Zondag, 19/04/2026 - 21:38

Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was ’t dat hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: „hij blijft van nacht weêr uit.”

Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename, zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; ’t was of zijn aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende Marius’ liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier geheimzinnige en veelvuldige spelingen van het noodlot, het tooneel te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden.

Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging toen een bad nemen.

Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius’ kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen van waar hij kwam.

Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden, dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed, dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos nedergelegd.

„Dat heb ik liever,” zei Gillenormand.

En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende intocht.

In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de andere het zwarte lint en riep: „Victorie! wij zullen het geheim ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik heb het portret!”

Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon, hing aan het lint.

De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. „Het is stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak.”

„Laat eens zien, vader,” zei de oude vrijster.

Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een zorgvuldig dichtgevouwen papier.

„Van denzelfde aan denzelfde,” zei Gillenormand, met schaterenden lach. „Ik weet wat het is. Een minnebrief.”

„O, laat mij lezen,” zei tante.

En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen:

Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.”

Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich zelven:

„’t Is het schrift van den voorvechter.”

De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde het weder in het doosje.

Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las: „Baron Marius Pontmercy.

De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in ’t vertrek op den vloer en zeide:

„Breng die plunje weg.”

Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder waarschijnlijk aan hetzelfde. Na verloop van dat uur zeide tante Gillenormand:

„’t Is mooi!”

Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon en met burgerlijken trots, waarin iets verpletterends lag, hem toeriep:

„Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat beteekent dat?”

Marius bloosde en antwoordde:

„Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben.”

Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw:

„Ik ben uw vader.”

„Mijn vader,” hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat, „was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis, welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels, des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd, twintig wonden ontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!” Dit was meer dan de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord „republiek” was hij opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan, als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden.

„Marius!” riep hij. „Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader was! Ik wil ’t niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is, dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is, dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer uw vader daarbij was, weet ik niet… zoo ja ’t spijt mij… des te erger.”

Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer Gillenormand de blaasbalg. Marius’ geheele lichaam rilde; hij wist niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden, maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder den ander te hoonen? ’t Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak aan en riep met donderende stem:

„Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!”

Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij zich niet.

Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den schoorsteen naar het venster ]en van het venster naar den schoorsteen, de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende:

„Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder hetzelfde dak blijven.”

En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar Marius uit en schreeuwde hem toe:

„Ga heen!”

Marius verliet het huis.

Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter:

„Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd’ors, en spreek mij nooit meer van hem.”

Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u.

Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid, welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van grootvader de „plunje” van Marius haastig naar diens kamer bracht, had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat „mijnheer Gillenormand” – van dien dag af noemde hij hem nooit anders – het „testament zijns vaders” in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie, dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan?

Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche wijk laten brengen.

Wat zal er van Marius worden?[7

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *