Zondag, 19/04/2026 - 21:37

Uit het gezichtspunt der geschiedenis, der rede en der waarheid is het kloosterleven verwerpelijk.

De kloosters, zoo zij bij een natie te talrijk zijn, zijn als knoopen, die den band der samenleving belemmeren, ’t zijn hinderende gebouwen, middelpunten van luiheid, dáár waar middelpunten van werkzaamheid zijn moesten. De kloostergemeenschap is voor de groote maatschappij wat de mistel voor den eik, wat de wrat voor het menschelijk lichaam is. Hun bloei en hun omvang verarmen het land. De kloosterregel, goed in de kindsheid der beschaving, nuttig om door het geestelijke de ruwheid te verminderen, is schadelijk voor den mannelijken leeftijd der volken. Maar wanneer hij verslapt en een tijdperk van ongeregeldheden intreedt, wanneer hij dan nog voortgaat tot voorbeeld te dienen, wordt hij nadeelig, om dezelfde redenen die hem in het tijdperk zijner zuiverheid heilzaam deden zijn.

De kloosterlijke afzondering heeft haar tijd gehad. De kloosters, nuttig voor de eerste opvoeding der nieuwere beschaving, belemmerden haar groei en zijn schadelijk voor haar ontwikkeling. Evenzeer als instelling en als wijze van vorming voor den mensch zijn de kloosters, goed in de tiende eeuw, betwistbaar in de vijftiende, verwerpelijk in de negentiende. De klooster-melaatschheid heeft reeds twee schoone natiën, Italië en Spanje, de eene het licht, de andere de luister van Europa, sinds eeuwen tot op het gebeente afgeknaagd, en eerst nu, in den tijd, dien wij beleven, begint de genezing dier volken, dank zij de heilzame en krachtige gezondheidsleer van 1789.

Het klooster, in ’t bijzonder het vroegere vrouwenklooster, zooals het bij den aanvang onzer eeuw nog in Italië en Oostenrijk en Spanje verschijnt, is een der somberste voortbrengselen der Middeleeuwen. Zoodanig klooster is het vereenigingspunt van alle verschrikkingen. Het eigenlijke Katholieke klooster is vol van den zwarten glans des doods. Bovenal het Spaansche klooster is treurig. Daar verheffen zich in de duisternis, onder donkere gewelven, in nevelen gehulde koepeldaken, babylonische, kolossale altaren, zoo hoog als de kerken; daar hangen aan kettingen, in diepe duisternis, groote witte crucifixen, daar liggen op het ebbenhout groote naakte, meer dan bloedige, bloedende ivoren Christusbeelden uitgestrekt, afgrijselijk en toch heerlijk, wier ellebogen de knoken, wier knieschijven de vliezen, wier wonden het vleesch vertoonen, gekroond met zilveren doornen, vast gespijkerd met gouden nagels, met bloeddroppels van robijnen op het voorhoofd en diamanten tranen in de oogen.

Do diamanten en robijnen schijnen vloeiend, en doen beneden, in de schaduw, gesluierde wezens weenen, wier lendenen gestriemd en verwond zijn door den geesel met ijzeren punten en het haren kleed, wier borsten door het teenen vlechtwerk plat zijn gedrukt, wier knieën door het gebed ontveld zijn; vrouwen, die zich echtgenooten wanen, spoken die serafijnen meenen te zijn. Denken deze vrouwen? Neen. Hebben zij een wil? Neen. Beminnen zij? Neen! Leven zij? Neen. Haar zenuwen zijn been geworden, haar gebeente is versteend. Haar sluier is uit nacht geweven. Onder dien sluier gelijkt haar adem eenigerwijs den akeligen ademtocht des doods. De abdis, een spooksel, zegent en verstijft ze van schrik. Daar is het onbevlekte woest. Zóó zijn de oude kloosters in Spanje, verblijven van schrikbarende godsvrucht, spelonken van maagden, ontzettende plaatsen.

Het Katholieke Spanje was meer roomsch dan Rome zelf. Bij uitnemendheid was het Spaansche klooster het Katholieke klooster. Men rook er het Oosten. De aartsbisschop, de kizlar-aga des hemels, grendelde en bewaakte dat voor God bewaarde zielen serail. De non was de odaliske, de priester de gesnedene. De vurigste werden in den droom uitverkoren en bezaten Christus. Des nachts daalde de fraaie, naakte jonge man van het kruis, en werd de verrukking der cel. Hooge muren behoedden voor iedere verstrooidheid de geheimzinnige sultane, die den gekruisigde tot sultan had. Een blik naar buiten was een ontrouw. Het in pace verving den lederen zak. Wat men in het oosten in zee wierp, werd in het westen in de aarde geworpen. Hier zoowel als daar, wrongen vrouwen de handen; de golf voor deze, het graf voor de andere; hier verdronkenen, daar begravenen. Gruwzame gelijkenis.

Nu de verdedigers van het verleden deze feiten niet meer kunnen loochenen, beginnen zij er om te lachen. Men heeft een zeer gemakkelijke, maar zonderlinge wijze in de mode gebracht om de openbaringen der geschiedenis van de hand te zetten, de verklaringen der wijsgeeren te verminken, en alle hinderlijke feiten en sombere kwestiën te ontgaan. „Stof tot declameeren,” zeggen de behendigen. Declamatiën, herhalen de dommen. Jean Jacques Rousseau declameert; Diderot declameert; Voltaire declameert over Calas, Labarre en Sirven. Ik weet niet wie onlangs ontdekt heeft, dat Tacitus een declamateur, dat Nero een offer was, en dat men waarlijk met dien armen Holofernus medelijden moest hebben.

De feiten zijn intusschen moeielijk ter zijde te stellen en staan vast.

De schrijver van dit boek heeft met zijn eigen oogen, acht uren van Brussel, in de abdij van Villers, iets uit de Middeleeuwen gezien, dat in ieders bereik ligt—in het midden van ’t geen toen de kloosterhof was, aan den oever der Dyle, het in pace, vier steenen cachotten, half in den grond half in het water gebouwd. Ieder dezer cachotten heeft nog het overblijfsel van een ijzeren deur, een geheim gemak, en een getralied luchtgat, dat buiten twee voet boven de rivier, binnen zes voet boven den grond is. Langs den muur stroomt de rivier ter hoogte van vier voet. De bodem is altijd vochtig. De bewoner van het in pace had dezen vochtigen bodem tot bed. In een dezer cachotten bevindt zich nog een brok van een in den muur gemetselden halsboei; in een ander ziet men een soort van vierkante kast, van vier steenen samengesteld, die te kort is om er in te kunnen liggen, te laag om er in te staan. Daarin stak men een mensch en legde er een steenen deksel op. Het bestaat nog. Men ziet, men betast het. Deze in paces, deze cachotten, deze ijzeren hengels, deze halsboeien, dit lage luchtgat vlak boven de rivier, deze met een granieten deksel als een graf gesloten steenen kist, met dit verschil dat daarin de doode levend was, deze bodem van slijk, dit rioolgat, deze zweetende muren—hoe „declameeren” zij!

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *