Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.
De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:
„Honderd francs!”
De man rilde van schrik en zag op.
„Honderd francs,” hernam Jean Valjean, „zoo ge mij voor dezen nacht huisvesting geeft.”
De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.
„Mijn Hemel! zijt gij ’t, mijnheer Madeleine?” zei de man.
Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk, waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw was, kon men niet onderscheiden.
De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:
„Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge toch hier gekomen?”
Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder ’t spreken toonde hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.
„Wie zijt gij? en wat is dit huis?” vroeg Jean Valjean.
„Wel drommels, hoe is ’t mogelijk!” riep de grijsaard; „ik ben immers degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?”
„Neen,” zei Jean Valjean. „Maar van waar kent ge mij?”
„Ge hebt mij het leven gered,” zei de man.
Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean Valjean herkende den ouden Fauchelevent.
„Ha!” zei Jean Valjean, „zijt gij ’t? ja, nu herken ik u.”
„’t Is wel gelukkig,” zei de oude man op verwijtenden toon.
„En wat doet ge hier?” hernam Jean Valjean.
„Wel, ik dek mijn meloenen.”
De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak, het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in den tuin was, meerdere op het bed gelegd.
’t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean Valjean van uit de schuur had opgemerkt.
De tuinman vervolgde:
„Ik dacht: de maan is helder, ’t zal vriezen. Ik zal mijn meloenen hun jas aandoen. En,” voegde hij er luid lachend bij, „gij hadt dit waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?”
Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de rollen omgekeerd: hij, de indringer, was ’t die vroeg:
„En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?”
„De schel,” antwoordde Fauchelevent, „dient opdat men mij uit den weg ga.”
„Hoe! opdat men u uit den weg ga?”
De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.
„Te drommel!” zeide hij, „in dit huis zijn niet anders dan vrouwen; veel jonge meisjes. ’t Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen.”
„Wat is dit voor een huis?”
„Kom, dat weet ge immers wel?”
„Neen, ik weet het niet.”
„En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen.”
„Antwoord mij, alsof ik niets weet.”
„Welnu, ’t is het klooster van Petit-Picpus.”
Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door ’t omvallen van zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:
„Het klooster van Petit-Picpus!”
„Maar spreek,” hernam Fauchelevent, „hoe drommels is ’t u gelukt hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn, maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen.”
„En gij zijt er!”
„Ik ben de eenige man.”
„Ik moet hier echter blijven,” hernam Jean Valjean.
„Ach, mijn God!” riep Fauchelevent.
Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:
„Vader Fauchelevent, ik heb u ’t leven gered.”
„Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij,” antwoordde Fauchelevent.
„Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed.”
Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude, gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te kunnen spreken. Eindelijk riep hij:
„O! ’t zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij, ouden man.”
Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat scheen te schitteren.
„Wat wilt ge dat ik doen zal?” vroeg hij.
„Ik zal ’t u zeggen. Hebt ge een kamer?”
„Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek, dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers.”
Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen, en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean het niet had gezien.
„Goed,” zei Jean Valjean. „Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken.”
„Wat, mijnheer de maire?”
„Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede, dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen.”
„Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij immers hier bezorgd. ’t Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst.”
„Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen.”
„Zoo!” zei Fauchelevent. „Hebt ge een kind?”
Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond zijn meester.
Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas aantrok, had Fauchelevent zich van zijn kniestuk met de schel bevrijd, dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean leggende, tot dezen zeide:
„O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten u niet! Ge zijt een ondankbare!”
















