De geschiedenis en de wijsbegeerte hebben eeuwige plichten, die tevens eenvoudige plichten zijn; Cajaphas als bisschop, Draco als rechter, Trimalcion als wetgever, Tiberius als keizer te bestrijden, is klaar en duidelijk, zonder eenige duisternis. Maar het recht om afgezonderd te leven, zelfs met zijn bezwaren en misbruiken, wil bevestigd en vergund zijn.
Wanneer men van de kloosters spreekt, van deze plaatsen van dwaling of onnoozelheid, van verbijstering of goeden wil, van onwetendheid of zelfopoffering, van straf of martelaarschap, moet men schier altijd ja en neen, beide, zeggen.
Een klooster is een tegenstrijdigheid. Als doel, de zaligheid; als middel, de opoffering. Het klooster is de verhevenste zelfzucht, die tot de verhevenste zelfverloochening voert.
Afstand te doen om te heerschen, schijnt de leus van het kloosterwezen te zijn.
In het klooster lijdt men om te genieten. Men trekt een wissel op de eeuwigheid. Men disconteert voor aardsche duisternis hemelsch licht. In het klooster wordt bij voorbaat de hel aangenomen, om den hemel te erven.
Het nemen van den sluier of de pij is een zelfmoord, die met de eeuwigheid wordt beloond.
Wij meenen, dat bij zulk een onderwerp geen scherts te pas komt. Alles is er ernstig, zoowel het goede als het kwade.
De weldenkende fronst de wenkbrauwen, maar glimlacht niet boosaardig. Wij begrijpen den tegenstand, niet de kwaadwilligheid.
















