Maandag, 20/04/2026 - 05:52

De Parijzenaars, die thans, van den kant des Halles de straat Rambuteau ingaan, zien rechts, tegenover de straat Mondétour, een mandemakerswinkel, die als uithangbord een mand heeft in den vorm van Keizer Napoleon den Groote, met dit opschrift:

Napoleon geheel van teen gemaakt.

Zij vermoeden niet, welke vreeselijke tooneelen op deze plek, nauwelijks dertig jaar geleden, zijn voorgevallen.

Hier waren de straat de la Chanvrerie, en de vermaarde herberg Corinthe.

Men herinnere zich, wat aangaande de te dezer plaatse opgerichte barricade is gezegd, die trouwens door de barricade van Saint-Merry in de schaduw werd gesteld. Op deze beruchte barricade der straat de la Chanvrerie, die thans in diepe duisternis is gedompeld, willen wij een weinig licht werpen.

Men vergunne ons, tot juister begrip van ’t verhaal, hetzelfde eenvoudig middel aan te wenden, dat wij ten aanzien van Waterloo hebben gebezigd.

Wie zich op vrij nauwkeurige wijze het blok huizen wil voorstellen, ’t welk in dien tijd bij de punt van St. Eustachius, aan den noordoostelijken hoek des Halles van Parijs was gelegen, waar thans de straat Rambuteau uitkomt, behoeft zich slechts een N te verbeelden, welker top de straat St. Denis en basis des Halles raakt, en wier rechtstaande beenen de straten de Grande Truanderie en de la Chanvrerie, en dwarsstreep de straat der Petite-Truanderie zijn. De oude straat Mondétour doorsneed deze drie beenen in allerlei bochten; zoodat de doolhof dezer vier straten zeven huizeneilandjes vormde, die zonderling gebouwd, van verschillende grootte en als bij toeval daar geplaatst, nauwelijks door enge stegen gescheiden waren.[266]

De huizen waren zoo bouwvallig, dat ze gedeeltelijk gestut waren door balken, die van het eene naar het andere huis liepen. De straat was eng en de goot breed; men ging er steeds op vochtige steenen langs kelderachtige winkels, langs groote vuilnishoopen, en gangen met zware, eeuwenoude hekken. De straat Rambuteau heeft dit alles weggevaagd.

Kwam men uit de straat St. Denis in de straat de la Chanvrerie, dan zag men haar allengs enger worden, als ware men in een langen trechter. Aan het einde der straat zag men den doorgang aan de zijde des Halles versperd door een rij hooge huizen, en men zou gemeend hebben in een slop te zijn, zoo men niet rechts en links twee donkere gleuven gezien had, door welke men verder kon gaan. ’t Was de straat Mondétour, die zich aan de eene zijde met de Predikerstraat, aan de andere met de Zwanenstraat en de kleine Truanderie vereenigde. Aan het einde van dit soort van slop, aan den hoek der rechter insnijding, zag men een minder hoog huis dan de overige, dat een soort van voorgebergte in de straat vormde.

In dat huis van slechts twee verdiepingen bestond sedert driehonderd jaren een vermaarde, veel bezochte herberg. In deze herberg heerschte immer een luidruchtige vroolijkheid en wel op dezelfde plek, welke de oude Theophilus in deze twee verzen aanduidt:

Là branle le squelette horrible

D’un pauvre amant qui se pendit1.

De stand was goed; de herberg ging van vader op zoon over.

In de vorige eeuw had de verdienstelijke Natoire, een der phantastische schilders, die door de tegenwoordige stijve school veracht zijn, zich in deze herberg vaak bedronken en uit dankbaarheid een tros krenten (druiven van Corinthe) op ’t venster geschilderd. Uit blijdschap had de herbergier zijn uithangbord veranderd, en boven den druiventros in vergulde letters doen zetten: „In de druif van Corinthe.” Vandaar de naam Corinthe.

Een benedenvertrek met buffet, een kamer op de eerste verdieping met een biljart, waarheen een wenteltrap leidde, wijn op de tafels, berookte muren, kaarslicht op klaarlichten dag, zóó was de herberg. Een trap met valluik in het benedenvertrek voerde naar den kelder. Op de tweede verdieping huisde de familie Hucheloup. De trap, waarlangs men naar deze verdieping [267]ging, was veeleer een ladder dan een trap, die een blinde deur had in de groote kamer op de eerste verdieping. Onder het dak waren twee zolderkamertjes voor de dienstmeiden. Het benedenhuis bevatte de keuken en de gelagkamer.

De oude Hucheloup was misschien voor chemist in de wieg gelegd, maar zeker is ’t, dat hij kok werd; men dronk niet alleen in zijn herberg, men at er ook. Hucheloup had iets keurigs uitgevonden, ’t geen men slechts bij hem at; ’t waren gelardeerde karpers, welke hij karpers in het vet noemde (carpes au gras). Men at ze bij het licht van een vetkaars of van een lamp uit den tijd van Lodewijk XVI, op tafels met gewast linnen bekleed, in plaats van tafellaken. Men kwam hier van verre en wijd. Op zekeren morgen had Hucheloup bedacht de voorbijgangers met zijn „specialiteit” bekend te maken, een penseel in een pot schoensmeer gedoopt en, vermits hij een even eigenaardige spelling als kookkunst had, op den muur van zijn huis dit merkwaardig opschrift geschilderd:

Carpes ho gras.

Des winters hadden regen- en sneeuwbuien de S aan het einde van het eerste woord en de G, waarmede het derde begon, uitgewischt, zoodat overbleef:

Carpe ho ras.

Alzoo was door tijd en regen een eenvoudige gaarkoks-aankondiging een diepzinnige raadgeving, en Hucheloup, die het Fransch niet kende, een latinist geworden2.

Van dat alles bestaat tegenwoordig niets meer. De doolhof was reeds in 1847 verruimd en is waarschijnlijk op dit oogenblik geheel verdwenen.

Zooals gezegd is, was Corinthe een der vereenigingsplaatsen van Courfeyrac en zijn vrienden. Grantaire had Corinthe ontdekt. Uit hoofde van het Carpe Horas was hij er ’t eerst binnengegaan, en om de Carpes au Gras was hij er meermalen teruggekeerd. Men at, dronk en tierde er; men betaalde er weinig, betaalde slecht, soms in ’t geheel niet, en was er altijd welkom.

Hucheloup was een gaarkok met knevel; een kluchtige verscheidenheid. Hij zag er altijd stuursch uit; ’t was alsof hij zijn klanten in ontzag wilde houden, hij gromde tegen de lieden die bij hem kwamen, en scheen eerder geneigd twist met hen te zoeken dan hun soep op te disschen. Evenwel was men, [268]wij herhalen het, altijd welkom. Deze grilligheid had hem zelfs vele klanten bezorgd, vooral jongelieden die zich met zijn knorrigheid vermaakten. Hij was schermmeester geweest. Soms lachte hij eensklaps luidkeels. Een ruwe stem is vaak het teeken van een goed hart; inderdaad was hij een komieke kerel met een somber gezicht. Niets was hem liever dan de lieden schrik aan te jagen, evenals snuifdoozen in den vorm van een pistool doen.

Moeder Hucheloup, zijn vrouw, was een zeer leelijk, gebaard wezen.

Omstreeks 1830 stierf Hucheloup. Met hem verdween het geheim der „karpers in het vet”. Zijn ontroostbare weduwe zette de herberg voort. Maar de gaarkeuken ontaarde en werd slecht, de wijn, die altijd slecht was geweest, werd afschuwelijk. Courfeyrac en zijn vrienden kwamen echter nog altijd in Corinthe—uit medelijden, zei Bossuet.

De weduwe Hucheloup was kortademig en wanstaltig, zij sprak gaarne van haar landelijke herinneringen, waaraan haar tongval steeds eenige bekoorlijkheid verleende.

Het vertrek op de eerste verdieping, waar de „restauratie” werd gehouden, was ruim en langwerpig, vol banken, krukjes, stoelen, tafeltjes en een oud waggelend biljart. Men kwam er langs de wenteltrap, die in den hoek van het vertrek tegen een vierkante opening als die van een scheepsluik uitkwam.

Deze kamer, die slechts door een enkel smal venster licht kreeg en waar dus altijd eene lamp brandde, had een gemeen voorkomen. Al de meubels van vier pooten schenen er slechts drie te hebben. De gewitte muren hadden geene andere versiering dan dit vierregelig vers ter eere van vrouw Hucheloup:

Elle étonne à dix pas, elle épouvante à deux.

Une verrue habite en son nez hasardeux;

On tremble à chaque instant qu’elle ne vous la mouche,

Et qu’un beau jour son nez ne tombe dans sa bouche.3

Dit was met houtskool op den muur geschreven.

Madame Hucheloup ging van ’s morgens tot ’s avonds in de volmaaktste kalmte voorbij dit vierregelig vers. Twee dienstmaagden, Matelotte en Gibelotte genoemd, die nooit andere namen schenen gehad te hebben, hielpen madame Hucheloup op de tafeltjes de kruiken met blauwen wijn en de spijzen te [269]plaatsen, welke den hongerigen in grof aardewerk werden voorgezet. Matelotte was dik, rond, ros en had een gillende stem, zij was de sultane favorite van wijlen Hucheloup geweest en leelijker dan een mythologisch monster; evenwel, dewijl de dienstmaagd altijd achter de meesteres moet blijven, was zij minder leelijk dan madame Hucheloup. Gibelotte was lang, tenger, smachtend, bleek, met blauwe kringen om de oogen, en half neergeslagen oogleden, immer bedrukt en afgemat, iets als een chronische vermoeidheid; zij was het eerste bij de hand, de laatste te bed, bediende iedereen, zelfs de andere dienstmaagd, stil en zacht, glimlachende onder haar vermoeidheid met een dommelig lachje.

Er was een spiegel boven de toonbank.

Voor dat men de „zaal” der restauratie binnentrad, las men dit vers, hetwelk Courfeyrac met krijt op de deur geschreven had:

Régale si tu peux et mange si tu l’oses!4


1Daar schommelt het afgrijselijk rif

Eens minnaars die er zich verhing.

2Carpe horas beteekent: maak u den tijd ten nutte.

3In de verte verbaast zij, dichtbij verschrikt zij. Op haar neus zit een stoutmoedige wrat. Men beeft ieder oogenblik, dat zij hem zal afsnuiten en haar neus op een mooien dag in haar mond zal vallen.

4Onthaal u zoo ge kunt en eet zoo gij het waagt.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *