Boek VII. Parenthesis
Hoofdstuk I. Het klooster als abstracte idée
Dit boek is een drama, waarvan het oneindige de hoofdpersoon is. De tweede persoon is de mensch. Dit gesteld, en wijl een klooster op onzen weg lag, zijn wij er moeten binnengaan. Waarom? Wijl het klooster, zoowel eigen aan het Oosten als aan het Westen, aan den ouden als aan den nieuweren tijd,...
Hoofdstuk III. Op welke voorwaarden men het verleden kan eerbiedigen
Het kloosterwezen, zooals dat in Spanje bestond en in Thibet bestaat, is voor de beschaving een soort van tering. Het stremt het leven; het ontvolkt. Voor Europa is ’t een geesel geweest. Voeg daarbij het zoo dikwerf geweld aangedane geweten, de gedwongen roeping voor het klooster, het...
Hoofdstuk IV. Het klooster uit het gezichtspunt van beginselen
Menschen vereenigen zich en wonen gemeenschappelijk. Volgens welk recht? Volgens het recht van vereeniging. Zij sluiten zich op. Volgens welk recht? Volgens het recht dat ieder mensch heeft om zijn deur te sluiten of te openen. Zij gaan niet uit. Volgens welk recht? Volgens het recht van te gaan en...
Hoofdstuk V. Het gebed
Zij bidden. Tot wien? Tot God. Wat beteekent, tot God bidden? Bestaat een oneindige buiten ons? Is dat oneindige één, blijvend, eeuwig, noodzakelijk zelfstandig, wijl het oneindig is, en begrensd moest zijn, zoo het het stoffelijke miste; noodzakelijk intelligent, wijl het oneindig is, en het...
Hoofdstuk VI. Het volstrekt nut van het gebed
Wat de wijze van bidden betreft; iedere wijze is goed, zoo zij slechts oprecht zij. Men draaie het boek om, en is toch in het oneindige. Er is een wijsbegeerte, wij weten het, die het oneindige loochent. Er is ook een ziekelijke filosofie, die de zon loochent; deze filosofie heet blindheid. Van een...
Hoofdstuk VII. Voorzorgen tegen berisping
De geschiedenis en de wijsbegeerte hebben eeuwige plichten, die tevens eenvoudige plichten zijn; Cajaphas als bisschop, Draco als rechter, Trimalcion als wetgever, Tiberius als keizer te bestrijden, is klaar en duidelijk, zonder eenige duisternis. Maar het recht om afgezonderd te leven, zelfs met...
Hoofdstuk VIII. Geloof, wet
Geloof, wet. Nog eenige woorden. Wij laken de kerk, wanneer zij van kuiperijen vervuld is; wij verachten het geestelijke, dat op het wereldlijke aast; maar alom eeren wij den denkenden mensch.[230] Wij buigen ons voor ieder die knielt. Een geloof is voor den mensch noodzakelijk. Wee hem die niets...















