Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.
Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn tegenwoordigheid van geest.
Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben, hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was, wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.
Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen tijd een zonderling geluid. ’t Was als een schel, die van plaats verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die ’s nachts in de weide zijn.
Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in den tuin was.
’t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande, met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of uitlegde. De man scheen te hinken.
Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag, omdat die hen in ’t licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was; nu sidderde hij, omdat er iemand was.
Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.
Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook ’t geluid; ’t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil, dan zweeg ook het geluid. ’t Scheen duidelijk, dat de schel aan den man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man, die een bel droeg als een ram of os?
Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij waren ijskoud.
„Mijn God!” zuchtte hij. Hij riep zacht: „Cosette!”
Zij opende de oogen niet.
Hij schudde haar.
Zij ontwaakte niet.
„Zou zij dood zijn!” zeide hij, en richtte zich op, van ’t hoofd tot de voeten bevende.
De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht, onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.
Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.
Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende, flauw en op ’t punt van te bezwijken.
Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?
Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld ijlde hij uit de schuur.
Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te bed zijn.
















