Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in de maand.
Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte lanen van het Luxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, die zich aan zijn gedachten overgaf.
Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.
Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.
Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:
„Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt er alleen: onberispelijkheid – van geweten? – neen, van laarzen.”
Alle driften, behalve die van ’t hart, vervliegen bij den denker. Ook de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en nietig voor.
Hij geloofde zoo zeker, het ware in ’t leven en de wijsbegeerte gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men in den put der waarheid zien kan.
Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar ’t geen hij droomt dan naar ’t geen hij denkt beoordeelen. In de gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.
In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius’ dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, wist nauwelijks dat hij buren had.
„Waarom?” vroeg hij.
„Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen schuldig.”
„Hoeveel bedraagt de som?”
„Twintig francs,” antwoordde de oude vrouw.
„Ziedaar,” sprak hij tot de oude vrouw, „hier hebt ge vijfentwintig francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, maar zeg niet dat het van mij komt.”
















