Boek V. Een jacht in den nacht met stille honden
Hoofdstuk I. De zigzags der strategie
Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig. Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een...
Hoofdstuk II. Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz gaan
Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; ’t was voor hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes naar den kant van...
Hoofdstuk IV. Het rondtasten der vlucht
Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in ’t bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links...
Hoofdstuk V. ’t Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn
In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af. Deze soldaten, aan wier spits hij...
Hoofdstuk VI. Begin van een raadsel
Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk...
Hoofdstuk VII. Vervolg van het raadsel
De nachtwind verhief zich, ’t geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in ’t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en...
Hoofdstuk VIII. Het raadsel wordt duisterder
Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen. Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn tegenwoordigheid van geest. Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn...
Hoofdstuk IX. De man met de schel
Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was. De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden was Jean Valjean bij hem en riep hem toe: „Honderd francs!” De man rilde […]
Hoofdstuk X. Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt
De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen. Toen Jean Valjean – in denzelfden nacht dat Javert hem bij het sterfbed van Fantine in hechtenis nam – uit de stadsgevangenis van M. sur M. vluchtte, vermoedde...
Hoofdstuk III. Men zie den platten grond van Parijs in 1727
Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm zou hij er van kiezen? Hij aarzelde niet en koos den rechter. Waarom? Wijl de linker tak naar de...















