Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.
Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de verzamelde Moniteurs.
Hij las den Moniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften, dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals, onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen, verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn vader volkomen.
Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: „Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!”—Soms voegde de grijsaard er bij:—„Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar ’t schijnt werkelijk liefde te zijn.”
En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief te hebben.
Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen en aan te wijzen.
De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem.
De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, Vergniaud, [65]Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.
Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te voeren. ’t Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor ’t geen volgen zal; gaan wij nu voort.
Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde aan den eenen, vereerde aan den anderen kant.
Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader gespoed en uitgeroepen hebben: „Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; ik heb hetzelfde hart als gij!” O, hoe zou hij zijn grijze hoofd gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius’ hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten.[66]
Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk ook die van Napoleon gevolgd.
Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.
Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en om hem voor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen, de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van 1814 beurtelings de schrikbarendste maskers—van wat vreeselijk en toch grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van Tiberius af tot Blauwbaard toe—te voorschijn treden. Wanneer er dus van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij, mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius’ geest had, nopens dezen man,—zooals men hem noemde—nooit andere denkbeelden gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat Napoleon haatte.
Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent Bonaparte als al het overige bedrogen had.
Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap, aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende trappen der geestvervoering.
Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengden [67]zich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de sterren fonkelen;—’t is een ontzettend grootsch gezicht!
Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk daagde voor hem op; hij gevoelde als ’t ware dat er een zwellende vloed in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de eeuwige onmetelijkheid, en riep: „Leve de Keizer!”
Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche menscheneter—de overweldiger,—de dwingeland,—het monster dat de minnaar zijner eigen zuster was,—de komediant wien Talma les gaf,—de vergiftiger van Jaffa,—de tijger,—Buonaparte,—dat alles verdween en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans, waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert; voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij, op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen, en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken, machtig in zijn misdaden bleek.
Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen had [68]van „de groote natie” te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg, en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus de Godmensch is.
Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde, dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem, de verzachtende omstandigheden.
Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had zich omgewend.
Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets van vermoedde.
En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair, innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met het opschrift: „Baron Marius Pontmercy.”
Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering, een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon afgeven, stak hij ze in zijn zak.
Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij zich meer van zijn grootvader [69]verwijderde. Wij hebben ’t reeds gezegd, dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken, die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind zijn vader ontnomen had.
Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn grootvader geworden.
Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: „Hij is verliefd; ik ken die dingen.”
Marius was nu en dan afwezig.
„Waar zou hij toch heengaan?” vroeg tante.
Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit.
„Nu is ’t zeker,” zei de grootvader; „zijn hoofd raakt in de war.”
Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd iets aan een zwart lint om den hals droeg.
















