Maandag, 20/04/2026 - 09:29

De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.

Toen Jean Valjean – in denzelfden nacht dat Javert hem bij het sterfbed van Fantine in hechtenis nam – uit de stadsgevangenis van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld, gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed, als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en, wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.

Hij dacht niet meer aan Jean Valjean – de honden, die altijd ter jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden – toen hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet met couranten ophield; maar Javert, een koningsgezinde, had de bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean, onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven: „Ja, de dood is de beste keten!” Toen wierp hij het blad ter zijde en dacht niet meer aan de zaak.

Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden, betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar, in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van Javert en maakte hem nadenkend.

De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean was dood. – Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in ’t rijtuig van „le Plat d’étain” in het slop van la Planchette en reed naar Montfermeil.

Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.

In de eerste dagen hadden de Thénardier’s in hun wrevel veel gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in ’t dorp verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was, spoedig begrepen, dat [178]het nooit goed is mijnheer den procureur des konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van Cosettes „ontvoering” vooreerst het gevolg zouden hebben op hem, Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen in ’t licht brenge. En hoe zou hij ’t maken met de vijftienhonderd francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo men hem van het „gestolen” kind sprak. Hij begreep er niets van; ’t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem „de lieve kleine” zoo spoedig „ontnomen” had, welke hij uit liefde nog een paar dagen wilde behouden hebben, maar ’t was haar „grootvader,” die op de natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean verdwijnen.

Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn geschiedenis te peilen. – „Wie was deze grootvader en hoe heette hij?” – Thénardier antwoordde onnoozel: „Een rijk landbouwer. Ik heb zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet.”

Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde naar Parijs terug.

„Jean Valjean is wel degelijk dood,” zeide hij, „en ik ben een uilskuiken.”

Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart 1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie St. Médard woonde en die men noemde den „bedelaar, die aalmoezen geeft.” Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij. – De rentenier was zeer schuw – ging slechts ’s avonds uit – sprak met niemand – enkele keeren slechts met de armen – en liet zich niet naderen. Hij droeg een oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was. – Dit prikkelde niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunje en de plaats, waar hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.

De „verdachte” naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.

Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean’s dood was officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.

Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw uit te hooren, ’t geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit van de met millioenen gevoerden jas, en verhaalde hem de episode van het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.

Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt, en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en haastte zich Javert te verwittigen.

Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met twee mannen achter de boomen op den boulevard.

Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was zijn geheim; ’t geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede, wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de „gevaarlijkste soort van boosdoeners” genoemd hadden, een schitterende zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk, wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in ’t licht te onthullen.

Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande, was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.

Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen herhaald, gemaakt zou hebben: – „Gisteren is een oud man met wit haar, een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der prefectuur overgebracht.” –

Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij twijfelde werkelijk.

Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.

Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken, de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen, dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer, de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte, eindelijk het geloof dat hij in ’t bagno gestorven was, vergrootten Javerts twijfel.

Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud, eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere talenten te verbergen – een bekend middel. Hij had dan vertrouwden, medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten zou wezen „de hen met gouden eieren slachten.” Wachten schaadde niet, immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen.

Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen nopens dien raadselachtigen persoon doende.

’t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.

In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde deze hevige siddering.

Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet dus bij den commissaris in de straat Pontoise versterking vragen. Vóór men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan.

Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld, waren hem voldoende: „Hebt ge een man met een meisje gezien?” – „Ik heb hem twee sous laten betalen,” antwoordde de brugwachter. Javert kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan; hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond, en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn.

Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.

Thans begon hij te spelen. ’t Was voor hem een oogenblik van helsche opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met hem te vatten, in ’t vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien, met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat, die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een vreeselijke beteekenis, ’t is de gestremde beweging van het gevangen dier. Welk een genot, zulk een vangst.

Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.

Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook wezen mocht.

Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de zakken van een dief navorschende en onderzoekende.

Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de vlieg niet meer.

Men kan zich zijne woede voorstellen.

Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet zien voorbijgaan.

Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van te denken. „’t Was geen hert, ’t was een toovenaar.”

Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.

Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.

’t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean fouten beging. ’t Was misschien een fout, dat hij aarzelde den ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou hem overtuigd hebben. ’t Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in zijn woning in hechtenis nam. ’t Was een fout, dat hij hem niet had aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. ’t Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en ’t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen, maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en deed het vlieden. Bovenal was ’t een fout dat, na het spoor op de brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men met een jachtterm noemt „een volleerde hond.” Maar wie is volmaakt?

De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.

De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk kunnen breken, ’t zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten en verbonden zijn zij onverbreekbaar; ’t is Attila die weifelend tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat; ’t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; ’t is Danton die zich te Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.

Hoe ’t zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte, verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen, klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het eerste dat hem in ’t oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan, zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht.

Bij ’t aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion, die door een dief verschalkt is.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *