Maandag, 20/04/2026 - 00:49

Geloof, wet.

Nog eenige woorden.

Wij laken de kerk, wanneer zij van kuiperijen vervuld is; wij verachten het geestelijke, dat op het wereldlijke aast; maar alom eeren wij den denkenden mensch.[230]

Wij buigen ons voor ieder die knielt.

Een geloof is voor den mensch noodzakelijk. Wee hem die niets gelooft!

Men is niet werkeloos als men zich in zijn gedachten verdiept. Er is een zichtbare en een onzichtbare arbeid.

Beschouwen is ploegen; denken is handelen. De over elkander geslagen armen, de saamgevouwen handen doen iets. Ook de ten hemel gerichte blik is een werk.

Thales bleef vier jaren onbewegelijk. Hij vestigde de wijsbegeerte.

Voor ons zijn de kloosterlingen geen lediggangers, en de eenzamen geen luiaards.

Over de duisternis te denken is iets zeer ernstigs.

Zonder iets van ’t geen wij gezegd hebben terug te nemen, gelooven wij, dat het den levenden betaamt gestadig aan het graf te denken. Hieromtrent zijn priester en wijsgeer het eens. „Men moet sterven.” De abt van la Trappe is eenstemmig met Horatius.

Iets van het graf in zijn leven te mengen is de wet van den wijze; ’t is de wet van den asceet. Beiden ontmoeten elkander hierin.

Er is stoffelijke wasdom; dezen willen wij. Er is ook zedelijke grootheid; haar vereeren wij.

Onbedachtzame en oppervlakkige geesten vragen:

„Waartoe deze beweginglooze figuren naast het geheimzinnige? Waartoe dienen zij? Wat doen zij?”

Helaas, in de duisternis die ons omgeeft en ons wacht, niet wetende wat de onmetelijke verspreiding van ons maken zal, antwoorden wij: „Er is misschien niets verhevener dan ’t geen deze zielen doen.” En wij voegen er bij: „Er is misschien niets nuttiger.”

Zij die altijd bidden, bidden mede voor hen, die nooit bidden.

Voor ons komt alles op de gedachten aan, die zich aan het gebed paren.

’t Is grootsch als Leibnitz bidt; ’t is schoon als Voltaire aanbidt. Deo exerit Voltaire.

Wij zijn vóór den godsdienst, tegen de godsdiensten.

Wij behooren tot hen die aan de armzaligheid der formuliergebeden, en aan de verhevenheid van het gebed gelooven.

In de tegenwoordige minuut, overigens, die gelukkig aan de negentiende eeuw haar gestalte niet zal achterlaten; in dit uur, nu zoo velen het hoofd laag en de ziel niet hoog hebben; onder zoovelen wier zedenleer genieten heet, en die zich slechts met het kortstondige, wanstaltige, stoffelijke bezighouden,—schijnt ons ieder eerwaardig, die zich zelven verbant. [231]Dit klooster is een verloochening. Het offer, het moge verkeerd gebracht zijn, is evenwel een offer. ’t Is grootsch, een strenge dwaling als plicht te beschouwen.

Op zich zelf en als ideaal beschouwd, en om de waarheid door een onpartijdig onderzoek van al de zienswijzen te ontdekken, heeft het klooster—bovenal het vrouwenklooster—want in onze maatschappij lijdt de vrouw het meest, en in de ballingschap des kloosters ligt een protest—onbetwistbaar iets majestueus.

Dit zoo streng en treurig kloosterlijk leven, waarvan wij eenige trekken hebben geschetst, is geen leven, want ’t is geen vrijheid; ’t is geen graf, want ’t is niet de voleindiging des levens; ’t is het zonderling oord, waar men, als van den top eens hoogen bergs, aan den eenen kant de diepte ziet waar wij zijn, aan den anderen kant de diepte waar wij komen zullen; ’t is een enge, nevelachtige grens, die twee werelden scheidt, en te gelijker tijd door beide verlicht en verduisterd wordt; waar de verflauwde straal des levens met de schemerende straal des doods samensmelt; ’t is de flikkering van het graf.

Wij, die niet gelooven wat deze vrouwen gelooven, doch evenals zij in het geloof leven, nooit hebben wij, zonder een soort van godsdienstige, teedere huivering, zonder een soort van bewonderend medelijden, deze nederige en verheven zielen aanschouwd, welke zelfs op den rand dezer geheimenis durven leven, wachtende tusschen de wereld, die gesloten, en den hemel, die niet geopend is, gekeerd naar het licht, dat men niet ziet, slechts gelukkig in de meening te weten waar het is, naar den afgrond en het onbekende strevende, met het oog op de strakke duisternis gericht, geknield, bewogen, verstommend, bevend en in sommige oogenblikken door de diepe ademtocht der eeuwigheid opgeheven.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *