Zij bidden.
Tot wien?
Tot God.
Wat beteekent, tot God bidden?
Bestaat een oneindige buiten ons? Is dat oneindige één, blijvend, eeuwig, noodzakelijk zelfstandig, wijl het oneindig is, en begrensd moest zijn, zoo het het stoffelijke miste; noodzakelijk intelligent, wijl het oneindig is, en het eindigen zou zoo het de intelligentie miste. Wekt dit oneindige in ons het denkbeeld van uitvloeisel, terwijl wij ons zelven slechts het denkbeeld van bestaan kunnen toeschrijven? Met andere woorden, is het niet het volstrekte, waarvan wij het betrekkelijke zijn.
Is nu niet een oneindig in ons, evenals een oneindig buiten ons is? Plaatsen zich deze twee oneindigen (welk een ontzettend meervoud?) niet het een boven het ander. Is het tweede oneindige, om zoo te spreken, niet aan het eerste onderworpen? is het er de spiegel, de weerkaatsing, de echo niet van, een afgrond in een anderen afgrond? Is ook dat tweede oneindige intelligent? Denkt het, bemint het, heeft het een wil? Zoo de twee oneindigen intelligent zijn, heeft ook ieder hunner een wil, en in het oneindige boven is een „ik”, evenals in ’t oneindige beneden. Het ik beneden is de ziel; het ik boven is God.
Bidden is nu: door de gedachten het oneindige beneden met het oneindige boven in aanraking brengen.
Ontnemen wij den menschelijken geest niets; ontnemen deugt niet. Men moet hervormen en herscheppen. Sommige geestvermogens van den mensch zijn naar het onbekende gericht; de gedachte, de bespiegeling, het gebed. Het onbekende is een oceaan. Wat is het geweten? ’t Is het kompas in het onbekende. Gedachte, bespiegeling, gebed zijn geheimzinnige stralen. Eerbiedigen wij ze. Waarheen gaan deze verhevene stralen der ziel? naar het duister; of liever gezegd naar het licht.
De grootheid der democratie bestaat in niets van de menschheid te loochenen en niets te verloochenen. Naast het recht van den mensch, staat, ten minste even hoog, het recht der ziel.
De wet is het fanatisme te vernietigen, en het oneindige te vereeren. Bepalen wij er ons niet bij, voor den boom „schepping” te knielen en zijn groote gesternde takken te aanschouwen. ’t Is onze plicht aan de menschelijke ziel te arbeiden, het geheim tegen het wonder te beschermen, het onbegrijpelijke te aanbidden, het bespottelijke te verwerpen, slechts van het onverklaarbare het noodzakelijke toe te staan, het geloof te veredelen, den godsdienst van bijgeloovigheden te zuiveren; van God een helder begrip te vormen.[2
















