Het kloosterwezen, zooals dat in Spanje bestond en in Thibet bestaat, is voor de beschaving een soort van tering. Het stremt het leven; het ontvolkt. Voor Europa is ’t een geesel geweest. Voeg daarbij het zoo dikwerf geweld aangedane geweten, de gedwongen roeping voor het klooster, het feodaalwezen steunende op het klooster, het eerstgeboorterecht, dat het te veel der familie aan het klooster overgaf, de wreedheden, waarvan wij gesproken hebben, de in pace, de gesloten monden, het inmetselen, zoovele ongelukkigen in den kerker der eeuwige geloften geworpen, de aanneming van het kloostergewaad, de begraving van levende zielen! Voeg hierbij, al naar den trap van verlaging der natiën, de persoonlijke straffen, en wie ge zijn moogt, ieder zal beven voor de pij en den sluier, voor deze twee lijkdoeken van menschelijke uitvinding.
Evenwel, in weerwil der wijsbegeerte, in weerwil van den vooruitgang, blijft op enkele punten, en in zekere oorden de kloostergeest nog in ’t midden der negentiende eeuw volharden, en een zonderlinge verlevendiging van het ascétisme verbaast thans de beschaafde wereld. De halsstarrigheid der verouderde instellingen om te blijven bestaan gelijkt de ransig geworden pommade, die ons haar met geweld welriekend wil maken, de eisch van den bedorven visch, die gegeten wil worden, van het kinderkleed dat den volwassen man zou willen dekken, en de liefde der lijken die zouden wederkomen om de levenden te omhelzen.
Ondankbaren! zegt de kleeding. Ik heb u in ’t slechte weder beschermd. Waarom wilt ge mij niet meer? Ik kom uit de verre zee, zegt de visch. Ik ben roos geweest, zegt de pommade. Ik heb u bemind, zegt het lijk. Ik heb u beschaafd, zegt het klooster.
Hierop slechts dit antwoord: Voorheen!
’t Schijnt zonderling, wanneer men aan den onbepaalden duur van gestorven dingen en van menschelijke heerschappij door inbalseming gelooft; wanneer men de bouwvallige leerstukken herstelt, de straalkransen opnieuw verguldt, de kloostermuren wit, de reliquikasten opnieuw wijdt, het bijgeloof versterkt, het fanatisme aanvuurt, nieuwe stelen en handvatsels aan wijwaterskwasten en sabels maakt, het kloosterdom en de militaire oppermacht weder opricht, wanneer men aan het heil der maatschappij gelooft door de woekerplanten te vermeerderen, en het verledene aan het tegenwoordige opdringt. En echter zijn er voorstanders dezer theorieën. Deze theoretici, overigens schrandere lieden, handelen zeer eenvoudig; zij leggen op het verledene een vernis, ’t welk zij maatschappelijke orde, goddelijk recht, zedelijkheid, familie, eerbied voor de voorouders, oud gezag, heilige overleveringen, legitimiteit, godsdienst noemen, en zij roepen: Ziet! neemt dit, goede lieden! – Deze logica kenden reeds de ouden. De wichelaars gebruikten ze. Zij bestreken een zwarte vaars met krijt en zeiden: zij is wit. Bos cretatus.
Wat ons aangaat, wij eerbiedigen het een en ander van – en sparen geheel – het verledene, mits het zich tevreden houdt dood te zijn. Zoo het levend wil zijn, vallen wij het aan en trachten het dan te dooden.
Bijgeloof, bigotterie, kwezelarij, vooroordeel, deze spooksels, hoewel zij spooksels zijn, hebben een taai leven, zij hebben tanden en nagels; men moet ze een voor een aangrijpen en verstikken, hen bestrijden en onvermoeid bestrijden; want ’t is het lot des menschen eeuwig in strijd met spookbeelden te zijn. Een schim is moeielijk bij de keel te grijpen en neder te werpen.
Een klooster in Frankrijk in den vollen middag der negentiende eeuw is een uilennest, dat het daglicht durft tarten. Een ascetisch klooster, dat in het midden der stad van 89, van 1830 en van 1848, Rome in Parijs doet bloeien, is een anachronisme. In gewone tijden behoeft men, om een anachronisme op te lossen en te doen verdwijnen, het slechts het jaartal voor te spellen. Maar wij leven in geen gewonen tijd.
Laat ons strijden!
Laat ons strijden, maar met verstand. De waarheid heeft het eigenaardige, dat zij nooit buitensporig is. Waarom zou zij overdrijven? Er zijn dingen die vernietigd, er zijn andere dingen die eenvoudig toegelicht en beschouwd moeten worden. Welk een kracht heeft een welwillend, ernstig onderzoek!
Brengen wij geen vlam dáár waar het licht voldoende is.
In de negentiende eeuw zijn wij dus over ’t algemeen, bij alle volken, in Azië evenals in Europa, in Indië evenals in Turkije, tegen de kloosters en het ascetisme. De kloosters gelijken moerassen. Hun overgang tot bederf is duidelijk, hun stilstand is ongezond; hun gisting maakt de volken koortsig en verzwakt ze; hun vermenigvuldiging wordt een egyptische plaag. Niet zonder huivering kunnen wij aan die landen denken, waar het van fakirs, bonzen, santons, caloyers, marabouts, talapoins en dervischen als van ongedierte wemelt.
Er blijft dus de godsdienstige vraag over. Deze vraag heeft verschillende geheimzinnige, schier vreeselijke zijden: het zij ons vergund ze nader te beschouwen.
















