Maandag, 20/04/2026 - 01:09

In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekere revolutionaire huivering door ’t land. Een wind, uit de duisternis van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd—men vergeve ons deze uitdrukking—begon te ruien. Door de beweging des tijds werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden liberalen, de liberalen democraten.

’t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. ’t Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid, heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; ’t was het Bonapartisch liberalisme.

Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen; want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been.

De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van verborgenheid bedreigde de „gevestigde orde”, die verdacht en gluipend was. Een hoogst revolutionair verschijnsel. De nevengedachte van het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks samen. Het broeien van den opstand is het antwoord op het voorbereiden der staatsgrepen.

Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet, maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C.

Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen ten doel had.

Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Het abaissé (A. B. C. klinkt als abaissé en beteekent „vernederd”) was het volk. Dat wilde men opheffen; ’t was een woordspeling, waarmede men niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in ’t staatkundige van groot gewicht; ten bewijze hiervan het Castratus ad castra dat van Narsés een veldheer maakte; het Barbari et Barberini; het Fueros y Fuegos; het Tu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz.

De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe, waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een klein koffiehuis op het plein St. Michel, het Café Musain genaamd, dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden, het tweede voor de studenten.

De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte, dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om hen op het spoor te komen.

Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly en Grantaire.

Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden.

Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten, die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw van een treurig voorval wegzinken ziet.

Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben—men zal later zien waarom—was een eenige zoon en zeer rijk.

Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in het vorig leven reeds de revolutionaire apokalypse was doorgegaan. De overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben; voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte, aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers, blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche lippen en prachtige tanden ziende, op al dat ochtendrood belust ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven, zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren.

Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde, vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men ’s menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: „Revolutie, maar ook beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe horizont.” Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht, Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo ’t dien beiden jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren, zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras was mannelijker, Combeferre menschelijker. Homo en Vir, mensch en man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger, maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk de Spanjaards, Hombre (man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles, ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet, vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen, brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie, teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in de Fransche dictionnaire de l’ académie aan, bestudeerde Puységur en Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets, zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van den Moniteur, en dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan ’s volks verstandelijke en zedelijke ontwikkeling, aan de uitbreiding der wetenschap, aan het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten, en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch, nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam hij het „oneindige”, zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in de camera obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten, allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar ’t was hem liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en ’t verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht, en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand, noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang; misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield, opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! „Het goede moet schuldeloos zijn,” herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt.

Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie, de voorkeur aan het grootsche—iets dat zeer begrijpelijk is voor hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te lezen. In ’t Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa d’Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk, den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom, de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken.

Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te verlossen. Ook had hij nog een andere zorg, [87]namelijk zich zelven te onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de groote moord van 1772, de verdeeling van Polen. Er is geen krachtiger welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd en ne varietur, geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly’s gewone tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven, en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebben geen toekomst. Men kan het merk eener natie niet uittornen zooals men ’t een zakdoek doet!

Courfeyrac had een vader, dien men mijnheer de Courfeyrac noemde. ’t Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet dat het de volstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den tijd van la Minerve waardeerde dat arme de zoo hoog, dat men zich verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque, Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac.

Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes.

Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, ’t welk men de schoonheid der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit.

De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van geestigheid over; zij gaat quasi cuisores van de eene in de andere hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die, gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder.

Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling.

Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.

Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in ’t groot, die niets liever had dan twist of ’t moest oproer, niets liever dan oproer of ’t moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn leuze was: „nooit advocaat!” en zijn wapenschild een nachttafeltje met een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, ’t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,—de paletot was toen nog niet uitgevonden,—en „ging voor zijn gezondheid zorgen.” Het portaal der academie noemde hij „een mooien grijsaard!” en den deken Delvincourt: „een monument!” In een cursus zag hij een onderwerp voor een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.

Van hen sprekende zeide hij: ’t Zijn boeren en geen burgers; daarom hebben zij verstand.

Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.

Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te voorschijn zouden treden.

In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d’Avaray, wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in 1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had.

„Wat verzoekt ge?” vroeg toen de koning.

„Een postkantoor, sire.”

„Hoe heet ge?”

„L’Aigle.”

De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van het request en zag den naam Lesgle.

Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij glimlachte.—Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door verbastering l’Aigle.—De koning lachte en gaf opzettelijk of bij vergissing den man later het postkantoor te Meaux.

Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle, of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn vrienden hem Bossuet.

Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. ’t Was zijn vader gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij had verstand en wetenschap, maar ’t baatte hem niet. Alles ontbrak, alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte, hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp, maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: „Ik woon onder een dak, waar de pannen afvallen.” Nooit verwonderd—want voor hem was een ramp iets dat hij verwachtte—onderwierp hij zich gelaten aan het ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, dat hij ’t zonder plichtplegingen „schalk!” noemde.

Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, „dolle verteringen” te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige woorden: „Meisje van vijf louisd’or; trek mijn laarzen uit.”

Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms in ’t geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger dan Bossuet.

Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het voeteneinde naar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid, inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen, zei Jean Prouvaire tot hem.

Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden, ’t geen het kenteeken van een schranderen bol is.

Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang.

Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen geweest. Om ’t even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast.

Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.

Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten, die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden; hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis gewezen: „Grantaire is onmogelijk!” Maar Grantaire’s zelfbehagen werd toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met een blik, die scheen te zeggen: „Zoo ik wilde!” en hij [92]poogde zijn vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd.

Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen, of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun verdriet gestadig: J’aimons les filles et j’aimons le bon vin; air: Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)

Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; ’t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige, regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke, wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was zijn natuur. Er zijn menschen, die geschapen schijnen om steeds keer- en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt niet anders dan met het voegwoordje en geschreven; hun leven behoort hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde van Enjolras.

Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.

Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; hij volgde hen overal. ’t Was hem een lust, die schaduwen te midden der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd hij verdragen.

Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.

Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: „Wat fraai marmer!”


1L’Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te Meaux was.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *