Maandag, 20/04/2026 - 09:05

Tag: Boek V. Een jacht in den nacht met stille honden

Hoofdstuk I. Meester Gorbeau

Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken der Salpêtrière waagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. ’t Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; ’t was geen veld, want er...

Hoofdstuk II. Nest voor uil en vleermuis

Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen. Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur, trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende, klom hij de trap op....

Hoofdstuk III. Een dubbel ongeluk maakt één geluk

Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij „tot de politie” behoorde. ’t Was een...

Hoofdstuk I. De zigzags der strategie

Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig. Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een...

Hoofdstuk II. Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz gaan

Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; ’t was voor hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes naar den kant van...

Hoofdstuk IV. Het rondtasten der vlucht

Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in ’t bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links...

Hoofdstuk V. ’t Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn

In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af. Deze soldaten, aan wier spits hij...

Hoofdstuk VI. Begin van een raadsel

Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk...

Hoofdstuk VII. Vervolg van het raadsel

De nachtwind verhief zich, ’t geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in ’t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en...

Hoofdstuk III. Men zie den platten grond van Parijs in 1727

Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm zou hij er van kiezen? Hij aarzelde niet en koos den rechter. Waarom? Wijl de linker tak naar de...