Maandag, 20/04/2026 - 05:52
14:46 | 10/10/2019

Bahorel, wegens de barricade in verrukking, riep:

„Nu ligt de straat bloot, dat staat haar goed!”

Terwijl Courfeyrac bezig was met een weinig de herberg af te breken, poogde hij de weduwe herbergierster te troosten.

„Beklaagdet ge u niet onlangs, moeder Hucheloup, toen men procesverbaal tegen u opmaakte, wijl Gibelotte uit het venster een bedkleedje had uitgeschud?”

„Ja, mijn goede mijnheer Courfeyrac. Ach, goede God, wilt ge mij ook deze tafel op dat leelijke ding zetten? Niet alleen wegens het bedkleedje, maar ook wegens een bloempot, die uit het dakvenster op de straat viel, heeft het gouvernement mij met honderd francs beboet. Is ’t geen schandelijkheid?”

„Nu, moeder Hucheloup, wij zullen u wreken.”

Moeder Hucheloup scheen niet goed te begrijpen, wat zij bij deze wijze van schadevergoeding winnen zou. Zij was tevreden, op de wijze dier Arabische vrouw, welke van haar man een klap hebbende ontvangen, zich bij haar vader beklaagde, wraak eischte en zeide: „Vader, ge zijt mijn man een beleediging voor zijn beleediging schuldig.” De vader vroeg: „Op welke wang hebt ge den klap ontvangen?” – „Op de linkerwang.” De vader gaf haar een slag op de rechterwang zeggende: „Nu zijt ge voldaan. Ga uw man zeggen, dat hij mijn dochter een klap heeft gegeven, maar dat ik zijn vrouw terug heb geslagen.”

De regen had opgehouden. Er was versterking aangekomen. Werklieden hadden onder hun kielen een tonnetje buskruit, een mand met flesschen vitriool, twee of drie flambouwen en een menigte lampions, de overblijfsels van het feest des Konings, gebracht, welk feest onlangs, namelijk den 1sten Mei, gevierd was. Men zeide, dat deze amunitie vanwege een kruidenier uit de voorstad St. Antoine, genaamd Pepin, kwam. Men verbrak de eenige lantaarn in de straat Chanvrerie, de daarop volgende lantaarn in de straat St. Dénis en al de lantaarns in de omliggende straten: Mondétour, du Cygne, des Prêcheurs, en der groote en kleine Truanderie.

Enjolras, Combeferre en Courfeyrac bestuurden alles. Nu werden twee barricaden tegelijkertijd opgeworpen, die beide tegen het huis Corinthe steunden en een rechthoek vormden; de grootste sloot de straat Chanvrerie, de andere de straat Mondétour aan de zijde van de Zwanestraat. Deze laatste, zeer smalle barricade was slechts uit tonnen en straatsteenen samengesteld. Er waren omstreeks vijftig werklieden; waarbij een dertigtal met geweren gewapend; want onderweg hadden zij al wat een zwaardvegerswinkel bevatte, geleend.

Men kan zich niets grilliger en bonter voorstellen dan dezen troep. De een droeg een buis, een sabel en twee ruiterpistolen; een ander was in hemdsmouwen en had een ronden hoed op en een kruithoorn op zijde; een derde was met negen vel grauw papier geharnast en met een zadelmakersels gewapend. Een schreeuwde: „Verdelgen wij allen en sneven wij op de punt onzer bajonnetten!” deze had geen bajonnet. Een ander droeg over zijn jas den koppel en de patroontasch van een nationale garde, op het foudraal van welke patroontasch in roode wol dit opschrift stond: „Openbare orde.” Er waren veel geweren met de nummers der legioenen, weinig hoeden, geen dassen, veel naakte armen, eenige pieken, lieden van allerlei ouderdom, allerlei gezichten; bleeke, kleine jongelingen, bronskleurige kaaiwerkers. Allen haastten zich; en terwijl men elkander hielp, sprak men van de mogelijke kansen; dat men tegen drie uren ’s morgens hulp zou hebben, dat men van een regiment zeker was; dat geheel Parijs in opstand zou komen. Vreeselijke gesprekken, waaronder zich een soort van hartelijke vroolijkheid mengde. Men zou gezegd hebben, dat het broeders waren; maar zij kenden zelfs elkanders namen niet. De groote gevaren hebben dit schoone, dat zij de broederschap van onbekenden in het licht stellen.

In de keuken was een vuur ontstoken, en men goot in een vorm kogels van tinnen potten, lepels, vorken en van al het tinwerk, dat in de herberg voorhanden was. Onder dit alles dronk men. De knalhoedjes en kogels lagen op de tafels tusschen de wijnglazen. In de biljartkamer waren vrouw Hucheloup, Matelotte en Gibelotte, ieder op verschillende wijze door den schrik bevangen, de eene versuft, de andere hijgend, de derde levendig, bezig oud linnen te scheuren en pluksel te maken, hierbij geholpen door drie opstandelingen, harige, gebaarde snaken, die met naaistershanden het linnen plozen en de vrouwen deden beven.

De man met de rijzige gestalte, dien Courfeyrac, Combeferre en Enjolras hadden opgemerkt, juist toen hij zich aan den hoek der Billettes bij den hoop voegde, werkte aan de kleine barricade en maakte er zich nuttig. Gavroche werkte aan de groote. De knaap, die Courfeyrac in diens woning gewacht en naar mijnheer Marius gevraagd had, was omstreeks het oogenblik verdwenen, toen men den omnibus omver had geworpen.

Gavroche, die geheel opgewekt en verheugd was, liep heen en weder, naar boven, naar beneden, juichte en zong. Hij scheen er te zijn om allen aan te moedigen. Had hij een prikkel? ja, gewis, zijn blijdschap. Men zag, men hoorde Gavroche immer. Hij vervulde de lucht en was overal tegelijk. Stilstand was voor hem onmogelijk. De groote barricade voelde hem op haar rug. Hij plaagde de gapers, spoorde de luiaards aan, wekte de vermoeiden op, maakte de denkers levendig, vervroolijkte dezen, bracht genen tot adem, anderen in toorn, allen in beweging; hier spotte hij met een student, daar tergde hij een werkman; vloog, stond stil, ijlde door het gewoel en den arbeid, sprong van het een op het ander, floot, gonsde en plaagde allen; hij was de vlieg van de revolutionnaire koets.

De eeuwigdurende beweging was in zijn kleine armen en het eeuwigdurend geschreeuw in zijn kleine longen.

„Moedig! nog meer keien! nog meer tonnen! nog meer voorwerpen! waar zijn ze? Hier met een mand gruis om deze opening te dichten. Ze is klein, uw barricade. Ze moet hooger zijn. Legt en werpt er alles op, steekt er alles in. Breekt het huis af. Ha! zie hier een glazen deur!”

Dit deed de werklieden uitroepen:

„Een glazen deur! wat zullen wij met een glazen deur uitvoeren, knaap?”

„Een glazen deur is uitmuntend voor een barricade. Het belet wel niet dat men ze aanvalt, maar hindert om ze te nemen. Zijt ge dan nooit over een muur, waarop glasscherven lagen, geklauterd, om appels te kapen. Een glazen deur snijdt de likdoorns der nationale garde af, wanneer zij de barricade wil beklimmen. Verduiveld! het glas is verraderlijk. Uw verbeelding, kameraads! is niet zeer sterk; ge begrijpt niets.”

Overigens was hij verwoed op zijn pistool zonder haan. Hij ging van den een tot den ander en eischte een geweer: „Ik wil een geweer!” riep hij, „waarom geeft men mij geen geweer?”

„Gij een geweer!” zei Combeferre.

„Waarom niet?” hernam Gavroche; „ik had er een in 1830, toen men met Karel X plukhaarde!”

Enjolras haalde de schouders op en zeide:

„Wanneer de mannen er allen hebben, zal men ze aan de kinderen geven.”

Gavroche wendde zich fier om en antwoordde:

„Zoo ge vóór mij sneuvelt, neem ik het uwe.”

„Straatjongen!” zei Enjolras.

„Melkmuil!” zei Gavroche.

Een pronker, die, naar hier verdwaald, aan het einde der straat slenterde, gaf een afleiding.

Gavroche riep hem toe:

„Voeg u bij ons, jongmensch. Nu! wilt ge dan niets voor het oude vaderland doen?”

De pronker maakte zich schielijk uit de voeten.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *