De nachtwind verhief zich, ’t geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in ’t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en een peinzend gelaat, ’t geen Jean Valjean leed deed.
Zij beefde nog altijd.
„Hebt ge slaap?” vroeg Jean Valjean.
„Ik ben koud,” antwoordde zij.
Een oogenblik later hernam zij:
„Is zij er nog?”
„Wie?” vroeg Jean Valjean.
„Madame Thénardier.”
Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, om Cosette stil te doen zijn.
„O,” zeide hij, „zij is weg. Vrees niet meer.”
Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.
De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde er Cosette in.
„Voelt ge u nu minder koud?” vroeg hij.
„O, ja, vader.”
„Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug.”
Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor al de benedenvensters waren ijzeren tralies.
Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat deze akelige gestalte een touw om den hals had.
De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.
Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog dat zij leefde.
Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en te bespieden of ’t geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur, zonder te durven omzien. ’t Scheen hem dat, zoo hij ’t hoofd omwendde, hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich zou zien.
Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; ’t zweet brak hem van alle kanten uit.
Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk een schrikbarend visioen vertoonde, haar de schitterende poorten des hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf ontsloot. ’t Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met een nummer! ’t Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten, om het te kunnen gelooven.
De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward door zijn hoofd.
Hij ging naar Cosette. Zij sliep.
















