De rij kramen strekte zich, zooals men zich herinnert, van de kerk tot aan de herberg van Thénardier uit. Al deze kramen waren, in afwachting der inwoners die naar de middernachtmis zouden gaan, met kaarsen in papieren lantaarns verlicht, ’t geen, zooals de schoolmeester van Montfermeil zeide, die op dit oogenblik in de herberg van Thénardier zat, een „tooverachtige uitwerking” deed. Daarentegen zag men geen enkele ster aan den hemel.
De laatste dezer kramen, die juist tegenover Thénardier’s deur stond, was vol blinkende, rinkelende goederen, glaswaren en prachtige blikken voorwerpen. Vooraan in de kraam had de koopman tegen een achtergrond van witte servetten, een groote twee voet hooge pop geplaatst, in rose krip gekleed, met gouden koornaren op ’t hoofd, met echt haar en porseleinen oogen. Den geheelen dag was dit wonder van verbazing voor de jeugd uitgestald geweest, zonder dat te Montfermeil een moeder was gevonden, rijk of scheutig genoeg om ze voor haar kind te koopen. Eponine en Azelma hadden uren in haar beschouwing doorbracht, en zelfs Cosette had, hoewel steelsgewijze, ze durven begluren.
Toen Cosette met haar emmer in de hand uitging, kon zij zich niet weerhouden, hoe treurig en neerslachtig ze ook was, de oogen naar deze wonderschoone pop, naar deze dame, zooals zij ze noemde, op te slaan. Het arme kind was als versteend blijven staan. Zij had de pop nog niet van nabij gezien. De geheele kraam scheen haar een paleis, deze pop was geen pop, maar een verschijning. ’t Was de vreugd, de luister, de rijkdom, het geluk, die in een soort van denkbeeldigen glans voor het kleine rampzalige wezen verschenen, dat zoo diep in een vreeselijke koude ellende gedompeld was. Cosette mat, met de onnoozele en treurige schranderheid der kindsheid, den afgrond die haar van deze pop scheidde. Zij dacht dat men ten minste koningin of prinses moest zijn om „zoo iets” te hebben. Zij aanschouwde dat fraaie rosé kleed, dat glad gestreken haar, en dacht: Hoe gelukkig moet deze pop zijn! Haar oogen konden zich van deze betooverende kraam niet afwenden. Hoe meer zij staarde, hoe meer zij werd verbijsterd. Zij meende den hemel te zien. Achter de groote stonden andere poppen, die haar feeën en geniën schenen. De [94]koopman, die in zijn kraam heen en weder ging, kwam haar eenigszins als onze lieve Heer voor!
In haar verrukking vergat zij alles, zelfs de boodschap waarmede zij belast was. Eensklaps riep de ruwe stem van vrouw Thénardier haar tot de wezenlijkheid terug:—„Hoe, deern! Zijt ge nog niet weg! Wacht, ik zal bij u komen! Ik vraag u, wat doet ge daar toch! klein monster, ga!”
Vrouw Thénardier had even op straat gezien, en Cosette in hare verrukking opgemerkt.
Cosette ijlde met haar emmer heen, en liep zoo hard zij kon.
















