Maandag, 20/04/2026 - 05:36

’t Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts genoeg om in ’t leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de Pontmercy zijn leven had ingericht.

Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs ’s jaars te verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac, die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van „noodhulp.” Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende, alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs ’s jaars. Daarvan leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen ’t uitleggen.

Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs ’s jaars een krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij zijn kamertje schoon hield en hem ’s ochtends een weinig warm water, een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes, een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous; voor drie sous had men er brood zooveel men wilde. In plaats van wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad.

Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde hem „den waterigen Rousseau.”

Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, ’t geen driehonderd vijf en zestig francs ’s jaars bedroeg. Zoo men daarbij de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent, ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed vijftig en zijn wasch ook vijftig francs, zoodat alles te zamen geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had, zeer vereenvoudigd.

Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, „voor alle dagen” het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij had slechts drie hemden, een aan ’t lijf, een bij de waschvrouw en een in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht.

Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand kwam. Ruwe jaren waren ’t, pijnlijk om door te komen, moeielijk om te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin der slavernij. Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat, zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voor hem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot schuwheid toe.

In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel, die haar kooi draagt.

Naast den naam van zijn vader stond in Marius’ hart een andere naam gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans, waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. ’t Was een soort van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel, het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht, met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich, dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. ’t Was de eenige schuld, die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te voldoen.—Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij, wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem wedervinden!—Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed wel hebben veil gehad. Thénardier te zien, hem een dienst te bewijzen, tot hem te zeggen: „Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er; beschik over mij,”—dat was Marius’ liefste en heerlijkste droom.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *