Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot! – want toen kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de meisjes den spot dreven, een deur, die men ’s avonds gesloten vindt, wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier, het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet, bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot, omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen, en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar, waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het een ellendige of een halfgod wil scheppen.
Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en laagheid. ’t Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt, geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven, de verlatenheid, de armoede, – het zijn slagvelden, die hun helden hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde.
Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen.
Er was een oogenblik in Marius’ leven, dat hij zijn eigen portaal veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen, om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen, waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den arm mede te verwijderen. ’t Was Marius. Van de cotelet, welke hij zelf braadde, leefde hij drie dagen.
Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens terug, zeggende dat hij niets behoefde.
Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen, gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij zich in de tint des nachts.
In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette, dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.
Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervan door een koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en de grijsaard zeide: „Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten, dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn.”
















