Maandag, 20/04/2026 - 06:34

In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel ’t slechts een seconde duurde.—Wat willen zij hier? vroeg hij bij zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame ging voorbij, hem strak en met een zachten, [147]peinzenden blik aanziende, die hem van ’t hoofd tot de voeten deed rillen. ’t Was alsof zij hem verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij tot hem zeide: Nu kom ik. Marius was verbijsterd door haar diepe, schitterende oogen.

Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar geknield zou hebben. ’t Was hem alsof hij in het azuur des hemels zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, zijn laarzen waren bestoven.

Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.

Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.

Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen vinden.

Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: „Ga met mij dineeren.” Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij het dessert zeide hij tot Courfeyrac: Hebt ge de courant gelezen? Welk een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!

Hij was smoorlijk verliefd.

Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac: Ga mede naar den schouwburg; ik zal betalen. Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in de Auberge des Adrets te zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.

Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen deze zeide: „Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen.”

Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, vervolgens viel het gesprek op de gebreken en [148]leemten der woordenboeken en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit te roepen: „’t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!”

„’t Is waarlijk kluchtig!” fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.

„Neen,” antwoordde Jean Prouvaire, „’t is ernstig!”

’t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.

Een blik had dat alles bewerkt.

Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer eenvoudig. Een blik is een vonk.

’t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het onbekende in.

De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar eensklaps voelt men zich gegrepen! ’t Is gedaan! Het rad houdt u, de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om ’t even waar of hoe; ’t zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in ’t raderwerk beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *