Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de „arend van Meaux,” behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval, hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest.
Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen een voertuig met twee wielen, [94]dat stapvoets en besluiteloos over het plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De arend lette er op.
Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters: Marius Pontmercy stond.
Die naam deed L’aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en riep den jongeling in de cabriolet toe:
„Mijnheer Marius Pontmercy!”
De aangeroepen cabriolet hield stil.
De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op.
„Nu?” zeide hij.
„Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?”
„Ja gewis.”
„Ik zocht u,” hernam L’aigle de Meaux.
„Waarom?” vroeg Marius; want hij was ’t werkelijk, die het huis zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag, die hij nog nooit gezien had; „ik ken u niet.”
„Ik u evenmin,” antwoordde L’aigle.
Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L’aigle van Meaux hernam echter gelaten:
„Ge waart eergisteren niet bij de lessen?”
„’t Is mogelijk.”
„’t Is zeker.”
„Zijt gij dan student?” vroeg Marius.
„Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt, wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!”
Marius begon te luisteren. L’aigle ging voort:
„’t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping; allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen, lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te doen. Eensklaps roept Blondeau: „Marius Pontmercy.” En hij neemt zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij mij zelven: [95]zou men zoo’n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker, die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren, de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale Blondeau! Hij doopte juist zijn van ’t doorschrappen reeds zwarte pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan en herhaalde ten derde male: „Marius Pontmercy!” Toen antwoordde ik: Present! En gij zijt dus niet geschrapt.”
„Mijnheer,” zei Marius.
„Maar ik ben wèl geschrapt,” voegde de arend van Meaux er bij.
„Ik begrijp u niet,” zei Marius.
L’aigle hernam:
„Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux.”
„L’aigle!” herhaalde Marius, „een fraaie naam.”
„Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L’aigle! Ik antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een tijger aan, glimlacht en zegt: Als ge Pontmercy zijt, kunt ge L’aigle niet zijn,—woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij.”
„Mijnheer!” riep Marius, „het doet mij waarlijk leed!”
„Vóór alles,” hernam L’aigle, „zou ik Blondeau wel in eenige diep gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik: Erudimini qui judicatis terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline, bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van ’t appèl, die recht, vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem, zoo als hij mij geschrapt heeft.”
„’t Doet mij leed,” hernam Marius nogmaals.
„Jonkman,” zei de arend van Meaux, „dat u dit tot een les diene! Wees in ’t vervolg wat nauwgezetter.”
„Ik vraag u duizendmaal vergeving.”
„Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil geschrapt worde.”[96]
„Ik ben wanhopig…”
Daar begon L’aigle luidkeels te lachen.
„En ik verheugd. Ik was op ’t punt advocaat te worden. Die schrapping nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?”
„In deze cabriolet,” zei Marius.
„Dat is een bewijs van weelde,” hernam L’aigle bedaard. „Ik wensch er u geluk mede. ’t Is een huur van 9000 francs per jaar.”
Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis.
Marius glimlachte treurig en zeide:
„Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar ’t is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!”
„Kom bij mij wonen, mijnheer,” zei Courfeyrac.
„Ik zou de voorhand hebben,” hernam L’aigle, „maar ik heb zelf geen woning?”
„Zwijg Bossuet,” riep Courfeyrac.
„Bossuet,” zei Marius, „maar ik meende dat ge u L’aigle hebt genoemd.”
„Van Meaux,” antwoordde L’aigle, „bloemsprakig: Bossuet.” Courfeyrac klom in de cabriolet en zei:
„Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier.”
Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken.
















