Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij zijn grootvader had verlaten.
Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.
Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn. – Ik kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius’ afzijn toch iets in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien „kleinen snaak” geen schrede genaderd zijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms: – „O wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!”
Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.
Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem van Marius spraken en vroegen: „Wat doet, of wat wordt mijnheer uw kleinzoon?” Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde schijnen: „Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar.”
Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen die slecht jegens zijn vader was geweest. – ’t Was nu de verzachte vertaling van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd dacht hij er aan, dat dit het minste – dat dit een boetedoening was; dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden zijn; – dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets had geleden; – wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen bij het heldenleven van den kolonel vergeleken? – en eindelijk dat de eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was, moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld had met de woorden: „hij zal dit waardig zijn.” Woorden, die Marius voortdurend, niet op de borst – want het geschrift van den kolonel was verloren gegaan – maar in zijn hart droeg.
Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nog [lechts een knaap nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede, – wij drukken hierop – was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor ’t overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam, oplettend, met weinig tevreden, goedwillig – en hij dankt God, dat die hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt.
Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheid te zeggen, wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met overpeinzingen door.
Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak, bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.
’t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou.
Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken en zaken op te loopen. Waartoe zou ’t hem dienen? Hij vond geen enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had.
Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte, – ik geloof de Heer Magimel – had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs ’s jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius’ gedachte zou, zoo hij ’t voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang veranderde; ’t was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij weigerde dus.
Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet. Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze hem zijn vader leeren kennen en beminnen. „Hij heeft mij van de staar gelicht,” zeide hij.
Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.
De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige, lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet de persoon geweest.
De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.
Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden nopens hem niet onnoodig.
















