Maandag, 20/04/2026 - 00:49

Wat de wijze van bidden betreft; iedere wijze is goed, zoo zij slechts oprecht zij. Men draaie het boek om, en is toch in het oneindige.

Er is een wijsbegeerte, wij weten het, die het oneindige loochent. Er is ook een ziekelijke filosofie, die de zon loochent; deze filosofie heet blindheid.

Van een zintuig, dat ons ontbreekt, de bron der waarheid te maken, is als de overtuiging van den blinde. Merkwaardig is die hoogmoedige, aanmatigende, en medelijdende houding, welke deze in ’t blinde tastende filosofie tegenover de wijsbegeerte aanneemt, die God ziet. Men meent een mol te hooren roepen: Hoe kunnen zij zoo dwaas zijn, aan een zon te gelooven?

Er zijn, wij erkennen het, beroemde, geleerde Atheïsten. Maar deze, die hun eigen macht alleen tot de waarheid voert, zijn in den grond zelf niet zeker of zij wel Atheïsten zijn; ’t is voor hen niet veel meer dan een punt van definitie; in allen gevalle, gelooven zij niet aan God, als groote geesten bewijzen zij het bestaan van God.

Hen begroeten wij als wijsgeeren, hoewel wij onverbiddelijk hun filosofie veroordeelen.

Verder:

’t Is verwonderlijk hoe gemakkelijk men zich met woorden kan tevreden stellen. Een noordsche, bovennatuurkundige, min of meer nevelachtige school, heeft gemeend in het menschelijk verstand een omwenteling te bewerken, door voor het woord „kracht” het woord „wil” te stellen.

Te zeggen: de plant wil; in plaats van: de plant groeit; ’t zou inderdaad vrucht dragen, zoo men er bij voegde: de wereld wil. Waarom? wijl er dit uit zou volgen: de plant wil, zij heeft dus een ik; de wereld wil, zij heeft dus een God.

Voor ons evenwel, die in tegenoverstelling met deze school, niets à priori verwerpen, schijnt een wil in de plant, door deze school geleerd, moeielijker aan te nemen, dan een wil in de wereld, dien zij loochent.

Den wil van het oneindige, dat is van God, te loochenen, kan niet geschieden zonder het oneindige te loochenen. Wij hebben het bewezen.

De loochening van het oneindige voert regelrecht naar het „nihilisme.” Alles wordt „een begrip des geestes.”

Met het nihilisme is geen discussie mogelijk. Want de logische nihilist twijfelt dat zijn tegenpartij bestaat, en is zelfs niet eens zeker of hij zelf wel bestaat.

Uit zijn gezichtspunt is het mogelijk, dat hij voor zich zelven niets anders zij dan „een begrip van zijn geest.”

Intusschen ziet hij niet, dat hij al het door hem geloochende in zijn geheel toestaat, alleen door het woord „geest” te noemen. Kortom, een filosofie die alles op het woordje „neen” laat uitloopen, laat geen weg voor de gedachte open.

Voor neen, is slechts een antwoord: ja.

Het nihilisme heeft geen gevolg.

Er is geen niet. Nul bestaat niet. Alles is iets. Niets is niets.

De mensch leeft meer nog van overtuiging dan van brood.

’t Is niet voldoende te zien en te bewijzen. De wijsbegeerte moet kracht hebben, en de verbetering van den mensch haar doel en streven wezen. Socrates moet in Adam dringen en Marcus Aurelius voortbrengen; met andere woorden, uit den gelukkigen mensch den wijzen mensch tevoorschijn brengen; het Paradijs in een school veranderen. De wetenschap moet een versterking des harten zijn. Genieten! Welk een treurig doel en nietige eerzucht. Het dier geniet. Denken is de ware triumf der ziel. De gedachte naar den dorst der menschen te richten, aan allen de kennis Gods in te geven, onder hen het geweten en de wetenschap te verbroederen, hen door deze geheimzinnige verbroedering rechtvaardig te maken, ziedaar de taak der ware wijsbegeerte. De moraal is een ontluiking van waarheden. Beschouwing voert tot handelen. Het positieve moet practisch zijn. Het ideale moet voor den menschelijken geest adembaar, drinkbaar en eetbaar zijn. Het ideale heeft het recht te zeggen: „Neem, dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed.” De wijsheid is een heilige gemeenschap. Op deze voorwaarde houdt zij op, een dorre liefde voor de wetenschap te zijn, om de eenige, oppermachtige wijze der menschelijke verbroedering en van wijsbegeerte tot godsdienst bevorderd te worden.

De wijsbegeerte moet geen rustplaats zijn voor het geheimzinnige, om het op zijn gemak te kunnen beschouwen, zonder andere vrucht dan de nieuwsgierigheid te bevredigen.

Terwijl wij echter de ontwikkeling onzer gedachte tot een andere gelegenheid uitstellen, bepalen wij ons bij de opmerking, dat wij den mensch noch als uitgangspunt, noch den vooruitgang als doel begrijpen, zonder deze twee drijfveeren: gelooven en beminnen.

De vooruitgang is het doel, het ideaal is de type.

Wat is het ideaal? God!

Het ideaal, het volstrekte, het volmaakte, het oneindige; – zijn alle woorden van dezelfde beteekenis.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *