Maandag, 20/04/2026 - 07:51

Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen.

Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur, trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende, klom hij de trap op.

Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentrad en welke hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering, waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte flauw dit armoedig vertrek. Achter in ’t vertrek was een afgeschoten ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken.

Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen, ’t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort zonder te weten waar zij was.

Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.

Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was ingeslapen.

Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart.

Hij knielde voor Cosettes bed.

Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen, zoodat het van boven tot onder schudde.

„Ja, madame!” riep Cosette, die verschrikt wakker werd, „ik kom, ik kom!”

Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.

„Ach, God! mijn bezem!” riep zij.

Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht.

„Ha, ja, ’t is waar!” zei het kind. „Goeden morgen, mijnheer.”

Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.

Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean deed—Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madame Thénardier ver weg was? Of zij niet zou terugkomen? enz. enz. Eensklaps riep zij: „Hoe fraai is ’t hier!”

’t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.

„Moet ik ook vegen?” vroeg zij eindelijk.

„Speel maar,” zei Jean Valjean.

Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man onbeschrijfelijk gelukkig.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *