Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht.
’t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald, waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht; zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van ’t geen zij sedert twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: „zeg niets.” De vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.
Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker, die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou vermoed hebben.
Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle deuren werden voor hem geopend.
Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: „uitgaan en binnenkomen”, opgelost.
De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren geleden nog van de straat in den achtermuur der [273]plaats tegenover de koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in, en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.
De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit de spreekkamer.
De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:
„Zijt gij de broeder?”
„Ja, eerwaardige moeder,” antwoordde Fauchelevent.
„Hoe heet gij?”
Fauchelevent antwoordde:
„Ultime Fauchelevent.”
Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die overleden was.
„Van waar zijt ge?”
Fauchelevent antwoordde:
„Van Picquigny bij Amiens.”
„Hoe oud zijt ge?”
Fauchelevent antwoordde:
„Vijftig jaar.”
„Wat doet ge!”
Fauchelevent antwoordde:
„Tuinier.”
„Zijt ge een goed Christen?”
Fauchelevent antwoordde:
„Allen zijn het in mijn familie.”
„Behoort u dit meisje?”
Fauchelevent antwoordde:
„Ja, eerwaardige moeder.”
„Zijt gij haar vader?”
Fauchelevent antwoordde:
„Haar grootvader.”
De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:
„Hij antwoordt goed.”
Jean Valjean had geen woord gezegd.
De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de kapittelmoeder:
„Zij zal leelijk zijn.”
De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:
„Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans zijn er twee noodig.”[274]
Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin, de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak de stilte om elkander te zeggen: „’t Is een hulptuinier.”
De kapittelmoeders voegden er bij: „’t Is een broeder van vader Fauvent.”
Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime Fauchelevent.
De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking geweest der priorin: „zij zal leelijk zijn.”
Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods.
Dit alles is zeer logisch.
Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn, laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.
Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs, die evenals hij, Della Genga heette; men leest er deze [275]regels in: „’t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier, een heilig man, genaamd Fauvan is.” Van al dien triomf drong niets tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten, harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens portret in de Illustrated London News met dit opschrift voorkomt: „os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft.”
















