gedood; hij was gehuwd, hij had nieuwe blijdschap gekend, die hem gelukkig maakte, als zij niet gekruist werd door zijn verwarde en donkere gedachten.

Wat bewees deze inconsequentie? Zijn leven was toch nog beter geweest dan zijn leer. Zonder het te weten was hij staande gehouden door die waarheden des geloofs, die hij met de moedermelk had ingezogen, hoewel zijn verstand ze miskende. Nu begreep hij, hoeveel hij er aan te danken had….

“Wat zou ik geweest zijn, als ik niet had geweten, dat ik voor God moest leven en niet voor de voldoening mijner behoeften? Ik zou hebben gelogen, gestolen, gemoord…. Geen der edele genoegens, die het leven mij geeft, zou voor mij hebben bestaan…. Ik was zoekende naar een oplossing, die wijsgeerige bespiegeling niet kon geven, en ook slechts het gemoed en het leven zelf gaven mij een antwoord. En deze kennis heb ik niet veroverd, zij is mij gegeven gelijk al het overige. Zou de bespiegeling mij ooit hebben aangetoond, dat ik mijn naaste moet liefhebben in plaats van hem te verworgen? Toen men het mij evenwel onderwees in mijn jeugd, geloofde ik het gemakkelijk en dit is de reden, dat ik het steeds wist. Het bewijs, dat het onderricht der rede levert, is de strijd om het bestaan, de wet, die eischt, dat elke hinderpaal, die de voldoening onzer begeerten in den weg staat, wordt verbrijzeld; de zelfzuchtige verwoesting is logisch, – terwijl het volstrekt niet met de gevolgtrekking der koude redeneering strookt zijn naaste lief te hebben. O hoogmoed en dwaasheid,” dacht hij, “gevolg van de sluwheid en doortraptheid der koude redeneering van het verstand!…”

XXXIII.

“Ik meende,” dacht hij verder, “door koele bespiegelingen te zijn ingedrongen in de geheimen der natuur en het probleem van het menschelijk leven tot zekere hoogte te hebben opgelost. Doen ook de wijsgeeren niet zoo met hun stelsels? En ziet men niet duidelijk in de onthulling van elke theorie eenigszins de beteekenis van het menschelijk leven aangewezen zooals de boer Fedor ze opvat? Zij komen er altijd minder of meer toe, maar dikwijls door een dubbelzinnige redeneering. Laat ons eens overgelaten zijn aan onze rede, aan onze driften, zonder de kennis van onzen Schepper, zonder het zedelijk besef van goed en kwaad…. Welke uitkomst zouden wij verkrijgen? Men werpt soms zijn geloof over boord, omdat men er van verzadigd meent te zijn en als de kinderen, die de waarde van hetgeen zij genieten niet inzien, hunkert men naar iets nieuws, dat in valschen glans schittert en waarmede men zich toch niet voeden kan. Ik, een Christen, opgevoed in het geloof, bevoorrecht met de weldaden van het Christendom, zonder er het rechte besef van te hebben gehad, ik heb getracht de essence van mijn leven te vernietigen…. Maar in de uren van lijden en smart heb ik tot Hem geroepen, die de bron van alle licht en leven is, en ik hoop, dat mijn gevaarlijke opstand tegen Hem mij is vergeven.”

“Neen, de rede heeft mij niets geleerd; wat ik weet is mij gegeven, is te voorschijn gebracht uit het gemoed en door het geloof van het Christendom.”

“De kerk?” hernam hij, zich omkeerende en ziende naar een troep vee, die naar de rivier ging. “Kan ik waarlijk alles gelooven, wat de kerk leert?” vroeg hij zich zelf en kwam op een punt, dat zijn verkregen rust eenigszins verstoorde. En hij herinnerde zich de dogma’s, die hem zoo vreemd hadden toegeschenen…. “De schepping …. Maar hoe verklaart zij het bestaan? De duivel?… Hoe wordt hierdoor het kwaad verklaard?… De verlossing door het kruis en door boetedoeningen?… De dogma’s der kerken,” dacht hij, “leggen aan millioenen menschelijke wezens, die de aarde bevolken, jongen en ouden, boeren en keizers, geleerden en onwetenden, de verplichting op dezelfde begrippen te hebben, om er dat in- en uitwendig leven uit samen te stellen, dat alleen waard is beleefd te worden…. Maar leven voor God, voor de waarheid, voor zijn ziel, dit is immers wat de stichter van het Christendom heeft gewild. De groote waarheden door Hem ons verkondigd staan boven de bizondere dogma’s der kerkgenootschappen. Ik wil slechts naar Hem hooren, door wien de Godheid tot de menschheid heeft gesproken.”

Op den rug gelegen, beschouwde hij den hemel boven zich.

“Ik weet wel,” dacht hij, “dat dit de oneindige ruimte is en niet een blauw gewelf, dat boven mij is uitgespannen, – maar mijn oog dringt niet door dat schijnbaar rond gewelf. De blik van Hem, die verder zag, moet zijn telescoop zijn.”

Lewin eindigde zijn overpeinzing; hij hoorde een geheimzinnige stem, die zich blijmoedig verhief in zijn binnenste.

“Is dat waarlijk geloof?” vroeg hij zich zelf. “Hoe dankbaar ben ik, mijn God, voor het licht, dat Gij mij aanvankelijk hebt geschonken na het ronddolen in nevel en duisternis.”

XXXIV.

Toen Lewin zijn huis naderde, bemerkte hij Tanja en Grischa, die hem kwamen tegenloopen.

“Oom Kostja! mama, grootpapa en Sergej Iwanowitsch en nog een,” zeide Tanja, “komen u te gemoet.”

“Wie is die andere?”

“Zoo’n rare heer! Hij doet altijd zoo met de armen.” En Tanja bootste
Walawassow’s gesticulaties na.

“Is hij oud of jong?” vroeg Lewin lachend. “Als het maar geen onaangenaam mensch is!” dacht hij, maar herkende spoedig bij de eerste bocht van den weg Katawassow met zijn stroohoed op. Hij sloeg juist zoo met de armen als Tanja voorgesteld had.

Lewin groette zijn broeder on Katawassow hartelijk en vroeg Dolly naar zijn vrouw.

“Zij is met Mitja het bosch ingegaan. Zij wilde hem daar laten slapen, omdat het in huis te warm is.”

Lewin had zijn vrouw steeds gewaarschuwd het kind niet het bosch in te dragen, omdat hij het daar niet zonder gevaar achtte, en derhalve was dit bericht hem onaangenaam.

“Zij sleept hem van de eene plaats naar de andere,” zeide de vorst lachende. “Ik heb haar aangeraden, hem in den kelder te brengen.”

“Ziet u, Darja Alexandrowna,” zeide Kosnischew en wees met zijn zonnescherm naar eenige witte wolken, die boven de esscheboom opkwamen: “Wij krijgen spoedig regen.”

Lewin was op Katawassow toegetreden.

“Daar doet u wél aan, dat ge eens gekomen zijt.”

“Het was al lang mijn voornemen. Nu zullen we alles ordelijk bespreken en naar behooren met elkander strijden! Heeft u Spencer doorgelezen?”

“Neen, nog niet geheel,” zeide Lewin. “Overigens heb ik hem nu niet meer noodig.”

“Hoe zoo? Dat is merkwaardig. Waarom niet meer?”

“Dat beteekent, dat ik mij ten slotte overtuigd heb, dat ik bij hem en zijns gelijken de oplossing der vragen, die mij bezig houden, niet zal vinden. Nu…. Maar later meer daarover. Hier gaat de weg naar mijn bijenkorven. Doet u het genoegen, dan gaan wij daarheen,” wendde hij zich tot allen.

Nadat zij een smal voetpad door eene weide waren overgegaan, liet Lewin zijn gasten in de schaduw van een populier op een bank van ruwe houtklossen, die hij zelf hier opgericht had voor bezoekers, die bang waren voor de bijen. Hij zelf ging binnen de afschutting en haalde voor de groote zoowel als voor de kleinen brood, agurken en verschen honig.

“Weet je, Kostja, wien Sergej Iwanowitsch op reis ontmoet heeft?” vroeg Dolly, terwijl zij de agurken en den honig onder de kinderen verdeelde. “Wronsky. Hij gaat naar Servië.”

“En dat niet alleen; hij voert een geheel escadron voor zijn rekening mede,” voegde Katawassow er bij.

“Dat is juist iets voor hem,” zeide Lewin. “Gaan er nog altijd vrijwilligers heen?”

“Nog, vraagt u!” antwoordde Kattawassow, terwijl hij smakelijk in een agurkje beet. “U hadt eens moeten zien hoe het gisteren aan het station toeging.”

“Maar hoe moet ik dat begrijpen? Verklaar mij dat toch eens, Sergej Iwanowitsch! Waar trekken al deze vrijwilligers heen? Tegen wie moeten zij vechten?” vroeg de oude vorst met het voornemen het reeds vóór de komst van Lewin begonnen gesprek voort te zetten. “Wie heeft eigenlijk de Turken den oorlog verklaard? Iwan Iwanowitsch Ragasow of gravin Lydia Iwanowna met madame Stahl?”

“Niemand heeft den oorlog verklaard, maar zij nemen slechts deel in het lijden hunner medemenschen en wenschen hen te helpen,” antwoordde Sergej Iwanowitsch.

“Niet van hun deelneming spreekt de vorst,” zeide Lewin het voor zijn schoonvader opnemend, maar van den oorlog. Hij beweert slechts, dat bizondere personen niet zonder toestemming der regeering aan een oorlog moesten deelnemen.”

“Nu? Hoe is dan uw eigen gevoelen?” vroeg Katawassow lachend, blijkbaar om Lewin tot een strijd uit te lokken. “Waarom zouden privaatpersonen daartoe geen recht hebben.”

“Mijns inziens is de oorlog zulk een ruwe, wreede en afschuwelijke zaak, dat geen mensch, het minst een Christen, persoonlijk de verantwoordelijkheid van het begin van zoo iets verschrikkelijks mag op zich nemen; dat mag slechts de regeering, die daartoe geroepen is, als zij onvermijdelijk tot een oorlog wordt gedwongen.”

Kosnischew en Katawassow waren dadelijk tot tegenspraak gereed.

“Er kunnen zich,” beweerde Katawassow, “gevallen voordoen, dat de regeering geen acht slaat op den wil der bevolking, en dan doet de stem der openbare meening haar wil kennen.”

Maar Sergej Iwanowitsch was hiermede niet tevreden; hij fronste het voorhoofd en zeide:

“Je had de vraag anders moeten stellen. Hier doet zich, zonder dat er een oorlogsverklaring bestaat, eenvoudig het rein menschelijke of laat ons zeggen Christelijk gevoel gelden. Men vermoordt onze broeders, die met ons van een bloed en een geloof zijn, of, nemen wij aan, ’t zijn niet onze broeders en geloofsgenooten, maar eenvoudig kinderen, vrouwen en grijsaards. Nu komt ons gevoel daartegen in opstand en wij Russen snellen toe om aan deze gruwelen een eind te maken. Stel je voor: Je gaat over de straat en ziet hoe een dronken man een vrouw of een kind mishandelt. Zou je dan vragen, of je met dien mensch in oorlog zijt of niet? Ik denk dat je hem zoudt aangrijpen en de mishandelden in bescherming nemen.”

“Maar ik zou hem niet dooden,” bracht Lewin er tegen in.

“Ja wel, je zoudt hem onder zekere omstandigheden ook dooden.”

“Dat weet ik niet. Ik zou mijn oogenblikkelijke impulsie volgen; maar op welke wijze kan ik niet vooruit zeggen. Doch zulk een oogenblikkelijke impulsie wegens onderdrukking der Slaven is niet aanwezig en kan er ook niet zijn. Mogelijk is ze bij jou aanwezig, maar bij alle anderen….”

“Is ze ook aanwezig,” viel Kosnischew hem met ontevreden en donkeren blik in de rede. “Bij het volk is de oude traditie van de rechtgeloovigen, die zuchten onder het juk der Halve Maan. levendig bewaard, en nu staat het op en laat zijn stem hooren.”

“Dat kan zijn,” zeide Lewin ontwijkend, “maar, hoewel ik toch ook tot het volk behoor, gevoel ik niets dergelijks.”

“Mij gaat het ook zoo,” verzekerde de oude vorst. “Ik ben in het buitenland geweest, heb de dagbladen gelezen en moet bekennen, dat ik, in weerwil van alle Bulgaarsche gruwelen, niet kon begrijpen, waarom eigenlijk alle Russen plotseling hun Slavische broeders zoo lief hebben gekregen, terwijl ik geen liefde voor hen gevoelde. Dat maakte mij erg bedroefd en ik dacht reeds, dat ik een misgeboorte was of dat de Karlsbader kuur zoo slecht op mij werkte. Toen ik echter terugkwam, bevond ik, dat er buiten mij ook nog andere menschen waren, die zich wel voor Rusland, maar niet voor de Slavische broeders interesseeren, en hiertoe behoort ook onze Constantijn.”

“Persoonlijke meeningen hebben hierbij volstrekt geen beteekenis,” antwoordde Sergej Iwanowitsch. “De persoonlijke inzichten gaan ons volstrekt niet aan, als Oudrusland, het geheele volk, zijn wil openbaart.”

“Ja, maar neem mij niet kwalijk, het volk weet daar niets van!” zeide de vorst.

“Zou het niet, papa? Maar Zondag in de kerk dan?” vroeg Dolly, die naar het gesprek had geluisterd.

“Wat was er Zondag in de kerk? Het was den priester bevolen iets voor te lezen en hij las het ook. Maar zij begrepen er niets van, zuchtten nu en dan, zooals bij elke preek, en dan zeide men hen, dat er in de kerk voor een heilige zaak zou gecollecteerd worden; daarvoor zouden zij een kopeke geven en dit deden zij ook. Maar waarvoor? Dat wisten zij zelf niet.”

“Het volk weet het wel. Het bewustzijn zijner historische bestemming blijft onder het volk steeds levendig en in oogenblikken als het tegenwoordige komt het op dat punt tot klaarheid en geeft er getuigenis van,” zeide Sergej Iwanowitsch en vestigde met overtuiging zijn blik op Michaël, den bijenwachter, die met een schotel in de hand in hun midden stond en lachend de kinderen aanzag. De schoone oude man met zijn zwart en wit gemengden baard en zilverwit haar begreep blijkbaar niets van al wat er gesproken werd en bekommerde zich er ook niet om.

“Ja, ja, dat is zoo,” antwoordde hij op een vraag van Kosnischew en knikte met het hoofd.

“Ja. ondervraagt hem maar,” zeide Lewin. “Hij weet en denkt volstrekt niets.” “Jij hebt toch ook van den oorlog gehoord Michaëlitsch,” wendde hij zich tot den oude. “Men heeft je daarover in de kerk voorgelezen. Wat dunkt je? Moeten wij voor de Slaven vechten?”

“Wat zouden we ons daarover het hoofd breken. Alexander Nicolajewitsch de Czaar heeft voor ons gedacht en zal in alle dingen verder voor ons denken. Hij weet wat het best is. Wil ik nog wat brood halen? Die jongen,” – wijzende op Grischa, die op een broodkorst beet, “zal nog wel wat lusten.”

“Ik behoef niet te vragen,” zeide Sergej Iwanowitsch. “Wij hebben honderden menschen gezien, die van alle zijden van Rusland toestroomen en openlijk en nadrukkelijk hun voornemens en hun doel te kennen geven. Zij brengen of hun paar kopeken of zich zelf en verklaren rechtuit waarvoor. Wat beteekent dat dan?”

“Naar mijn inzien,” antwoordde Lewin, “beteekent dit, dat bij een volk van tachtig millioen zich altijd niet slechts eenige honderden, als nu, maar wel tienduizenden bevinden zullen, wien een goede maatschappelijke positie ontbreekt, lieden, die in verval gekomen of te gronde gericht zijn en nu tot alles zijn bereid, onverschillig of zij onder de rooverbende van een Pugatschew of naar Chiwa of Servië

“Ik spreek niet van ondergegane personen, maar van de beste en edelste vertegenwoordigers van het volk,” zeide Kosnischew met een opgewondenheid als moest hij zijn laatste have redden. “En al deze offergaven?! Hierin spreekt de wil des volks zich uit.”

“Het woord volk is een zeer onbestemde uitdrukking,” zeide Lewin: “De schrijvers, de leeraars en een enkele onder duizend boeren weten wellicht iets van de zaak. Maar de overigen der tachtig millioen, zooals hier onze Michaëlitsch, geven hun wil niet slechts niet te kennen, maar zij hebben er geen besef van, waaromtrent zij dien zouden moeten te kennen geven. Met welk recht kunnen wij dan van een volkswil spreken?”

Kosnischew, die in de dialectiek wel geoefend was, trachtte nu aan het gesprek een andere richting te geven:

“Ja, als je op een bloot arithmetischen weg den volksgeest wilt ontdekken, zal het wel bezwaarlijk gaan. Een plebiscit is bij ons nog niet ingevoerd en zal zich ook niet laten invoeren; en ook daardoor zou de volkswil geen zuivere uitdrukking verkrijgen. Maar er zijn nog andere wegen. Dat zit in de lucht, dat gevoelt men met het hart. Ik spreek nog niet van de diepere stroomingen, die zich in de stilstaande zee onzes volks bewegen en die ieder niet vooringenomen mensch zal bespeuren, maar ik zie slechts op onze maatschappij in meer beperkten zin des woords. De meest verschillende partijschappen der intelligente wereld, die tot hiertoe vijandig tegenover elkander stonden, zijn nu vereenigd; alle openbare organen zijn ééne stem, alle worden door de machtige beweging beheerscht, die ze alle naar één doel voortsleept.”

“Ja, alle dagbladen zeggen hetzelfde,” antwoordde de vorst, “dat is waar. Zij stemmen met elkander overeen als de kikvorschen voor het onweer.”

“Kikvorschen of niet. – Ik redigeer geen dagblad en wil mij ook niet tot hun advocaat opwerpen; maar ik spreek van overeenstemming in gevoelen in de geheele intelligente maatschappij,” zeide Kosnischew tot zijn broeder gewend.

Lewin wilde antwoorden, maar de vorst kwam hem voor.

“Nu van zulk een overeenstemming laat zich nog heel wat zeggen; zoo b.v. mijn schoonzoontje Stipan Arkadiewitsch, u kent hem toch, die verkrijgt nu een plaats als lid van de eene of andere commissie en nog zoo iets, – ik herinner mij niet juist meer – maar te doen heeft hij niets – wat is het, Dolly? Dat is immers geen geheim – maar hij bekomt achtduizend roebel tractement. Vraag hem nu eens, of zijn dienstwerk nuttig is, dan zal hij u haarfijn bewijzen, dat het onmisbaar is. En toch is hij een waarheidlievend mensch, maar men kan ook met achtduizend roebel geen andere overtuiging hebben. Zoo is het ook gelegen met de overtuiging en oprechtheid der dagbladen. Men heeft het mij zoo uitgelegd. Wordt het oorlog, dan hebben zij dubbele ontvangsten. Hoe zou het dan mogelijk zijn, dat zij zich niet voor het lot der volken, der Slaven en dergelijken, interesseeren?”

“Ik dweep ook niet met dagbladen, maar die bewering is onrechtmatig,” zeide Sergej Iwanowitsch.

“Slechts onder eene voorwaarde,” ging de vorst voort.

“Alphonse Karr heeft het zeer juist van den oorlog met Pruisen gezegd: Zij houden den oorlog voor een noodzakelijk kwaad. – Heel mooi! Maar dan moesten zij, die den oorlog prediken, ook altijd bij elke bestorming, bij elke attaque, voor alle anderen in de eerste rij staan!”

“Een mooi postje voor de redacteurs!” zeide Katawassow luid lachend, terwijl hij zich in zijn verbeelding voorstelde met eenige hem bekende redacteurs bij het eerste treffen in het voorste gelid te staan.

“Zij zouden,” meende Dolly, “dadelijk op den loop gaan en de anderen maar in den weg staan.”

“O, als zij willen wegloopen, zal men kartetsen en kozakken met knoeten achter hen plaatsen,” zeide de vorst.

“Dat is een raillerie en, neem mij niet kwalijk, een ongepaste raillerie,” antwoordde Sergej Iwanowitsch.

“Ik zie niet in, waarom dat een raillerie zou zijn,” begon Lewin, maar Sergej Iwanowitsch viel hem in de rede:

“Ieder lid der maatschappij heeft zijn eigen beroep; de mannen van de pen doen hun werk en volbrengen hun plicht daardoor, dat zij uitdrukking geven aan de openbare meening. Voor twintig jaren zouden wij gezwegen hebben, maar nu hoort men de stem van het Russisch volk, dat bereid is als één man op te staan en zich voor zijn onderdrukte broeders op te offeren. Dat is eene groote vooruitgang en een teeken van kracht.”

“O, niet om zich op te offeren, maar om de Turken te verdelgen,” zeide Lewin schuchter. “Tot offeren is het volk bereid, maar slechts om te offeren voor zijn zieleheil.”

“Wat is dat, voor zijn zieleheil? Dat is voor een natuuronderzoeker een moeielijk te begrijpen zaak. Wat is dat dan, het zieleheil?” vroeg Katawassow lachend.

“Weet u dat niet?”

“Ik heb er waarachtig niet het minst begrip van,” verzekerde Katawassow luider lachend.

“Ik ben niet gekomen om den vrede te brengen, maar het zwaard, zegt Christus,” antwoordde Sergej Iwanowitsch, terwijl hij het, om Lewin te verslaan, voor het eenvoudigst hield een plaats uit de evangeliën aan te halen.

“Daar heeft u gelijk in,” antwoordde de vorst op den op hem gerichten blik.

“Ja vadertje! u is geslagen, volkomen geslagen!” riep Katawassow vroolijk uit.

Lewin bloosde van ergernis, niet omdat hij zich overwonnen gevoelde, maar omdat hij zich niet had kunnen onthouden met hen te streden.

“Neen, met hen is niet te strijden,” dacht hij. “Zij steken in een ondoordringbaar pantser en ik sta tegenover hen geheel onbedekt.”

Hij zweeg derhalve en leidde de opmerkzaamheid zijner gasten, op de wolken, die zich meer en meer saamgetrokken hadden, en vroeg, of het niet beter was nog voor den regen naar huis te gaan.

XXXV.

De vorst en Sergej Iwanowitsch namen plaats in de telega en reden, het overige gezelschap ging te voet naar huis.

Toen zij nog een paar honderd schreden er van verwijderd waren, stak de wind al op en ieder oogenblik kon men het nederstroomen van den regen verwachten.

De kinderen liepen met een geschreeuw van schrik vermengd met gelach vooruit. Dolly werd belemmerd door haar japon, die om de beenen samensloeg, terwijl zij niet ging, maar liep, zonder de oogen van de kinderen af te wenden. De heeren hielden hunne hoeden vast en ijlden met groote schreden voort. Zij bereikten juist de buitentrap toen de eerste groote druppels vielen.

“Waar is Catharina Alexandrowna?” was Lewins eerste vraag aan Agasija
Michailowna, die hen in de vestibule met doeken en plaids tegenkwam.

“Wij dachten dat zij bij u was.”

“En Mitja?”

“Waarschijnlijk in het bosch met zijn bonne.”

Lewin nam de plaids en snelde naar het bosch.

In het korte tijdsverloop was de hemel reeds verduisterd als bij een eclips, en de wind blies en huilde met geweld, deed de takken schudden en de bladeren rondvliegen, terwijl veld en bosch waren verscholen achter een gordijn van regen.

Met gebogen, hoofd tegen den wind kampend, naderde Lewin met de doeken op den arm het bosch, waar hij achter een eik iets wits zag schemeren, toen plotseling alles voor hem opvlamde, de aarde dreunde en de hemel boven zijn hoofd scheen te barsten. Toen hij de oogen, die een oogenblik verblind waren, weer opsloeg, zag Lewin mot ontzetting door het regengordijn henen, dat de top van den hem zoo goed bekenden eik geheel van gedaante was veranderd.

“De bliksem heeft hem getroffen!” had hij nauwelijks tijd te denken, toen de kruin van den eik lager daalde on hij het kraken en splinteren vernam van een boom, die op andere boomen nedervalt.

“Mijn God! mijn God! laat zij slechts niet getroffen zijn!” riep hij, koud van schrik, terwijl de bliksem op nieuw alles in vuur zette, en hoewel het hem dadelijk inviel, hoe dwaas dat gebed was, herhaalde hij het toch onwillekeurig.

Toen hij de plek bereikte, waar zij zich gewoonlijk ophielden, vond hij ze niet.

Zij bevonden zich aan het ander eind van het bosch onder een oude linde en riepen hem aan. Twee gestalten in donkere kleeding stonden over iets gebogen. Het waren Kitty en de bonne. De regen had opgehouden en het werd helder. Beiden stonden gebukt over de kinderwagen met de groene kap.

“Gij leeft? Gij zijt ongedeerd? Goddank!” riep hij uit en naderde haar.

Kitty’s rooskleurig en vochtig gelaat was naar hem toegekeerd en lachte hem onder den verbogen hoed verlegen toe.

“Hoe kun je zoo lichtzinnig zijn? Ik begrijp niet, hoe men zoo roekeloos kan wezen,” voegde hij haar geërgerd toe.

“Ik heb werkelijk geen schuld. Wij wilden al naar huis gaan, maar toen werd hij onrustig….”

“Nu, Goddank, je bent behouden en wel!”

Mitja was geheel droog en gezond gebleven en sliep onafgebroken door. Men pakte de doornatte doeken bijeen; de bonne nam het kind uit den wagen en droeg het op den arm. Lewin ging naast zijn vrouw, hij gevoelde zich schuldig wegens zijn verstoordheid en drukte haar ongemerkt de hand.

Na den regen was het te nat om te wandelen, ook rezen steeds nieuwe onweerswolken aan den horizon op.

Er werd niet meer gestreden en allen waren het overige van den dag in de beste luim.

Katawassow maakte telkens de dames door zijn origineele grappen aan het lachen. Ook Sergej Iwanowitsch was zeer opgeruimd; hij opende zijn broeder een blik in de toekomst van het Oostersch vraagstuk en wel zoo eenvoudig en helder, dat allen hem met opmerkzaamheid volgden.

Slechts Kitty kon hem niet ten einde toe aanhooren; zij werd geroepen om Mitja zijn bad te geven.

Eenige minuten daarna werd ook Lewin in de kinderkamer geroepen.

Wat zou men van hem willen? Men riep hem nooit bij het kind dan in dringende gevallen. Maar zijn ongerustheid zoowel als de belangstelling in de theorieën van zijn broeder verdwenen zoodra hij zich een oogenblik alleen bevond, en zijn gevoel van innerlijk geluk en vrede, dat hem ’s morgens vervuld had, keerde nu weder. De stem des gemoeds was bij hem sterker geworden dan die van het ontledend verstand. Hij ging het terras over en zag twee sterren schitteren aan den hemel.

“Ja,” zeide hij naar den hemel ziende, “ik herinner mij gedacht te hebben, dat er een waarheid kon liggen in de zinsbegoocheling van dat gewelf, dat ik dikwijls beschouwde; maar welk was het onvoltooid gebleven begrip in mijn verstand? …” En terwijl hij de kinderkamer binnenging, herinnerde hij het zich.

“Waarom, indien het sterkst bewijs van Gods bestaan is gelegen in de innerlijke openbaring van goed en kwaad, die hij een iegelijk onzer mededeelt – waarom zou deze openbaring beperkt zijn tot de Christelijke Kerk? En deze millioenen Buddhisten, Muzelmannen, die eveneens het goede zoeken? …” Het antwoord op deze vraag moest bestaan, maar hij kon het voor hij binnentrad niet uiteenzetten.

Kitty stond met opgestroopte mouwen over de badkuip gebogen, terwijl zij met de eene hand het hoofdje van het kind vasthield en het met de andere afsponste. Zij keek om toen zij haar man hoorde naderen. “Kom gauw! Agasija Michailowna had toch gelijk, hij kent ons.”

De ontdekking was gewichtig. Om er zich volkomen van te overtuigen, onderwierp men Mitja aan verschillende proeven; men riep de keukenmeid, die hij zelden gezien had, en zij moest zich over het kind bukken. De uitslag was beslissend. Hij keerde het gezichtje van haar af, en toen Kitty zich over hem boog, begon hij te lachen, drukte met de kleine handjes in de spons en maakte met de lipjes zulk een tevreden en eigenaardig geluid, dat niet slechts Kitty en de bonne, maar ook Lewin zelf er door verrast en opgetogen was.

Het kind werd uit de badkuip genomen, met water begoten, in een laken gehuld, afgedroogd en na een doordringenden schreeuw op zijn moeders schoot gelegd.

“Nu, ik ben blij te zien, dat je hem ook begint lief te hebben,” zeide Kitty tot Lewin, nadat zij zich met het kind aan de borst op haar gewone plaats had nedergezet. “Ik ben er heel blij om; want ik was zeer bedroefd, omdat je gezegd had niets voor hem te gevoelen.”

“Neen, dat heb ik niet gezegd. Ik heb alleen gezegd, dat ik mij teleurgesteld gevoelde.”

“Hoe dan, teleurgesteld?”

“Nu, juist niet teleurgesteld, maar slechts beantwoordde de werkelijkheid niet aan mijn verwachting. Ik had gedacht, dat ik een verrassend, geheel nieuw gevoel zou ontwaren, en in de plaats beving mij slechts … een soort van onbehagen, medelijden en angst, die hij mij inboezemde.”

Zij hoorde opmerkzaam toe, terwijl zij de ringen, die zij gedurende het baden had afgelegd, weer aan haar slanke vingers stak.

“Ik meen hoofdzakelijk daarom, dat meer medeleden en angst dan genoegen met mijn gevoel waren verbonden. Maar vandaag, na mijn angst gedurende het onweer, heb ik leeren beseffen, hoe dierbaar hij mij is.”

Kitty’s gelaat helderde op.

“Je bent dus zeer geschrokken?” zeide zij. “Ik ook, maar nu, nu alles voorbij is, nu komt mij het gebeurde nog veel verschrikkelijker voor, dan in het oogenblik van gevaar. Ik wil morgen toch den eik nog eens zien! En hoe grappig is Katawassow. Buiten het gebeurde was het een zeer genoeglijke dag. En ook tegen Sergej waart ge zoo aardig en net…. Ga nu weer naar je gasten. Het is hier na het bad altijd wat drukkend en dompig. Ik ben blijde je in zoo’n goede verhouding met je broer te zien.”

XXXVI.

Toen Lewin zijn vrouw had verlaten, hernam hij den loop zijner gedachten en, in plaats van in het salon terug te keeren, waaruit de stemmen tot hem doordrongen, bleef hij nog op de ballustrade van het terras leunen.

Het was reeds geheel donker. In het zuiden, waarheen hij zijn blik gericht had, hingen geen wolken; deze waren naar het noorden getrokken. Daar lichtte nog somwijlen een bliksemstraal en werd het verwijderd geluid van den donder gehoord. Lewin luisterde naar het geluid der regendruppen, die van den linden vielen, en staarde naar de hem bekende Cassiopea en den melkweg, die dit sterrebeeld met zijn vertakkingen doorkruiste. Bij ieder lichten van den bliksem verdwenen de sterren, maar verschenen kort daarna weer op dezelfde plaats, alsof een zeker treffende hand ze daarheen geslingerd had.

“Welke bekommering brengt mij in verwarring?” vroeg hij zich zelf, terwijl hij gevoelde, dat de twijfel zich in zijn ziel steeds meer begon op te lossen.

“Ja, de eenige ontwijfelbare openbaring van Gods bestaan zijn de wetten van het goede en het booze; die wetten, die ik erken in het diepst van mijn ziel en die mij vereenigen met allen, die ze erkennen gelijk ik; en deze vereeniging van menschelijke wezens, die het zelfde geloof in de hoofdzaken verbindt, noemt men de Christelijke kerk. En de Israëlieten, de Muzelmannen, de Buddhisten?” dacht hij, terugkomende op een vraagstuk, dat hem kritiek toescheen. “Deze millioenen menschen, zouden zij verstoken zijn van de grootste der weldaden, die alleen aan het leven waarde en beteekenis geeft?” Hij peinsde. “Maar de vraag, die ik mij stel, is die van de verbinding der verschillende godsdiensten met de Godheid? Is het niet de openbaring van God aan het heelal met zijn nevelsterren en planeten, die ik tracht te doorgronden? Is het goed, hardnekkig de koude logica te doen optreden op een oogenblik, dat mij een zekere overtuiging is geschonken, die ontoegankelijk is voor de rede? De slotsommen der sterrekundigen zouden valsch en onnauwkeurig zijn geweest, indien zij niet gegrond geweest waren op één meridiaan, op één horizon, en evenzoo zouden mijn overtuigingen geen redelijken zin hebben, indien ze niet waren verbonden met de openbaring, die mij het Christendom heeft geschonken, en die ik altijd kan toetsen aan de stemmen in mijn binnenste. De betrekkingen der andere godsdiensten met de Godheid zullen altijd voor mij ondoorgrondelijk blijven en ik heb het recht niet ze na te vorschen.”

“Ben je nog altijd hier?” vroeg plotseling Kitty’s stem. Zij had denzelfden weg naar het salon als hij gekozen. “Er is toch niets dat je hindert?” En zij zag hem bij het sterrelicht opmerkzaam in het gelaat.

Maar zij zou de uitdrukking er van niet hebben kunnen onderscheiden, als niet een nogmaals nawerkend weerlichten haar was te hulp gekomen. Toen zij eene kalme blijmoedigheid in zijn trekken las, lachte zij hem toe.

“Zij begrijpt mij,” dacht hij; “zij weet waaraan ik denk. Moet ik het haar zeggen? Ja. ik zeg het haar.”

Maar juist toen hij wilde beginnen te spreken, zeide zij: “Hoor, Kostja, doe me het genoegen en ga eens naar de hoekkamer en kijk eens, of alles voor Sergej behoorlijk in orde is gebracht. Ik kan er zelf niet wel heengaan. Zie ook eens, of men er de nieuwe waschtafel in gebracht heeft.”

“Best, ik ga er heen,” zeide hij en kuste haar.

“Neen, ik moet het haar niet zeggen,” dacht hij, toen zij heenging om in het salon terug te keeren. “Het is een geheim, dat slechts mij zelf van nabij betreft, en mijn woorden zouden het haar niet kunnen doen begrijpen. Het is een nieuw gevoel, dat mij niet plotseling veranderd, doorgloeid en in verrukking gebracht heeft zooals ik verwacht had, evenmin als vroeger mijn vaderlijke liefde voor Mitja; ook deze kwam niet plotseling en verrassend. Dit gevoel. – ik kan het geen anderen naam dan het geloof geven, is onder droefheid en smart onmerkbaar in mijn ziel gedrongen en heeft zich daar ingeplant.”

“Even als vroeger zal ik waarschijnlijk voortgaan mij te ergeren over Iwan den koetsier, evenzoo zal ik polemiseeren en mijn denkbeelden onjuist uitdrukken; evenals vroeger zal een muur het allerheiligste mijns harten afsluiten voor anderen, zelfs voor mijn vrouw die ik evenals vroeger verantwoordelijk zal maken voor mijne dwalingen, om er daarna weer berouw over te hebben, en evenzoo als tot hiertoe zal ik met mijn verstand niet begrepen waarom ik bid, en ik zal toch bidden – : maar mijn innerlijk leven heeft zijn vrijheid veroverd; het zal niet meer de speelbal zijn der omstandigheden, en mijn geheele leven, elke minuut van mijn bestaan heeft onbetwistbare en diepe beteekenis, die het in mijn macht staat in elk mijner handelingen te leggen: die van het goede.”

 

 

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *