Maandag, 20/04/2026 - 05:20

Dit boek is een drama, waarvan het oneindige de hoofdpersoon is.

De tweede persoon is de mensch.

Dit gesteld, en wijl een klooster op onzen weg lag, zijn wij er moeten binnengaan. Waarom? Wijl het klooster, zoowel eigen aan het Oosten als aan het Westen, aan den ouden als aan den nieuweren tijd, aan het heidendom, aan het boudhisme, aan het mahomedanisme, aan het Christendom, een optisch werktuig is, dat de mensch op het oneindige richt.

’t Is hier de plaats niet om wijdloopig sommige ideeën te ontwikkelen; evenwel moeten wij – ons alle uitzonderingen en zelfs onze verontwaardiging bepaald voorbehoudende, – zeggen dat, telkens wanneer wij in den mensch het, goed of kwalijk begrepen, oneindige ontmoeten, wij ons van eerbied doordrongen gevoelen. In de synagoge, in de moskee, in de pagode, in de wigwam is een afschuwelijke zijde, welke wij verfoeien, maar ook een verhevene zijde, welke wij vereeren. Welk een bespiegeling voor den geest en welke peillooze overdenking is niet de weerkaatsing van God in den mensch!

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *