Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig, dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het toeval is de machinist dier gesprekken.
Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire, Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen schermden.
Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het, dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer, besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide, plotseling met deze dagteekening:
„18 Juni 1815. Waterloo.”
Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag het gezelschap met strakken blik.
„Pardieu!” riep Courfeyrac (Parbleu was op dat tijdstip in verval) „dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. ’t Is Bonapartes noodlottig nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het begin door het einde als op den voet wordt gevolgd.”
Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot Courfeyrac.
„Ge bedoelt de misdaad door de boete.”
Het woord „misdaad” overschreed alles, wat Marius, die reeds door de plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon.
Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland zag; hierop legde hij den vinger en sprak:
„Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt.”
’t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men gevoelde dat er iets gebeuren moest.
Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij het echter.
Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien:
„Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk is groot, omdat het Frankrijk is. Quia nominor leo.”
Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van zijn hart ontstond.
„God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan, laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u Buonaparte zeggen en op de u drukken evenals de koningsgezinden. Ik verzeker u, dat mijn grootvader ’t nog beter doet: hij zegt Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis; zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter, groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace; in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen; evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles, hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich bij de wieg van zijn kind te verblijden; – en eensklaps luisterde het verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts, artillerie-parken rolden, schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de aartsengel van den oorlog!”
Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende geestdrift voort:
„Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren, op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden, van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram; ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen, gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen, te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen en eens door den glans der overwinningen, – wat kan er grootscher zijn?”
„Vrij te wezen!” antwoordde Combeferre.
Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord, en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras, waren hem gevolgd. De kamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen; er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren zingen. ’t Was Combeferre, die zong:
Si César m’avait donné
La gloire et la guerre,
Et qu’il me fallût quitter
L’amour de ma mêre.
Je dirais au grand César:
Reprends ton sceptre et ton char,
J’aime mieux ma mêre, o gué’
J’aime mieux ma mêre.1
De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!…
Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder.
„Burger,” sprak Enjolras tot hem, „mijn moeder is de republiek.”
1Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever.
















