Maandag, 20/04/2026 - 00:51

Menschen vereenigen zich en wonen gemeenschappelijk. Volgens welk recht? Volgens het recht van vereeniging.

Zij sluiten zich op. Volgens welk recht? Volgens het recht dat ieder mensch heeft om zijn deur te sluiten of te openen.

Zij gaan niet uit. Volgens welk recht? Volgens het recht van te gaan en te zijn, naar verkiezing; ’t welk het recht van te huis te blijven insluit.

Te huis, wat doen zij dáár?

Zij spreken zacht; slaan de oogen neder; werken. Zij verzaken de wereld, de steden, het zingenot, de vermaken, de ijdelheden, den hoogmoed, het eigenbelang. Zij zijn in grof linnen of in grove wol gekleed. Niemand hunner bezit iets in eigendom. Bij zijn intrede maakt hij die rijk was zich arm. Wat hij bezit, geeft hij aan allen. Hij die, zooals men ’t heet, van adel, edelman en heer was, is de gelijke van hem, die boer was. De cel is voor allen dezelfde. Allen ondergaan dezelfde kruinschering, dragen dezelfde pij, eten hetzelfde zwarte brood, slapen op hetzelfde stroo, sterven op dezelfde asch. Zij dragen denzelfden zak op den rug, hetzelfde koord om de lendenen. Zoo men overeengekomen is barvoets te gaan, gaan allen barvoets. Is er een prins, die prins is dezelfde schim als de anderen. Geen titels. Zelfs de familienamen zijn verdwenen. Zij hebben slechts voornamen. Allen gaan gebogen onder de gelijkheid der doopnamen. Zij hebben de vleeschelijke familie ontbonden en in hun gemeenschap de geestelijke familie aangenomen. Zij hebben geen andere verwanten meer dan alle menschen. Zij helpen de armen, verplegen de kranken. Zij verkiezen hen, wien zij gehoorzamen. De een zegt tot den ander „mijn broeder.”

Valt mij niet in de rede met de woorden: „dit is een denkbeeldig klooster!”

’t Is voldoende dat het een mogelijk klooster zij, om ’t in aanmerking te nemen.

’t Is ook om die reden, dat ik in ’t voorgaande boek op eerbiedige wijze van een klooster gesproken heb. De middeleeuwen en Azië er buiten gelaten, en met voorbehoud der historische en politieke kwestie, beschouw ik, uit een zuiver, wijsgeerig oogpunt, de kloosterlijke samenleving, mits zij volkomen vrijwillig gekozen wordt, steeds met een gevoel van belangstelling en in sommige opzichten, van eerbied. Waar de gemeenschap is, is de gemeente, waar de gemeente is, is het recht. Het kloosterleven is de uitkomst der woorden: gelijkheid, broederschap! O, hoe grootsch is de vrijheid; welke schitterende herscheppingen bewerkt zij. De vrijheid is machtig om het klooster in een republiek te herscheppen.

Gaan wij verder.

Maar deze mannen, of deze vrouwen, de achter deze vier muren zittenden, kleeden zich in grove wol, allen zijn gelijk, zij noemen elkander broeders en zusters. Goed; maar doen zij nog iets anders?

Ja.

Wat?

Zij beschouwen de duisternis, zij knielen, en vouwen de handen samen.

Wat beteekent dat?

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *