Maandag, 20/04/2026 - 00:51

Wij hebben van een lansier gesproken.

Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand, die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij had een „dames-taille,” droeg een opgestreken knevel en liet zijn sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden, dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei uitmuntende hoedanigheden toe.

Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.—”’t Is goed!” had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog optrekkende, bijgevoegd: „Hij blijft ’s nachts uitgaan.” Tante was in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen: „’t Is erg! waar gaat hij toch heen?” Zij vermoedde zekerlijk een of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig naar een schandaal.

Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te vernemen.

Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de Restauratie in zwang was. ’t Was een eentonige arbeid en een onwillige werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet.[71]

Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer te zien.

„Gij hier, Théodule!” riep zij.

„Voor een oogenblik, tante.”

„Maar kus mij toch!”

„Komaan,” zei Théodule.

En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en opende ze.

„Ge blijft immers de geheele week?”

„Neen, ik vertrek van avond, tante.”

„Dat is onmogelijk!”

„Stellig!”

„Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag.”

„Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! ’t Is heel eenvoudig. Wij wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken.”

„Dit is voor uw moeite.” En zij drukte hem tien louisd’ors in de hand.

„Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante.”

En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen, dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd.

„Doet ge de reis te paard met uw regiment?” vroeg zij.

„Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde.”

„Wat dan?”

„Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?”

„Hoe weet ge dat?” hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid opnieuw geprikkeld.

„Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats te bespreken.”

„Welnu?”

„Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik zag zijn naam op het register.”

„Welken naam?”

„Marius Pontmercy.”

„Welk een losbol!” riep tante. „Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!”

„Evenals ik.”

„Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid.”[72]

„Duivels!” zei Théodule.

Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand; zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor het voorhoofd hebben geslagen. „Weet ge ook of neef u kent?” vroeg zij.

„Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd op mij te letten.”

„En ge gaat dus morgen beiden op reis?”

„Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé.”

„Waar gaat die diligence heen?”

„Naar Andelys.”

„Gaat Marius dan ook naar Andelys?”

„Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De reisroute van Marius ken ik echter niet.”

„Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te noemen. Gij heet ten minste Théodule.”

„Ik zou liever Alfred willen heeten,” zei de officier.

„Luister, Théodule.”

„Ik luister al, tante.”

„Let dan op.”

„Ik let op.”

„Nu, luistert ge?”

„Ja.”

„Marius is dikwerf afwezig.”

„Ei, ei!”

„Hij reist veel.”

„Aha!”

„Hij blijft ’s nachts uit.”

„Zoo, zoo!

„En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt.”

Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding:

„Een vrouw in ’t spel.”

En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij er bij:

„Een liefje.”

„Ja, ’t is duidelijk!” riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam:

„Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in ’t oog. ’t Zal u gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat zal zijn grootvader pleizier doen.”[73]

Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch verteederd door de tien louisd’ors, die mogelijk nog vermeerderd konden worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: „Zooals ’t u belieft, tante;” en voegde er in stilte bij:

„Nu ben ik duegna geworden.”

Juffrouw Gillenormand kuste hem.

„Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule,” sprak zij. „Gij gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten zou om een deerne na te loopen.”

De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men dezen om zijn eerlijkheid prees.

Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence, zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft, het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was ’t een vaste gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht.

Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence „Vernon! de reizigers voor Vernon!” De luitenant Théodule ontwaakte.

„Ha!” bromde hij nog half slapend, „hier moet ik er uit.”

Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd’ors; en aan het verslag, dat hij op zich genomen had van Marius’ gedrag te zullen doen. Dit bracht hem aan ’t lachen.

„Hij is misschien niet meer in het rijtuig,” dacht hij, zijn kleintenue-jasje dichtknoopende. „Wellicht is hij er te Poissy of te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch, wat drommel zal ik de goede oude schrijven?”

Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje der coupé voorbij.

„Zou ’t Marius zijn?” dacht de luitenant.

Het was Marius.

Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep: Koopt bloemen voor uw dames.

Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje.

„Nu waarlijk,” zei Théodule uit de coupé springende, „word ik zelf nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wil haar zien.”[74]

En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen.

Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de diligence, hij zag er niet naar om. ’t Scheen alsof hij niets zag van ’t geen hem omgaf.

„Wat is hij verliefd!” dacht Théodule.

Marius ging naar de kerk.

„Heerlijk!” dacht Théodule. „De kerk, dat is het juist. Rendez-vous, met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat.”

Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween hij achter den hoek van een der zijmuren.

„Het rendez-vous is buiten,” zei Théodule, „laat ons nu zien, wie ’t liefje is.”

En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest.

Daar gekomen bleef hij verstomd staan.

Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters: Kolonel Baron Pontmercy.

Marius weende hoorbaar.

Het liefje was een graf.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *