De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer Fauchelevent. „’t Is de verkeerde wereld,” zei juffer Gillenormand, „dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten maken.” Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier oogen dan de matten stoelen in de straat de l’Homme-Armé, hadden ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander, maar onderhielden zich niet met elkander. ’t Scheen, alsof dit afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken, uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.
Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.
Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een treurigen blik in ’t verleden doen slaan. De geest, die zich niet naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu en dan bracht Marius zijn hand aan ’t hoofd, en het woelige en onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.
En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met Cosette. ’t Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.
De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden, welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen hadden. Overigens was, bij ’t verschil van beider aard, geen vraag van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.
Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen, zijn minder zeldzaam dan men gelooft.
Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende, zeide hij:
„Ge kent immers die straat?”
„Welke straat?”
„De Chanvreriestraat?”
„Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat,” antwoordde de heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.
Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.
„Ik heb stellig gedroomd,” dacht hij, „’t is een zinsbegoocheling geweest. ’t Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was er niet.”
















